Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2425

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
200.186.187_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof oordeelt dat rechtbank op goede gronden ondertoezichtstelling heeft verlengd. Hof heft ondertoezichtstelling op met ingang van heden, nu dit niet langer het geëigende middel is om ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Vader maakt het de GI onmogelijk om aan wettelijke taak binnen ondertoezichtstelling te voldoen om toezicht op kind te krijgen en te houden. Ondertoezichtstelling ineffectief gebleken. Alleen een uithuisplaatsing resteert nog als middel om toezicht te krijgen op kind, maar GI acht dit schadelijker voor kind dan continuering huidige situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 juni 2016

Zaaknummer : 200.186.187/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/301745 / JE RK 15-1963

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat ten tijde van het instellen van hoger beroep: mr. L. Hoogstad,

huidige advocaat: mr. E.H.J. Plass,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Helmond,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming,

regio ’s-Hertogenbosch,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 februari 2016, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind] alsnog wordt gewezen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting] .

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 februari 2016;

  • -

    de brief van de vader d.d. 22 februari 2016 met als bijlage de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 19 februari 2016 (kenmerk 15/03927);

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 29 april 2016;

  • -

    de ter zitting door de vader overgelegde kopie van het e-mailbericht d.d. 3 mei 2016 van de GI aan beide ouders met als bijlage het verzoekschrift van de GI aan de rechtbank (gedateerd 29 april 2016) inzake de opheffing van de ondertoezichtstelling van [kind] .

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [kind] (hierna: [kind] ) geboren.

De vader heeft [kind] erkend.

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [kind] .

[kind] woont bij de vader. Tussen de moeder en [kind] vindt geen contact plaats.

3.2.

Dit hof heeft bij beschikking van 18 juni 2015 de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 17 februari 2015 – waarin [kind] onder toezicht werd gesteld voor de duur van een jaar – bekrachtigd.

De vader is hiervan in cassatie gegaan. Bij beschikking van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad de beschikking van het hof van 18 juni 2015 vernietigd en het geding verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [kind] met ingang van 17 februari 2016 tot 17 februari 2017 verlengd.

3.4.

De vader voert in het beroepschrift door middel van vier grieven – kort samengevat en voor zover thans relevant – het volgende aan.

Grief 1

De rechtbank heeft ten onrechte Bureau Jeugdzorg Helmond ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Het verzoek tot verlenging is ingediend en ondertekend door een daartoe onbevoegd persoon en door een geliquideerde opgeheven vestiging van Bureau Jeugdzorg zonder GI-status. De overdracht van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (Wsj) aan Bjz is op 16 september 2015 op onrechtmatige/nietige wijze tot stand gekomen. De rechter heeft verder Bjz ’s-Hertogenbosch aangewezen als GI en niet Bjz Helmond, terwijl Bjz Helmond formeel niet eens bestaat als vestiging van Bjz.

Grief 2

De rechtbank heeft ten onrechte de zaak niet aangehouden en is daarmee voorbij gegaan aan de juiste procesorde. De vader heeft immers geen kennis kunnen nemen van alle processtukken en heeft daar niet op kunnen reageren. Bjz Helmond heeft geen hoor en wederhoor toegepast vóór indiening van het verzoekschrift, maar heeft slechts de mening van de moeder gevraagd. Bjz Helmond is allesbehalve neutraal en professioneel. Het enige Plan van Aanpak dat de vader kent, is van 17 april 2015. Bij de rechtbank is echter een ander Plan van Aanpak overgelegd, waarvan de vader geen kennis heeft. Van het ‘Verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling’ heeft de vader evenmin kennisgenomen. De kern van juiste rechtspraak is juist dat partijen alle stukken zelf ter inzage krijgen en zelf kunnen lezen wat er in staat en daar vervolgens op mogen reageren. De bestreden beschikking kan op deze redenen niet in stand blijven, nu aantoonbaar procedureel onjuist is gehandeld.

Grief 3

De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat er sprake is van een (ernstige) bedreiging van de ontwikkeling van [kind] op basis van de strijd en de afwezige omgang. Mevrouw drs. [deskundige] heeft na onderzoek van [kind] verklaard dat er geen sprake is van een bedreigde ontwikkeling. De gezinsvoogd heeft dit eveneens verklaard en ook de crèche en school van [kind] geven aan dat [kind] zich naar behoren ontwikkelt en dat het prima met haar gaat. Daarnaast levert strijd tussen ouders en de afwezige omgang met één ouder, geen grond op voor een ondertoezichtstelling conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. [kind] wordt niet blootgesteld aan de juridisch strijd van haar ouders. Er is aldus geen sprake van een vaststaande bedreiging van de ontwikkeling van [kind] . De vader wijst er verder op dat [kind] er belang bij heeft dat hij strijd voert met de moeder, nu de vader sinds 2012 een ontvoering van [kind] door de moeder probeert te voorkomen. Het paspoort (dat geldig is tot en met 17 juni 2016) van [kind] is zoek en de moeder heeft op de Braziliaanse televisie verklaard dat ze ‘mettertijd wil proberen om [kind] uit Nederland weg te halen.’ Mits de omgang tussen de moeder en [kind] veilig is en ontvoeringsgevaar wordt uitgesloten, zal de vader volledig meewerken aan omgang.

Grief 4

De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat alle andere middelen ter afwending van de (ernstige) bedreiging hebben gefaald of zullen falen en dat een GI binnen een ondertoezichtstelling de problemen kan oplossen en de vermeende bedreiging kan wegnemen. Verder heeft de rechtbank ten onrechte het feit genegeerd dat de GI in strijd wil handelen met de omgangsbeschikkingen, waarmee de GI de strijd creëert en aanwakkert, omdat de GI niet buiten het kader van de afgegeven beschikkingen mag handelen. De omgangsbeschikking is niet uitvoerbaar gebleken, omdat de gezinsvoogd de geldigheid van het Braziliaanse paspoort van de moeder moest vaststellen en het paspoort tijdens de omgang moet innemen. De GI is hiertoe echter niet in staat, zodat er geen sprake is van omgang.

3.5.

De heer [vertegenwoordiger van de stichting] heeft, namens de GI, verklaard dat hij sinds 30 september 2015 als gezinsvoogdijwerker betrokken is bij het gezin van de vader. De GI heeft de vader echter voorafgaand aan de zitting in hoger beroep pas voor het eerst ontmoet, aangezien de vader tot op heden niet is ingegaan op de uitnodigingen van de heer [vertegenwoordiger van de stichting] om tot een afspraak te komen en hij telefonisch onbereikbaar is voor de GI. Verder maakt de vader het de GI onmogelijk om in contact te treden met [kind] , door haar onder meer van school op te halen als de GI voornemens is om [kind] daar te bezoeken en de school te verbieden contacten tussen de GI en [kind] te faciliteren.

De GI heeft twee schriftelijke aanwijzingen gegeven aan de vader, waarvan er één is bekrachtigd door de rechtbank onder oplegging van een dwangsom. Vorenstaande heeft er evenwel niet toe geleid dat de GI in contact is gekomen met de vader noch met [kind] . De enige maatregel die thans nog resteert, is een uithuisplaatsing van [kind] . De GI is van mening dat de gronden hiervoor aanwezig zijn, maar dat dit – na een afweging van alle belangen – teveel impact op [kind] zal hebben en daarom niet in haar belang is.

Nu de ondertoezichtstelling onder de huidige omstandigheden niet uitvoerbaar is gebleken, heeft de GI de rechtbank verzocht om beëindiging van de ondertoezichtstelling. De GI betwist met klem dat de gronden van de ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zouden zijn.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Ten aanzien van het in grief 1 gestelde over de ontvankelijkheid van de GI merkt het hof op dat in het petitum geen verzoek is opgenomen om de GI niet ontvankelijk te verklaren. Voor zover uit de grief zou moeten worden afgeleid dat de vader dat wel heeft willen verzoeken, overweegt het hof dat de door de man weergegeven registraties bij de Kamer van Koophandel de conclusie niet rechtvaardigt dat het verlengingsverzoek door een onbevoegde is ingediend. Wat betreft de vestigingsplaats van de GI is en was duidelijk en moet ook aan de vader duidelijk zijn geweest met wie hij in deze te maken had. Ook hetgeen hij terzake daarvan heeft aangevoerd rechtvaardigt niet zijn conclusie dat de GI niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof acht de GI dan ook ontvankelijk in het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind] .

3.6.2.

Het hof gaat ook voorbij aan de tweede grief van de vader. Dat de vader zoals hij stelt geen kennis heeft kunnen nemen van alle processtukken en hier niet op heeft kunnen reageren leidt in hoger beroep niet tot het door de vader daaraan verbonden gevolg, nu de vader in de procedure in hoger beroep tijdig kennis heeft kunnen nemen van alle stukken en daarop, zoals ook gebleken is uit de inhoud van het beroepschrift, heeft kunnen reageren. Nu, zoals door de GI ter zitting is verklaard en uit de gedingstukken blijkt, het de vader is die de contacten met de GI heeft afgehouden, kan de GI niet worden tegengeworpen dat de vader voorafgaande aan de indiening van het verzoekschrift niet is gehoord. Gesteld noch gebleken is dat de GI in dat kader onvoldoende inspanningen heeft verricht.

3.6.3.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.6.4.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW/Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.6.5.

Het hof stelt voorop dat er sprake is van een zorgelijke situatie ten aanzien van de vierjarige [kind] . Het feitelijk verdwijnen van de moeder uit haar leven, met als gevolg vervreemding van de moeder, houdt in de onderhavige situatie een ernstige ontwikkelingsbedreiging op sociaal-emotioneel gebied voor [kind] in. De houding van de vader hierin is zeer zorgelijk. De vader laat een verbetenheid zien richting de moeder in de wijze waarin hij opereert die, naar het oordeel van het hof, niet in verhouding staat tot hetgeen feitelijk in het verleden is voorgevallen. Ook de wijze waarop de vader meent zijn gedragingen te kunnen rechtvaardigen, waarbij elke redelijkheid lijkt te ontbreken, baren het hof ernstige zorgen. Deze zorgen betreffen zeker niet alleen het ontbreken van contactmogelijkheden van [kind] met haar moeder, maar ook zorgen over de vraag in hoeverre de vader op andere vlakken in staat is in het belang van [kind] te handelen en de ruimte die de vader haar geeft c.q. kan geven een eigen identiteit te kunnen ontwikkelen. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de ondertoezichtstelling van [kind] heeft verlengd.

3.6.6.

Ten aanzien van de actuele situatie overweegt het hof het volgende: de vader heeft geen hulpvraag en stelt allerlei voorwaarden aan de hulpverlening. Daarnaast maakt hij het de GI onmogelijk om in contact te komen met [kind] . De GI heeft ter zitting verklaard, hetgeen door de vader niet is betwist, dat de vader de basisschool heeft verboden om mee te werken aan bezoeken van de GI aan [kind] en dat de vader [kind] ophaalt als de GI onder schooltijd contact met haar probeert te leggen. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de vader tot op heden heeft geweigerd naar behoren mee te werken met de hulpverlening en dat hij [kind] hieraan onttrekt. Het afgeven van twee schriftelijke aanwijzingen, waarvan er één is bekrachtigd door de rechtbank onder oplegging van een dwangsom, heeft niet tot een kentering geleid.

De GI heeft aangegeven dat het onmogelijk is gebleken om aan de wettelijke taak te voldoen om toezicht op [kind] te krijgen en te houden. De enige informatie waarover de GI beschikt is summier en afkomstig van de basisschool, die aangeeft dat het goed gaat met [kind] . [kind] oogt goed verzorgd en wordt altijd op tijd op school gebracht.

Het hof concludeert met de GI dat de ondertoezichtstelling het afgelopen jaar dan ook geen inhoud heeft kunnen krijgen en ineffectief is gebleken. Feitelijk rest daardoor binnen deze ondertoezichtstelling nog als enig middel om alsnog toezicht door de GI op [kind] mogelijk te maken, een uithuisplaatsing. De GI heeft dit overwogen maar heeft ervan afgezien een machtiging daartoe te vragen nu de inschatting is dat uithuisplaatsing voor [kind] schadelijker is dan het in standhouden van de huidige situatie. Het hof is van oordeel dat, nu alle andere middelen die in het kader van de ondertoezichtstelling kunnen worden ingezet hebben gefaald en geen verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing zal worden gevraagd, het middel van ondertoezichtstelling niet langer de geëigende maatregel is om de ontwikkelingsbedreiging bij [kind] weg te nemen.

3.6.7.

Het hof zal de ondertoezichtstelling van [kind] dan ook alsnog afwijzen met ingang van 16 juni 2016, waarmee de ondertoezichtstelling met ingang van die datum eindigt

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor de periode van 17 februari 2016 tot 16 juni 2016;

vernietigt met ingang van 16 juni 2016 de bestreden beschikking;

en, opnieuw rechtdoende:

wijst met ingang van 16 juni 2016 alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ten aanzien van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.D.M. Lamers en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.