Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2426

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
200.186.602_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing en ondertoezichtzelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 juni 2016

Zaaknummer : 200.186.602/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/210730 / JE RK 15-2105 en C/03/213435/ JE RK 15-2614

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. N.M. van Wijk, thans zonder advocaat,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Limburg, locatie Maastricht,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 november 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 februari 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van de raad af te wijzen.

In het geval voormelde beschikking voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft niet wordt vernietigd, heeft de moeder verzocht een zorg- en contactregeling op te leggen waarbij de hierna nader te noemen [het kind] ieder weekend van vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 19:00 uur bij de moeder zal verblijven, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen, dan wel een zorg- en contactregeling op te leggen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 april 2016, heeft de vader verzocht het beroep van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de vader, bijgestaan door mr. J.B.M. Rütten;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] .

2.3.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlage van de GI d.d. 5 april 2016;

  • -

    het V2-formulier van mr. Van Wijk d.d. 17 mei 2016, waarbij mr. Van Wijk zich heeft onttrokken als advocaat van de moeder.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [het kind] (hierna te noemen: [het kind] ) geboren.

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [het kind] uit.

[het kind] woonde tot 4 september 2015 bij de moeder.

3.2.

[het kind] staat sinds 4 september 2015 onder toezicht van de GI.

3.3.

[het kind] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 4 september 2015 uit huis geplaatst bij de vader.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [het kind] verlengd tot 4 december 2016 alsmede de aan de GI verleende machtiging verlengd om [het kind] uit huis te plaatsen bij de vader met ingang van 4 december 2015 tot uiterlijk 4 december 2016.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd. Deze maatregelen dienen pas aan de orde te komen als de belangen van [het kind] niet op een minder ingrijpende wijze kunnen worden beschermd en indien [het kind] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De GI heeft de mogelijkheid van minder ingrijpende maatregelen niet onderzocht.

De moeder betwist dat [het kind] lange tijd bij haar is opgegroeid onder pedagogisch verwaarlozende en onveilige omstandigheden alsook dat zij is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis, welke stoornis op zich ook geen reden mag zijn voor de uithuisplaatsing van [het kind] .

De moeder voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om een zorg- en contactregeling tussen de moeder en [het kind] heeft afgewezen. Indien de machtiging uithuisplaatsing niet (tussentijds) wordt beëindigd, is een zorg- en contactregeling van groot belang om de band tussen de moeder en [het kind] te behouden.

3.7.

De raad heeft ter zitting gepersisteerd bij het inleidend verzoek.

3.8.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn dringend noodzakelijk. Hoewel de moeder in het verleden altijd goed voor [het kind] heeft gezorgd, zij het met de kanttekening dat zij zich op het standpunt stelde dat de vader geen meerwaarde heeft in het leven van [het kind] , is gebleken dat zij dit in de laatste maanden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [het kind] niet meer kon. Momenteel zijn er geen tekenen dat zij daar thans weer wel toe in staat is. Het gaat helemaal niet goed met haar, wat de aard van haar psychische ziekte ook moge zijn. De politie heeft in negen maanden tijd 16 keer bemoeienis met haar gehad. De moeder maakt een verwarde indruk; zij is achterdochtig en vermoedt dat zij wordt afgeluisterd. Zij wordt verdacht van het mishandelen van haar buurvrouw en van [het kind] . Bij de vader gaat het heel goed met [het kind] . Op school presteert [het kind] bovengemiddeld en hij heeft vriendjes. Alles bij elkaar genomen maakt dat de beslissing van de rechtbank in stand dient te blijven.

De vader vindt het belangrijk dat [het kind] regelmatig contact kan hebben met de moeder, maar acht de huidige situatie van de moeder te onvoorspelbaar om een zorgregeling vast te leggen. De door de moeder verzochte regeling is te uitgebreid. Indien een zorgregeling wordt vastgesteld, dient er gestart te worden met een wekelijks contact van een paar uurtjes onder toezicht. Rekening houdend met [het kind] , dient de gezinsvoogd het tempo van een eventuele zorgregeling te bepalen.

3.9.

De stichting voert - kort samengevat - het volgende aan.

De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn terecht verlengd. Het gaat niet goed met de moeder. Zij woont niet meer bij haar ex-vriend. De contacten met de stichting houdt de moeder af. Zij wil geen contact met gezinsvoogdes. Zij heeft bij diverse instanties alsook bij haar eigen moeder geïnformeerd naar de verblijfplaats van [het kind] . De vader heeft daar adequaat op gereageerd. Bij de vader gaat het goed met [het kind] . [het kind] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. De ouders van moeder maken zich ernstig zorgen over de psychische gesteldheid van hun dochter en vrezen zelfs dat zij zich van het leven zal beroven. De mogelijkheden voor een gedwongen opname zijn onderzocht, maar het gegeven dat de moeder op momenten wel aanspreekbaar is, bemoeilijkt het proces van een (gedwongen) opname.

Op dit moment kan de stichting niet instaan voor de veiligheid van [het kind] bij onbegeleid contact met de moeder. Contact tussen [het kind] en de moeder kan alleen plaatsvinden in het bijzijn van de ouders van de moeder of haar ex-vriend.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.10.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.10.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.10.4.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.10.5.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen beoordeling en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van zowel artikel 1:255 lid 1 BW als artikel 1:265b lid 1 BW. Het hof voegt daar aan toe dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat sedert de datum waarop de rechtbank de bestreden beschikking heeft gegeven de psychische toestand van de moeder kennelijk verder is verslechterd. Elke basis om de moeder ten aanzien van [het kind] enige opvoedingsverantwoordelijkheid te geven ontbreekt dan ook nog steeds, zodat zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing van [het kind] in zijn belang noodzakelijk is en blijft.

Het hof acht het met de rechtbank niet in het belang van [het kind] een zorg- en contactregeling op te leggen, nu door de psychische gesteldheid van de moeder de veiligheid van [het kind] in dat contact met de moeder niet kan worden gewaarborgd. Gezien de weigering van de moeder om met de gezinsvoogd in gesprek te gaan ziet het hof ook geen mogelijkheden om thans enige vorm van begeleid contact vast te leggen.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 november 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.D.M. Lamers en

E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.