Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2407

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
200.185.069/01 en 200.185.069/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

contactregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 juni 2016

Zaaknummers: 200.185.069/01 en 200.185.069/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/244561/FA RK 12-1329_4

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.W.M. Steenbakkers,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 februari 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat er geen voorlopige contactregeling wordt vastgesteld tussen de nader te noemen minderjarige [minderjarige] en de vader, althans subsidiair de beslissing hieromtrent wordt aangehouden en de raad opdracht te geven tot nader onderzoek naar de mogelijkheden en belemmeringen zijdens [minderjarige] , waarbij de raad tevens kan adviseren omtrent begeleiding en frequentie van een eventueel contact.

Tevens is door de moeder een schorsing verzocht van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking.

Ter zitting in hoger beroep is het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring door de advocaat van de moeder ingetrokken, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen per faxbericht op 1 april 2016, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Steenbakkers;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Wijk;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 25 april 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 oktober 2015, ingekomen bij faxbericht van de advocaat van de vrouw d.d. 2 mei 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 5 november 2009 met elkaar gehuwd.

Uit de relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 21 januari 2011 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is 9 mei 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang en ten aanzien van de omgang tussen de vader en [minderjarige] , het door partijen opgemaakte ouderschapsplan opgenomen, waarin een voorlopige contactregeling is opgenomen waarbij de vader en [minderjarige] iedere dinsdagmiddag van 14:00 uur tot 17:00 uur omgang met elkaar hebben onder begeleiding van Lunet Zorg.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank

een voorlopige contactregeling vastgesteld waarbij is bepaald dat de vader iedere week een kaart dient te sturen naar [minderjarige] en de moeder iedere week een tekening van [minderjarige] naar de vader dient te sturen. Voorts dat twee maanden na de opname van de vader in de behandelinstelling de vader gerechtigd is tot contact met [minderjarige] eenmaal per 4 weken gedurende 45 minuten onder begeleiding van een medewerker van de instelling. De zaak is voor de verdere behandeling Pro Forma aangehouden tot 2 juni 2016.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, kort samengevat het volgende aan. De moeder is van mening dat het aanvankelijke raadsadvies om voorlopig slechts schriftelijk contact tussen de vader en [minderjarige] te laten plaatsvinden, gevolgd had moeten worden door de rechtbank. De moeder acht het van belang dat eerst het effect van de behandeling van de vader wordt afgewacht en dat vervolgens een zorgvuldige opstart van een contactregeling eventueel mogelijk is. Volgens de moeder kan er niet per definitie vanuit worden gegaan dat de vader na twee maanden opname gereed is voor een bezoekregeling met [minderjarige] . [minderjarige] is een sociaal-emotioneel kwetsbaar meisje en voorzichtigheid is dan ook geboden.

Verder wenst de moeder een nader raadsonderzoek naar de gevolgen voor [minderjarige] van het opstarten van persoonlijk contact tussen haar en de vader, waarbij anders dan de vorige keer nu ook met [minderjarige] zelf gesproken wordt.

Ter zitting heeft de moeder verklaard dat [minderjarige] thans bijzonder onderwijs volgt en structuur en voorspelbaarheid nodig heeft. Het zou bij [minderjarige] onrust veroorzaken als pas de avond voorafgaand aan het geplande contactmoment gebeld wordt vanuit de kliniek met de informatie of de toestand van de vader het contact de volgende dag mogelijk maakt.

De moeder heeft desgevraagd nog verklaard dat het voor haar geen optie is om eens in de zoveel weken met [minderjarige] naar [plaats 1] te gaan om de vader te bezoeken, nu zij hier te druk voor is als alleenstaande en studerende moeder.

3.6.

De vader voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan. De vader is het met de moeder eens dat [minderjarige] behoefte heeft aan routine en voorspelbaarheid. Derhalve is het goed om op regelmatige basis, ook al is het op een minimaal niveau, contact te laten plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader. De vader stelt dat namens hem herhaaldelijk aan de moeder is aangeboden om haar contact te laten opnemen met zijn begeleider omtrent het verloop van zijn behandeling, echter de moeder gaat hier niet op in en onderneemt geen enkel initiatief. Ook staat de vader ervoor open dat de moeder, conform suggestie van de raad tijdens de zitting in eerste aanleg, voorafgaand aan het bezoek contact opneemt met zijn begeleider om te bezien hoe de situatie van de vader op dat moment is. Inmiddels is vanaf oktober 2015 sprake van een klinische opname. De vader betreurt het dat de moeder na de bestreden beschikking ook tot aan de zitting nog geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht tot schriftelijk contact tussen hem en [minderjarige] .

Ter zitting heeft de vader verklaard dat het momenteel goed met hem gaat. De MCT- therapie is afgerond, ook de agressie heeft de vader leren reguleren en thans start hij met de EMDR. De vader zal worden overgeplaatst naar [plaats 1] vanuit [plaats 2] , nu er veel drugs binnen komen bij de Woenselse Poort, waar hij niet mee geconfronteerd wil worden.

3.7.

De raad heeft ter zitting verklaard dat er wellicht in eerste aanleg te weinig handen en voeten zijn gegeven aan de beslissing tot een voorlopige contactregeling. Er is aan de ouders huiswerk meegegeven in de vorm van gestructureerde opdrachten, maar kennelijk zijn de ouders niet in staat om hier gehoor aan te geven. Er zijn nog veel vragen omtrent de begeleiding van de omgangscontacten in de kliniek. In ieder geval is het van belang dat de vader informatie verschaft over de voortgang van zijn behandeling. Het feit dat de vader thans naar [plaats 1] wordt overgeplaatst, vormt een extra hobbel vanwege de afstand. [minderjarige] is van school veranderd en het is van belang dat er niet teveel ineens wordt gewijzigd in haar leven. De raad acht een nader raadsonderzoek naar de huidige draagkracht van [minderjarige] een optie. Er zijn thans nog teveel vragen te beantwoorden alvorens tot persoonlijk contact kan worden gekomen.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof met de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en weging overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat het in beginsel in het belang van [minderjarige] is dat zij een goed en regelmatig contact onderhoudt met de vader. Hoewel begrip kan worden opgebracht voor de gevoelens van wantrouwen van de moeder gelet op het verleden van de vader en zijn persoonlijke problematiek, mede in relatie tot de kwetsbaarheid van [minderjarige] , is het hof van oordeel dat de rechtbank een zorgvuldige afweging heeft gemaakt bij de beslissing tot het treffen van een voorlopige gefaseerd opgebouwde contactregeling. Het hof betreurt het dan ook dat de moeder tot dusverre geen gevolg heeft gegeven aan de door de rechtbank bepaalde voorlopige omgangsregeling. De rechtbank heeft de verdere behandeling in afwachting van voornoemd traject pro forma aangehouden tot 2 juni 2016. De voortzetting van de behandeling in eerste aanleg staat derhalve reeds gepland voor een datum voorafgaand aan onderhavige beschikking. Het hof ziet geen aanleiding anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan, noch om in deze fase van de procedure een raadsonderzoek te gelasten. Bij de rechtbank kan de eventuele wenselijkheid van een nader raadsonderzoek verder aan de orde komen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

In de zaken met nummers: 200.185.069/01 en 200.185.069/02

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2015;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.A.R.M. van Leuven en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2016.