Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2465

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
200.192.000/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2443
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 16 juni 2016

Zaaknummer: 200.192.000/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/301111/ JE RK 15-1901 en C/01/300959/ JE RK 15-1893

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl,

tegen

Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 december 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 januari 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover het betreft de vaststelling van een omgangsregeling, en verzocht:

- een contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] vast te stellen waarbij de moeder en [minderjarige 1] viermaal per week voor de duur van vier uur onbegeleid contact hebben;

- te bepalen dat ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de door de rechtbank op 12 december 2014 vastgestelde contactregeling heeft te gelden, dan wel een contactregeling tussen de moeder en haar dochters vast te stellen waarbij de moeder en haar dochters tweemaal per week voor de duur van vier uur onbegeleid contact hebben, waarvan één bezoek op gelijktijdig moment plaatsheeft met één van de bezoeken van [minderjarige 1] , dan wel een contactregeling vast te stellen die het hof in het belang van de minderjarigen acht en die in ieder geval uitgebreider is dan de huidige contactregeling, zoals vastgelegd in de bestreden beschikking;

- in alle gevallen te bepalen dat de op te leggen contactregeling in duur wordt beperkt tot vier maanden.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 maart 2016, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. De Gruijl;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Zoals ter zitting besproken, heeft het hof onderhavige zaak na de zitting gesplitst van de zaak betreffende [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vanwege de verschillende belanghebbenden. De kwestie betreffende [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is afgedaan onder nummer 200.184.161/01.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de raad d.d. 10 februari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

3.2.

[minderjarige 1] staat sinds 6 februari 2016 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij beschikking van 5 februari 2016 is [minderjarige 1] op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs voor de periode tot 6 augustus 2016.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, voor de duur van de uithuisplaatsing een contactregeling vastgesteld tussen de moeder en [minderjarige 1] , zoals in die beschikking is weergegeven.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan. Het contact is zeer beperkt en komt niet tegemoet aan het belang van [minderjarige 1] . De moeder stelt zich positief op en er is geen sprake van contra-indicaties, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat moet worden toegewerkt naar de contactregeling zoals bij beschikking van 12 december 2014 is vastgelegd. De moeder heeft echter niet het idee dat daadwerkelijk wordt teruggewerkt naar de oorspronkelijke contactregeling. De werkrelatie tussen de moeder en de GI is niet optimaal.

Volgens de moeder verlopen de begeleide contacten goed. De contacten zijn recentelijk uitgebreid naar tweewekelijkse contacten. De moeder heeft contact met [minderjarige 1] in de woning van de pleegmoeder, maar de pleegmoeder is niet in dezelfde ruimte aanwezig; de pleegmoeder vertrouwt de moeder kennelijk in onbegeleid contact met [minderjarige 1] . Verder stelt de moeder dat haar contact langer duurt dan volgens de afspraak met de GI het geval zou moeten zijn. De moeder stelt dat het belang van [minderjarige 1] op frequent contact met de moeder zeer groot is, omdat hij een jonge baby is die zich veilig aan de moeder dient te hechten. In het verlengde hiervan wil de moeder werken naar een thuisplaatsing.

Verder stelt de moeder dat de contactregeling onvoldoende concreet is en te veel vrijheid laat voor de invulling daarvan, zodat onvoldoende is gewaarborgd dat omgang daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. Volgens de moeder komt het geregeld voor dat een contactmoment kort van tevoren wordt afgezegd.

Wat betreft de urinecontroles stelt de moeder dat zij deze door bepaalde omstandigheden niet heeft kunnen laten uitvoeren, maar dat dat traject inmiddels wel weer is opgestart. De moeder stelt dat dit niet afdoet aan de mogelijkheid tot uitbreiding van de omgangsregeling.

Verder stelt de moeder onder behandeling te zijn bij GGZ.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, aan dat de contacten tussen de moeder en [minderjarige 1] door de pleegzorgwerker worden begeleid – de pleegmoeder is tijdens de contacten in de woning aanwezig – en sinds kort voor twee maal per week gepland staan vanwege de hechting. De moeder lukt het echter niet om twee keer per week de bezoekafspraken na te komen; in de periode tot maart 2016 had de moeder gemiddeld eenmaal per week contact met [minderjarige 1] en sindsdien twee keer per week.

Volgens de GI is het een patroon dat de moeder vaak afspraken afzegt en daarmee aantoont dat zij niet steeds beschikbaar is voor [minderjarige 1] .

[minderjarige 1] ontwikkelt zich goed.

De GI stelt dat de huidige contactregelingen niet kunnen worden uitgebreid, omdat de moeder eerst een traject bij GGZ dient te doorlopen en er meer zicht dient te komen op de opvoedingsvaardigheden en draagkracht van de moeder. Daarbij moet de moeder inzicht krijgen in haar eigen handelen en dient de moeder een psychologisch onderzoek te ondergaan.

De GI heeft nog geen informatie van GGZ ontvangen, omdat de moeder op een afspraak daartoe bij GGZ niet is verschenen.

Verder kan er naar de mening van de GI geen sprake zijn van uitbreiding van het contact dan wel onbegeleid contact, zolang de moeder geen uitslagen van urinecontroles aanlevert. Dit onderwerp leek reeds in februari 2016 – wat kosten betreft – te zijn opgelost, maar tot op heden stelt de GI geen uitslagen te hebben ontvangen.

3.8.

De raad heeft ter zitting geadviseerd geen onbegeleide contactregeling te bepalen, zolang niet blijkt dat de moeder de urinecontroles naleeft. De raad stelt zich achter het standpunt van de GI. Verder vindt de raad het positief dat de moeder contact heeft met GGZ en dat er enige vooruitgang lijkt te zijn, maar vindt de raad dit onvoldoende om reeds nu toe te werken naar onbegeleide omgang of thuisplaatsing.

Contactregeling

3.9.

Ingevolge artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

3.10.

Het hof dient ambtshalve de ontvankelijkheid van het appel van de moeder te beoordelen en oordeelt dienaangaande het volgende.

De wet biedt de moeder in onderhavige situatie, dat de kinderen uit huis geplaatst zijn, niet expliciet de mogelijkheid een verzoek tot wijziging van een omgangsregeling in te dienen.

Het hof stelt vast dat de door de GI op basis van voormeld artikel verzochte wijziging van de eerder vastgestelde contactregeling, in de bestreden beschikking is afgewezen en de rechtbank op verzoek van de moeder voor de duur van de uithuisplaatsing een nieuwe omgangsregeling heeft bepaald. Het hof ziet in de afwijzing van het inleidende verzoek van de GI, in combinatie met het hierna te noemen recht van de moeder op toegang tot de rechter, een grondslag voor de ontvankelijkheid van het appel van de moeder.

Het hof is van oordeel dat de moeder op grond van art. 8 lid 1 EVRM bescherming geniet van haar recht op ‘the exercise of parental rights’, welk recht tevens is te beschouwen als een burgerlijk recht in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, zodat dit artikel de moeder eveneens het recht op toegang tot de rechter garandeert ter vaststelling van dat recht.

3.11.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de omgangsregeling voor de duur van de uithuisplaatsing dient te worden gewijzigd in de door de rechtbank vastgestelde begeleide contactregeling. Het hof overweegt hiertoe dat de moeder geen verantwoordelijkheid lijkt te nemen om haar situatie ten positieve te veranderen. De moeder heeft nog niet kunnen bewerkstelligen dat de uitslagen van de, naar zij stelt, uitgevoerde urinecontroles door de GI zijn ontvangen en dat de GI wordt geïnformeerd over haar traject bij GGZ. Het hof acht deze kwesties van groot belang voor de uitvoering van de omgangsregeling en acht de opstelling van de van de moeder in dit opzicht niet in het belang van [minderjarige 1] .

Voorts stelt het hof vast dat de GI de begeleide contacten van de moeder met [minderjarige 1] heeft uitgebreid naar tweewekelijks contact. Het hof stelt vast dat de GI in beweging is, maar dat de moeder door allerlei omstandigheden lijkt te stagneren.

De stelling van de moeder dat de pleegmoeder haar kennelijk vertrouwt in onbegeleid contact met [minderjarige 1] , doet aan het vorenstaande naar het oordeel van het hof niet af.

3.12.

Het hof ziet, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding om de inmiddels bestaande uitbreiding van de omgangsregeling in het dictum op te nemen.

3.13.

Op grond van het vorenstaande ziet het hof aanleiding de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 december 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.