Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2468

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
103.005.084_02 en 103.005.085_02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Herroeping
Inhoudsindicatie

Herroeping op grond van artikel 383 Rv. Niet ontvankelijk vanwege overschrijding herroepingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers HD 103.005.084/02 en HD 103.005.085/02

arrest van 21 juni 2016

in de ter rolle gevoegde zaken van

zaaknummer HD 103.005.084/02

P&R Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres in het geding tot herroeping,

advocaat: mr. N. van Beurden te ’s-Hertogenbosch,

tegen:

1 [gedaagde] ,

wonende te [vestigingsplaats 1] ,

2. Globalcom Industry S.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] (Zwitserland),

gedaagden in het geding tot herroeping,

advocaat: mr. H.L.J. Walhain te Den Haag,

op de vordering tot herroeping van de door dit hof op 28 oktober 2008 en 1 september 2009 onder zaaknummer HD 103.005.084/01 gewezen arresten tussen eiseres tot herroeping

- P&R - als appellante en gedaagde sub 1 in het geding tot herroeping - [gedaagde] - als geïntimeerde;

en

zaaknummer HD 103.005.085/02

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in het geding tot herroeping,

advocaat: mr. F.T.H. Gimbrère te Breda ,

tegen:

1 [gedaagde] ,

wonende te [vestigingsplaats 1] ,

2. Globalcom Industry S.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] (Zwitserland),

gedaagden in het geding tot herroeping,

advocaat: mr. H.L.J. Walhain te Den Haag,

op de vordering tot herroeping van de door dit hof op 28 oktober 2008 en 1 september 2009 onder zaaknummer HD 103.005.085/01 gewezen arresten tussen eiser tot herroeping

- [eiser] - als appellant en gedaagde sub 1 in het geding tot herroeping - [gedaagde] - als geïntimeerde.

1 Het geding tot herroeping

in zaaknummer HD 103.005.084/02

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tot herroeping van 17 juni 2015 met een productie;

- de akte herstel verzuim van P&R van 28 juli 2015 met producties;

- de conclusie van antwoord van gedaagden van 6 oktober 2015 met producties;

- de conclusie van repliek van P&R van 19 januari 2016 met een productie;

- de conclusie van dupliek van gedaagden van 16 februari 2016;

- de akte van P&R van 29 maart 2016 met een productie;

- de antwoordakte van gedaagden van 26 april 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

in zaaknummer HD 103.005.085/02

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tot herroeping van 17 juni 2015 met een productie;

- de akte herstel verzuim van [eiser] van 28 juli 2015 met producties;

- de conclusie van antwoord van gedaagden van 6 oktober 2015 met producties;

- de conclusie van repliek van [eiser] van 19 januari 2016 met een productie;

- de conclusie van dupliek van gedaagden van 16 februari 2016;

- de akte van [eiser] van 29 maart 2016 met een productie;

- de antwoordakte van gedaagden van 26 april 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

2 De beoordeling

in beide zaken

de procedures

2.1

Tussen P&R en [eiser] enerzijds en [gedaagde] anderzijds is een geschil ontstaan over de indeplaatsstelling van [gedaagde] als huurder van de horecabedrijfsruimte van P&R en [eiser] aan de [adres] te [vestigingsplaats 1] . Volgens [gedaagde] was aan alle voorwaarden daarvoor voldaan, volgens P&R en [eiser] was dat niet het geval.

[gedaagde] heeft op 7 februari 2006 tegen hen een procedure aanhangig gemaakt waarin hij vorderde, kort gezegd, een verklaring voor recht dat P&R en [eiser] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichting om [gedaagde] in de plaats te stellen als huurder en daarom schadeplichtig zijn en hoofdelijke veroordeling van hen tot schadevergoeding. De kantonrechter te Breda van de rechtbank Breda heeft de vorderingen van [gedaagde] bij vonnis van 21 februari 2007 toegewezen.

P&R en [eiser] zijn tegen dit vonnis afzonderlijk in hoger beroep gekomen, onder zaaknummer HD 103.005.084/01 respectievelijk HD 103.005.085/01. Bij tussenarrest van 28 oktober 2008 heeft het hof in beide, gevoegde, zaken [gedaagde] op een onderdeel een bewijsopdracht verstrekt. Bij eindarrest van 1 september 2009 heeft het hof geoordeeld dat [gedaagde] in het bewijs is geslaagd en het vonnis van 21 februari 2007 bekrachtigd.

[gedaagde] heeft daarop een schadestaatprocedure tegen P&R en [eiser] aanhangig gemaakt. Bij eindvonnis van 12 februari 2014 heeft de kantonrechter te Breda van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de vorderingen van [gedaagde] gedeeltelijk toegewezen. [gedaagde] is hiertegen in beroep gekomen, onder zaaknummer HD 200.152.755/01, terwijl P&R en [eiser] ieder voor zich incidenteel appel hebben ingesteld. In dit hoger beroep heeft het hof bij arrest van 24 mei 2016 aan P&R een bewijsopdracht verstrekt en iedere verdere beslissing aangehouden.

de gronden voor herroeping

2.2

Artikel 382 Rv bepaalt dat een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij kan worden herroepen indien:

  1. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,

  2. het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

  3. de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij ware achtergehouden.

P&R en [eiser] hebben in hun herroepingsdagvaardingen aangevoerd dat al deze gronden zich in dit geval voordoen en dit standpunt onderbouwd met het overleggen van de memorie van antwoord in het incidenteel appel die [gedaagde] op 17 maart 2015 heeft genomen in het hoger beroep in de schadestaatprocedure met zaaknummer HD 200.152.755/01. In hun aktes herstel verzuim van 28 juli 2015 hebben P&R en [eiser] dit nader toegelicht en daarbij drie inhoudelijke kwesties onderscheiden waarbij telkens als onderbouwing wordt verwezen naar erkenningen en stukken in de schadestaatprocedure. Hiermee wordt kennelijk steeds gedoeld op genoemde memorie, nu in dit verband geen ander processtuk of proceshandeling van [gedaagde] in de schadestaatprocedure door P&R en [eiser] wordt vermeld. Hieruit blijkt dat voor P&R en [eiser] de grondslag voor de herroepingsprocedures is gelegen in die memorie.

de partijen

2.3

In de hoofdzaak was gedaagde sub 2 (verder: Globalcom) geen partij, zodat zij dat in beginsel ook niet is in de herroepingsprocedure. P&R en [eiser] hebben toegelicht dat naast [gedaagde] als hun wederpartij in de hoofdzaak en in de schadestaatprocedure ook Globalcom als gedaagde in de herroepingsprocedure is betrokken vanwege een cessie van de vordering van [gedaagde] op hen aan Globalcom. De rechtsgeldigheid van deze cessie is volgens P&R en [eiser] in de schadestaatprocedure betwist, zodat zij zowel [gedaagde] als Globalcom in de herroepingsprocedure hebben gedagvaard.

Met betrekking tot de positie van Globalcom in deze procedure constateert het hof dat in het arrest van dit hof van 24 mei 2016 in de schadestaatprocedure inmiddels is vastgesteld dat die cessie rechtsgeldig is (r.o. 3.6.1). Gelet op hetgeen hierna volgt over de ontvankelijkheid laat het hof het bij deze constatering.

de ontvankelijkheid

2.4

Het hof stelt vast dat P&R en [eiser] de onderhavige herroepingsprocedures hebben doen aanvangen bij dagvaardingen van 17 juni 2015. Ingevolge artikel 383 Rv dient het rechtsmiddel van herroeping te worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden, met dien verstande dat de termijn niet aanvangt dan nadat het vonnis (c.q. het arrest) in kracht van gewijsde is gegaan. Dat laatste is in deze zaak het geval. Waar het om gaat is of de herroepingsdagvaardingen al dan niet binnen de termijn van drie maanden zijn uitgebracht. Volgens gedaagden is dat niet het geval. De memorie waar P&R en [eiser] zich op baseren is op 16 maart 2015 bij de advocaten van P&R en [eiser] bezorgd zodat de herroepingsdagvaardingen volgens hen na het verstrijken van de termijn van drie maanden zijn uitgebracht. Daarnaast voeren gedaagden aan dat de stukken waar P&R en [eiser] zich op beroepen ter onderbouwing van hun vordering tot herroeping, reeds in een eerder stadium aan hen bekend waren.

2.5

P&R en [eiser] betwisten niet dat de memorie van antwoord in het incidenteel appel uit de schadestaatprocedure op maandag 16 maart 2015 bij hun advocaten is bezorgd en daarmee aan partijen ter beschikking stond, maar zij voeren aan dat de inhoud van die memorie eerst op een later tijdstip is bezien. Indien dat latere tijdstip niet wordt gehanteerd als moment van aanvang van de termijn, dient volgens hen dinsdag 17 maart 2015 als zodanig te gelden nu dat de roldatum is waarop de memorie door [gedaagde] is genomen. In beide gevallen zijn volgens hen de herroepingsdagvaardingen binnen de termijn van drie maanden uitgebracht.

2.6

Het hof overweegt hierover het volgende. Vast staat dat het stuk waar P&R en [eiser] zich op baseren op maandag 16 maart 2015 is bezorgd. Dat betekent dat het op die datum bij hen bekend was. Naast de ontvangst van dat stuk is geen andere omstandigheid naar voren gebracht die relevant is voor de bepaling van de aanvang van de termijn. Met dat het stuk is ontvangen, is het bij de ontvanger ervan bekend. Op welk moment deze het stuk vervolgens inhoudelijk bestudeert is in dit verband niet van belang. Het stuk dat in dit geval voor de ontvanger de gronden voor herroeping belichaamt is hem na de ontvangst ervan bekend, en daarmee wordt hij tevens geacht bekend te zijn met die gronden. Ergens anders zijn die gronden blijkens de standpunten van P&R en [eiser] niet in te vinden. De datum waarop de memorie op de rol is genomen is in dit verband evenmin van belang. De bekendheid met de stuk bij P&R en [eiser] neemt niet toe doordat het reeds door hen ontvangen stuk daarna ook formeel in de procedure wordt ingebracht. Die bekendheid was eenmaal ontstaan en niet afhankelijk van wat er daarna al dan niet met het stuk zou worden gedaan.

2.7

Het voorgaande betekent dat voor de ontvankelijkheid van de onderhavige herroepingsvordering uitgegaan dient te worden van maandag 16 maart 2015 als aanvang van de termijn die artikel 383 Rv stelt. De termijn van drie maanden vangt aan op de dag erna, dinsdag 17 maart 2015, en verkrijgt geen verlenging op grond van de Algemene Termijnenwet, zodat de termijn is verstreken op dinsdag 16 juni 2015. Het hof deelt daarom het standpunt van gedaagden dat P&R en [eiser] niet ontvankelijk zijn in hun herroepingsvorderingen aangezien deze buiten de door de wet gegeven termijn zijn ingesteld.

conclusie

in zaaknummer HD 103.005.084/02

2.8

Het hof zal P&R niet-ontvankelijk verklaren in haar herroepingsvordering, met veroordeling van P&R als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de herroepingsprocedure als gevorderd.

in zaaknummer HD 103.005.085/02

2.9

Het hof zal [eiser] niet-ontvankelijk verklaren in zijn herroepingsvordering, met veroordeling van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de herroepingsprocedure als gevorderd.

3 De uitspraak

Het hof:

in zaaknummer HD 103.005.084/02

verklaart P&R niet-ontvankelijk in haar vordering tot herroeping van de op 28 oktober 2008 en 1 september 2009 onder zaaknummer HD 103.005.084/01 gewezen arresten;

veroordeelt P&R in de kosten van de herroepingsprocedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 711,= aan vast recht en op € 2.235,= aan salaris advocaat, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening en wat betreft de nakosten met € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in zaaknummer HD 103.005.085/02

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot herroeping van de op 28 oktober 2008 en 1 september 2009 onder zaaknummer HD 103.005.085/01 gewezen arresten;

veroordeelt P&R in de kosten van de herroepingsprocedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 711,= aan vast recht en op € 2.235,= aan salaris advocaat, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening en wat betreft de nakosten met € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2016.

griffier rolraadsheer