Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:241

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
14/00798
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BIZ-heffing. Afbakening BI-zone. Onroerende zaak belanghebbende is gelegen in het buitengebied. De heffingsambtenaar maakt niet aannemelijk dat ook voor het buitengebied activiteiten als bedoeld in de Experimentenwet BIZ zijn voorgenomen. Door in de BI-zone (en daarmee in de heffing) desalniettemin dit buitengebied op te nemen, heeft de gemeente de grenzen van de ruime beoordelingsvrijheid die haar toekomt bij het vaststellen van de BI-zone, overschreden. Verordening onverbindend en aanslag vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/23.25 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/667
Belastingblad 2016/227 met annotatie van A.W. Schep
FutD 2016-0827
NTFR 2016/1287 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00798

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 24 juni 2014, nummer AWB 13/1621 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te vermelden aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag Bedrijveninvesteringszone-bijdrage (hierna: BIZ-bijdrage) opgelegd naar een bedrag van € 750, welke aanslag (hierna: de aanslag), na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 493.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Heffingsambtenaar heeft vervolgens schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op verzoek van het Hof heeft de Heffingsambtenaar vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 5 november 2015 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende de heer [A] , directeur van belanghebbende, vergezeld van de gemachtigde van belanghebbende, mevrouw [B] , verbonden aan [C] te [D] , alsmede de heer [E] , Heffingsambtenaar, vergezeld door [F] , verbonden aan [G] te [H] .

1.7.

Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende exploiteert een Indoorvisrivier te [vestigingsplaats] . De onderneming van belanghebbende is gelegen aan de [a-straat] 1f te [vestigingsplaats] .

2.2.

De gemeenteraad van de gemeente [plaats] heeft, na verzoeken daartoe van ondernemers in de gemeente, op grond van de Experimentenwet bedrijven investering zones (hierna: de Wet BIZ) besloten zijn medewerking te verlenen aan het oprichten van zogenoemde bedrijven investering zones (hierna: BI-zones).

Op 10 oktober 2011 heeft de raad van de gemeente [plaats] de Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone [vestigingsplaats] 2012-2015 (hierna: de Verordening) vastgesteld. In de Verordening is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. BI-zone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het aangewezen gebied staat aangegeven op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart (bijlage 1).

b. de wet: de Experimentenwet BI-zones;

c. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] ;

d. uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente [plaats] en [J] gesloten uitvoeringsovereenkomst van 4 oktober 2011;

e. activiteitenplan: het plan waarin de activiteiten, zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 van de wet, staan vermeld die de stichting namens de ondernemers zal uitvoeren.

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 3 Aard van de belasting

Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

Artikel 4 Belastbaar feit

1. De belasting wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Een concreet overzicht van de aard van bedrijfsvoering van de objecten ter zake waarvan de BIZ-bijdrage geheven zal worden is opgenomen in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende bijlage ‘Belastingobjecten voor de BIZ-bijdrage’. Voor de codering en omschrijving van de objecten in deze bijlage is aansluiting gezocht bij de SBI-codering van de kamer van Koophandel.

2. De belasting wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruiken.

(…)”

2.3.

Van de Verordening maakt deel uit de bijlage ‘Belastingobjecten voor de BIZ-bijdrage’. Aan de onderneming van belanghebbende is code 2 toegekend, wat betekent dat de BIZ-bijdrage voor dit belastingobject wordt berekend naar een tarief van 100%.

2.4.

Op 4 oktober 2011 heeft de gemeente [plaats] met de [J] een uitvoeringsovereenkomst gesloten. In deze uitvoeringsovereenkomst (hierna: de Uitvoeringsovereenkomst) is het volgende vermeld:

“1. Doel van de uitvoeringsovereenkomst

De stichting en de gemeente werken samen met de intentie om te komen tot een economische structuurversterking en het vergroten van de aantrekkelijkheid van het centrum en de directe omgeving van [vestigingsplaats] , ten dienste van haar inwoners en bezoekers. Dit gebied is afgebakend zoals op de kaart (bijlage 1) en in de beschrijving (bijlage 2) bij deze overeenkomst weergegeven.

2. Activiteiten

Om tot een economische structuurversterking en een vergroting van de aantrekkelijkheid van het gebied te komen stelt de stichting jaarlijks een actieplan op waarin activiteiten worden genoemd die gericht zijn op het behalen van de doelstelling en die passen binnen de kaders van de Experimentenwet BI-zones. De wijze waarop het actieplan tot stand komt, wordt goedgekeurd en aan wie (financiële en inhoudelijke) verantwoording wordt afgelegd, staat vermeld in het actieplan in bijlage 4. In bijlage 3 is in een Service Level Agreement (SLA) opgenomen welke activiteiten de gemeente voor haar rekening neemt.”

2.5.

In de als bijlage 2 bij de Uitvoeringsovereenkomst gevoegde “Beschrijving van de gebiedsafbakening voor een BI-zone in centrum en directe omgeving [vestigingsplaats] , gemeente [plaats] ”, is de BI-zone als volgt beschreven:

“Alle bedrijven, gelegen aan beide zijden van onderstaande straten, vallen onder het BIZ-gebied

 [a-straat] vanaf de rotonde met de draak (zuidkant) tot en met de rotonde [b-straat] / [c-straat] (noordkant).

 Straatnaam nog niet bekend (Recreatiepark [K] ).

 [d-straat] tot en met huisnr. 9.

 [e-straat] vanaf de [f-straat] tot aan de [a-straat] .

 [g-straat] incl. pleintje.

 [h-straat] .

 [i-straat] nr. 2 (Zalencentrum [L] )

 [j-straat] nr. 9a (Uitvaartcentrum [M] ).

 [k-straat] tot en met nr. 1 ( [N] ).

 [l-straat] vanaf de [a-straat] tot aan de spoorwegovergang.

 [m-straat] .

en verder alle bedrijven omsloten door en aan beide zijden van:

 De (driehoek) [f-straat] , [e-straat] en [a-straat] .

 De [a-straat] , [m-straat] , [g-straat] , [h-straat] , [i-straat] , [j-straat] en de [k-straat] (denkbeeldig doorgetrokken vanaf de [N] tot aan de spoorwegovergang [l-straat] ).”

2.6.

In het BIZ plan centrum [vestigingsplaats] (hierna: BIZ-plan) van 12 juli 2011, is voor zover van belang, het volgende vermeld:

I. Inleiding

(…). In dit BIZ-plan staat beschreven wat de stichting SZO met de BIZ wil bereiken (de doelstellingen) en hoe de bedrijvenvereniging werkt aan de doelstellingen (de activiteiten en de organisatie)

(…)

3. Hoe komt een BIZ tot stand?

(...)

Ten behoeve van de BIZ-subsidie dient de Stichting BIZ SZO jaarlijks een begroting en een activiteitenplan in voor het centrum van [vestigingsplaats] bij het college van burgemeester en wethouders. (...)

II. Visie, doelstellingen, activiteiten en gebied

(…)

2. Visie

Het initiatief BIZ Centrum [vestigingsplaats] staat voor behoud en verbetering van de kwaliteit van het centrum. Het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit, dan wel eventueel enig ander publiek belang in de openbare ruimte van het BIZ gebied, staan hierbij centraal. De gemeente heeft de afgelopen jaren fors geïnvesteerd om het centrum te herstructureren. De stichting SZO heeft zich ook ten doel gesteld om het centrum van [vestigingsplaats] duidelijker op de kaart van Limburg te zetten. Dit door de aantrekkelijkheid van [vestigingsplaats] nog meer elan te geven met hulp van diverse acties en het organiseren van diverse activiteiten.

Een goed georganiseerd bedrijfsleven is voor het SZO onmisbaar, een actieve bedrijfsvereniging is de basis van succesvol centrummanagement. Daarnaast heeft natuurlijk ook de gemeente een verantwoordelijkheid. Immers, de gemeente draagt zorg voor het publieke gedeelte van het centrum. Denk aan de weg, het riool, de openbare verlichting, openbare orde en veiligheid, het groen, bewegwijzering. Centrummanagement is dan ook geen zaak van ondernemers alleen maar het moet een co-productie tussen de ondernemers en gemeente zijn. Door de aankomende forse bezuinigingen bij de gemeente zullen de ondernemers zelf meer initiatief moeten tonen om te werken aan de kwaliteit van het centrum. De BIZ is een instrument waarbij ieder bedrijf zonder uitzondering een evenredige bijdrage levert aan deze doelstelling.

3. Doelstellingen

Hoofddoelstelling

De BIZ heeft als hoofddoel kwaliteitsbehoud en mogelijk kwaliteitsverbetering van het centrum.

Subdoelstellingen

Om bovengenoemde hoofddoelstelling te bereiken zijn enkele subdoelstellingen geformuleerd:

 het aankleden van het centrum

 verbeteren van de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van het centrum

 het organiseren van diverse activiteiten

 opstellen van een AED netwerk

 verbeteren duurzaamheid

4. Activiteiten

1. Aankleden centrum.

Hierin ziet de stichting een taak om in samenwerking met de gemeente er voor te zorgen dat er meer groen wordt geplaatst. Het aanschaffen van feestverlichting en hanging baskets. Het plaatsten van een mobiel podium op het marktplein.

2. Bereikbaarheid

Duidelijker aangeven waar parkeergelegenheden nog voorhanden zijn en een ontmoedigingsbeleid voeren ten opzichte van het parkeren op het marktplein. Het creëren van voetgangerszones en een beter beleid opstellen voor de bevoorrading van de bedrijven.

3. Organisatie. Voorbeelden.

 nieuwjaarsconcert van de harmonie met aansluitend een markt op het plein

 aankleden markt en straten in het kader van de vastenavond

 lentemarkt in samenwerking met de marktkooplui

 Laatste repetitieavond van de harmonie vóór de vakantie

 Jong talent op de markt in combinatie met een koopzondag

 De internationale rad- und wandertag in combinatie met een kunstmarkt

 De zomermarkt verdeeld over twee dagen

 Cultuur fietsdag met extra activiteit in de winkels

 In de zomermaanden elke dinsdagavond muziekpodium op het marktplein (kiosk)

 De kermis

 Centrummanager, parttime

 Najaarsmarkt cq rommelmarkt voor alle inwoners van [vestigingsplaats]

 Kerstmarkt in samenwerking met de marktkooplui en verenigingen. Zie het nieuwjaarsconcert.

4. Opstellen van een AED netwerk met Defibrillators en getrainde BHV-ers

5. Duurzaamheid

a. Er zal aandacht zijn voor energiebesparingen en mogelijke subsidieregelingen op alle terreinen.

b. Maatschappelijk verantwoord ondernemen door goede samenwerking: gebruik maken van synergie effecten.

(…)”

2.7.

In de actieplannen van de [J] voor de jaren 2012 tot en met 2015 zijn de volgende posten vermeld:

2012

2013

2014

2015

Defibrillators 3 stuks

6.000

-

Armaturen 30 stuks

26.500

-

Podium

15.000

Hanging Baskets

14.200

7.200

11.000

9.000

Kerstbomen en bijbehorende bakken

6.000

Oprichtingskosten

400

Activiteiten

7.950

Diverse publicaties lokaal

500

750

250

Straatkrijtmiddag

500

500

500

Salsa outdoor

500

500

750

Project veiligheid

1.000

Open air battle

500

[plaats] bruist breedte sportdag

750

750

Zeskamp

1.000

Open luchtbioscoop

2.500

Ondernemersprijs

2.500

Reclame- en communicatiekosten

500

500

Representatiekosten

250

250

Presentatiematerialen

1.000

Ondernemersavond

1.000

500

Project schoon trottoir (winter)

2.000

3.000

3.000

Sfeerverlichting

10.000

10.000

3.000

Sinterklaashuis/Kerstman

3.500

2.000

2.000

Kerstkoopzondag

1.000

Sint actie

PM

Overige kosten

300

750

Rad en Wandertag

750

BHV training (nieuw + herhaling)

3.000

Project WIFI

20.000

2.8.

De BI-zone strekt zich enerzijds uit tot het centrum van [vestigingsplaats] en een daaraan grenzend binnen de bebouwde kom oostelijk van het centrum gelegen gebied en anderzijds een zuidwestelijk van het centrum geheel in het buitengebied gelegen gebied (hierna: het buitengebied). De onroerende zaak waarin belanghebbende haar onder 2.1 bedoelde onderneming drijft, is in het buitengebied gelegen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Dient de Verordening onverbindend te worden verklaard omdat de BI-zone als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Verordening, onjuist is afgebakend?

2. Dient de Verordening onverbindend te worden verklaard omdat de activiteiten ter zake waarvan de door de BIZ-bijdrage te bestrijden kosten zijn gemaakt, niet zijn gericht op het bevorderen van een publiek belang?

3. Moet de aanslag worden vernietigd omdat belanghebbende geen direct profijt ontleent aan de activiteiten waarop de BIZ-bijdrage betrekking heeft?

4. Is het gelijkheidsbeginsel geschonden, omdat de gebruiker van de naastgelegen onroerende zaak, waarin een onderneming wordt geëxploiteerd en welke onroerende zaak is gelegen in de BI-zone, niet in de heffing is betrokken danwel omdat de aan de overzijde van de weg gelegen onroerende zaken van ondernemingen, niet in de BI-zone zijn opgenomen?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Partijen hebben hieraan ter zitting het volgende toegevoegd.

Belanghebbende:

De Heffingsambtenaar noemt herhaaldelijk het beginsel dat je niet direct profijt hoeft te hebben van deze belasting. Dat onderschrijf ik, maar de heffing mag niet willekeurig zijn. Tweede punt is de vraag wat zo bijzonder is aan dit bedrijf. In de toekomst zal het buitengebied ontwikkeld worden, dan wijzigt de bestemming en ontstaat publiek belang. Maar vooralsnog was dit de afgelopen 13 jaar niet aan de orde en zal dit de komende jaren ook niet aan de orde komen. Als je kijkt naar de doelgroep van deze belasting, dan gaat het hier om de ondernemers die in het centrum van [vestigingsplaats] gevestigd zijn. Ik verwijs naar het BIZ-actieplan, pagina 3. Uit de visie van de Stichting en de doelstelling volgt dat het alleen gaat om het centrum, om dat zo veilig mogelijk te maken. Het buitengebied heeft daar niets mee van doen. Er vindt in het buitengebied geen enkele activiteit plaats. De gemeente heeft alleen contact opgenomen met belanghebbende met de mededeling dat wanneer zij haar bezwaar zou intrekken, een lichtbron op het terrein zou worden geplaatst. De gebruiker van het tankstation was het ook niet met de heffing eens. Daarom is bij hem een geraniumtoren geplaatst en vervolgens heeft deze ondernemer het daarbij gelaten. Maar belanghebbende is op dat voorstel niet ingegaan, omdat zij niet bereid is € 750 per jaar te betalen voor een lichtje op het parkeerterrein. De kern van het geschil is wat belanghebbende betreft de afbakening van het gebied.

De Heffingsambtenaar heeft bij de stukken ook de begroting 2015 overlegd. Ik weet niet of dit stuk nog meegenomen kan worden.

De Heffingsambtenaar:

Het is een bewuste keuze van de gemeenteraad geweest om het gebied op deze wijze af te bakenen. Daarbij heeft de gemeenteraad in aanmerking genomen de ontwikkelingen die men verwachtte ter zake van de Poort van [vestigingsplaats] . Belanghebbende stelt dat de activiteiten zich beperken tot de kern van [vestigingsplaats] . In de Uitvoeringsovereenkomst is echter vermeld dat het gaat om het vergroten van de aantrekkelijkheid van het centrum en de directe omgeving daarvan. Het gaat om dat gehele gebied en binnen dat gebied zou profijt in algemene zin kunnen ontstaan. Later bleek dat er belanghebbenden zijn die aangaven dat er voor hen geen sprake is van profijt. Vandaar dat de Stichting heeft bezien of zij de belanghebbenden waarvan de onroerende zaak in de periferie is gelegen wat extra’s kan bieden. De gemeente heeft daar geen zicht op, dit soort dingen doet de Stichting. Helaas heeft belanghebbende die extra’s geweigerd.

De in de structuurvisies opgenomen plannen hadden al gerealiseerd moeten zijn, maar daar staat de gemeente verder buiten. Er is een overeenkomst met de ondernemer die het [K] wil ontwikkelen, maar dit is wat opgerekt in de tijd. Heel beperkt is er in de achterliggende jaren wel iets aan gedaan, maar de komende drie jaren wordt dit nog verder ontwikkeld. De gemeente faciliteert dit, door [K] en de andere bedrijven de mogelijkheid te bieden tot ontwikkeling van dat gebied. De Stichting staat hier helemaal buiten. De gemeente heeft met het bestemmingsplan gefaciliteerd dat deze plannen ontwikkeld kunnen worden. Dat in het actieplan geen link wordt gelegd met de voorgenomen plannen voor het buitengebied, heeft te maken met het feit dat die plannen – anders dan verwacht - nog niet gerealiseerd zijn. Maar in het geval er meer zaken gerealiseerd zouden zijn, zou de Stichting daar ook op ingesprongen zijn.

Medio 2011 was alles nog heel pril en in ontwikkeling en nog niet heel duidelijk. De verlichting en hanging baskets en preventie zullen ook in buitengebied worden gerealiseerd. Ook de geraniumtoren wordt daar aangeboden. Het gebied omvat meer dan alleen de kern van [vestigingsplaats] . Destijds zagen we de ontwikkeling van [K] aankomen, dan vinden we dat we deze ondernemer ook moeten opnemen in de BI-zone. Via de [a-straat] rijd je zo [vestigingsplaats] binnen, de gedachte om dit erbij te betrekken is echt niet vreemd. De andere ondernemers binnen het buitengebied voldoen niet aan de eisen. In de eerste jaren is alleen belanghebbende betrokken in de heffing, later is daar een andere ondernemer bijgekomen. Het is niet zo dat er in het buitengebied helemaal niets is geweest, maar het centrum is natuurlijk wel de motor geweest. De upgrading is breder getrokken, dit had inderdaad wat duidelijker in het plan mogen worden benoemd.

Armaturen zijn elementen die aan een lantaarnpaal bevestigd kunnen worden en waarin feestverlichting kan worden aangebracht. Wat wordt bedoeld met diverse activiteiten weet ik niet, maar het betreffen wel activiteiten in het centrum van [vestigingsplaats] .

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Heffingsambtenaar en van de aanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Voorafgaande opmerking

4.1.

Belanghebbende heeft ter zitting de vraag gesteld of de door de Heffingsambtenaar op verzoek van het Hof ingezonden begroting 2015 tot de stukken kan worden gerekend. Voor zover belanghebbende met deze vraag beoogt te stellen dat dit stuk als zijnde tardief buiten beschouwing moet worden gelaten, overweegt het Hof als volgt. De Heffingsambtenaar heeft dit stuk op 23 oktober 2015 en derhalve binnen de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht ingezonden. Belanghebbende heeft echter eerst binnen deze termijn van tien dagen kennis kunnen nemen van het stuk, omdat het pas op 2 november 2015 aan belanghebbende is doorgezonden. Nu belanghebbende niet heeft gesteld dat zij door de late ontvangst van dit stuk niet meer in de gelegenheid is geweest om van de inhoud van het stuk kennis te nemen en het Hof ook anderszins niet is gebleken dat belanghebbende in haar verdediging is geschaad door overlegging van dit stuk, zal het Hof de begroting 2015 tot de gedingstukken rekenen.

Ten aanzien van het geschil

4.2.

Ingevolge artikel 1, lid 2, van de Wet BIZ is de BIZ-bijdrage een belasting die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening is de BI-zone het bij de Verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. In de Wet BIZ zijn ten aanzien van de afbakening van de BI-zone geen nadere regels gegeven. In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BIZ (Kamerstukken II, 2007/2008, 31 430, nr. 6), is vermeld dat ten aanzien van de BI-zone sprake dient te zijn van een logisch afgebakend gebied van een bepaalde omvang, bijvoorbeeld een winkelstraat, centrumgebied of bedrijventerrein en dat het aan de gemeente is om te oordelen of de afbakening van het gebied een logisch en samenhangend geheel vormt.

4.3.

De Heffingsambtenaar heeft gesteld dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de uiteindelijke keuze voor de afbakening van de BI-zone is voorbehouden aan de gemeenteraad. Indien de Heffingsambtenaar hiermee beoogt te stellen dat de rechter in die keuze niet mag treden, verwerpt het Hof dat standpunt (vgl. Hoge Raad 11 december 2015, nr. 14/02510, ECLI:NL:HR:2015:3425, r.o. 2.3.1).

4.4.

Het Hof is van oordeel dat, in aanmerking genomen de hiervoor vermelde passage uit de parlementaire geschiedenis, aan de gemeentelijke wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de vaststelling van de omvang van het gebied waarbinnen de BIZ-bijdrage zal worden geheven. Daarbij dient de keuze van de gemeentelijk wetgever te worden geëerbiedigd tenzij deze bij gebruikmaking van de hem toekomende beoordelingsvrijheid de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden. Daarvan kan naar het oordeel van het Hof sprake zijn indien een BI-zone aanzienlijk groter is dan het gebied waarbinnen activiteiten als bedoeld in artikel 3 van de Verordening zijn voorgenomen. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.5.

Zowel in de visie als in de hoofddoelstelling van het BIZ-plan wordt enkel ten aanzien van het centrum vermeld dat kwaliteitsbehoud en kwaliteitsverbetering worden beoogd. Ook in de subdoelstellingen wordt meermaals concreet verwezen naar het centrum, maar niet naar het buitengebied. In de Uitvoeringsovereenkomst wordt de BI-zone omschreven als het centrum en de directe omgeving en wordt voor de activiteiten verwezen naar de jaarlijkse actieplannen. Uit de omschrijving van de in deze actieplannen opgenomen activiteiten volgt naar het oordeel van het Hof echter niet dat deze betrekking hebben op activiteiten in het buitengebied. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat uit het BIZ-plan, de Uitvoeringsovereenkomst en de actieplannen niet blijkt van het voornemen tot het realiseren van activiteiten in het buitengebied, maar dat de voorgenomen activiteiten uitsluitend betrekking hebben op het centrum van [vestigingsplaats] .

4.6.

De Heffingsambtenaar heeft voorts ter zitting desgevraagd verklaard niet te kunnen bevestigen dat (een deel van) deze activiteiten, met uitzondering van de plaatsing in de periode 2012 tot en met 2015 van een geraniumtoren bij een tankstation en het aanbieden van een geraniumtoren en led-verlichting aan belanghebbende, ook in het buitengebied waren voorgenomen. De activiteiten in de vorm van de plaatsing van een geraniumtoren respectievelijk het aanbieden van led-verlichting, bij, zoals de Heffingsambtenaar ter zitting heeft verklaard, in eerste instantie één in het buitengebied gevestigde ondernemer (belanghebbende) en in latere jaren twee in het buitengebied gevestigde ondernemers, zijn zodanig beperkt van omvang en incidenteel van aard dat deze onvoldoende grond vormen voor de door de Heffingsambtenaar aangedragen stelling dat de in de actieplannen vermelde activiteiten tevens structureel betrekking hebben op het in het buitengebied gelegen deel van de BI-zone.

4.7.

De Heffingsambtenaar heeft voorts aangevoerd dat de BI-zone zich terecht ook uitstrekt tot het buitengebied, omdat uit de structuurvisie Poort van [vestigingsplaats] uit 2003 en de Structuurvisie [plaats] van 5 juli 2011 blijkt van een voornemen tot het ontwikkelen van het buitengebied, aan welk voornemen tot op heden echter nog geen uitvoering is gegeven. Het Hof stelt vast dat het voornemen tot uitvoering van de in deze structuurvisies neergelegde plannen niet is neergelegd in het BIZ-plan noch in de Uitvoeringsovereenkomst of de voor de jaren 2012 tot en met 2015 opgestelde actieplannen, zodat - nog daargelaten of de in de structuurvisies neergelegde voorgenomen planologische ontwikkelingen behoren tot activiteiten waarop de onderhavige heffing betrekking kan hebben - deze activiteiten geen activiteiten betreffen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 2, van de Verordening in verbinding met artikel 1, lid 2 van de Wet BIZ.

4.8.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het Hof dat de activiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de Wet BIZ geen betrekking hebben op het buitengebied. Door dit gebied desalniettemin te betrekken in de BI-zone heeft de gemeentelijke wetgever de hem bij het vaststellen van de Verordening toekomende beoordelingsvrijheid overschreden. De Verordening moet gelet hierop onverbindend worden verklaard. De overige grieven van belanghebbende behoeven gelet op het voorgaande geen behandeling meer.

4.9.

Gelet op het voorgaande moet de aanslag worden vernietigd, zodat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Heffingsambtenaar en de aanslag dienen te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 318 respectievelijk € 493 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992.

4.14.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in verband met de behandeling van het hoger beroep, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2,5 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.240.

4.15.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt. De in totaal voor vergoeding in aanmerking komende kosten bedragen gelet op het voorgaande € 2.232.

5 Beslissing

Het Hof

 verklaart het hoger beroep gegrond

 vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

 vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar,

 vernietigt de aanslag,

 gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 811 vergoedt, en

 veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.232.

Aldus gedaan op 28 januari 2016 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.C. van der Vegt en J.A. Meijer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.