Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2402

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
200 187 198_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2401
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 juni 2016

Zaaknummer : 200.187.198/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/306345 / JE RK 15-1998

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.G. Matze,

tegen

Stichting Intervence,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] (hierna te noemen: de vader),

advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 8 december 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 maart 2016, heeft de moeder, zoals verduidelijkt ter zitting van het hof, verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de machtiging tot verlenging van de uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen [minderjarige 1] betreft.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op [geboortedatum] 2016, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Het hof heeft deze zaak om doelmatigheidsredenen gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer 200.185.309/01. In beide zaken zal afzonderlijk worden beslist.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Matze;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting] ;

- de vader, bijgestaan door mr. Schijvenaars.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] uitgenodigd haar mening kenbaar te maken. Bij bericht van 29 maart 2016 heeft de pleegmoeder van [minderjarige 1] het hof - zakelijk weergegeven - laten weten dat [minderjarige 1] niet in staat is zich ter zake een mening te vormen. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, op grond waarvan - zoals hierna onder 3.9.4. weergegeven - is gebleken dat het verblijf van [minderjarige 1] in het pleeggezin op zichzelf beschouwd door de moeder niet wordt betwist, heeft het hof, gezien met name ook de beperkte mogelijkheden en geringe belastbaarheid van [minderjarige 1] , in het belang van [minderjarige 1] met instemming van alle belanghebbenden er van afgezien [minderjarige 1] ter zake te horen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 december 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 8 april 2016;

  • -

    de brief met bijlage van de GI d.d. 2 mei 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ) geboren.

3.2.

[minderjarige 1] staat sinds 19 december 2013 onder toezicht van de GI.

3.3.

[minderjarige 1] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 28 april 2015 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 19 december 2016 alsmede de aan de GI verleende machtiging om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs verlengd met ingang van 19 december 2015 tot uiterlijk 19 december 2016.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ter zitting heeft zij haar grief inhoudende dat [minderjarige 1] ten onrechte niet is gehoord, ingetrokken, evenals haar in het beroepschrift geformuleerde verzoek om [minderjarige 2] onder toezicht te stellen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan.

[minderjarige 1] is in verband met haar schoolgang naar Kentalis in een gastgezin, thans het pleeggezin, geplaatst, maar uit niets is gebleken dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. In het verleden heeft de moeder bewezen dat zij heel goed in staat om de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige 1] zelf op zich te nemen. Bij de moeder thuis voelt [minderjarige 1] zich veilig en is zij niet gespannen.

De toon van de gezinsrapportage van Intervence is onjuist. Het rapport suggereert dat er tussen de ouders geen communicatie mogelijk is en dat [minderjarige 1] daaronder lijdt en tussen de kampen in staat. De werkelijkheid is veel gecompliceerder. (Pas) na een cursus ‘huiselijk geweld’ en contact met Stichting Zijweg heeft de moeder zich gerealiseerd dat zij en de kinderen jarenlang hebben verkeerd in een situatie van huiselijk geweld en machtsvertoon van de vader. De moeder is doodsbang voor de vader, die naar buiten toe mooi weer speelt.

Daarnaast staan er een aantal feitelijke onjuistheden in het rapport. Zo zijn de aanbevelingen van Auris de Kring in het belang van [minderjarige 1] niet opgevolgd omdat de vader dat tegenhield en zijn niet de ouders maar is de vader overbeschermend ten opzichte van [minderjarige 1] . Intervence lijkt alles wat de moeder doet in een negatief daglicht te zetten. De moeder probeert op rustige wijze met de vader te communiceren. Zij spreekt niet slecht over de vader tegen [minderjarige 1] .

In aanvulling op het vorenstaande voert de moeder ter zitting aan dat er weliswaar sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] , maar dat deze niet door de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewend, nu [minderjarige 1] ten tijde van de (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing reeds in het gastgezin woonde en het niet de verlening van de machtiging uithuisplaatsing is die tot plaatsing van [minderjarige 1] in het gezin heeft geleid, noch tot wijziging in de situatie zoals die voorheen gold, waarbij [minderjarige 1] door de week in het (pleeg-)gezin verblijft. Voorts voert de moeder aan dat zij graag zou zien dat [minderjarige 1] wordt aangemeld bij de woongroep van Kentalis, waar zij zich beter dan in het pleeggezin verder kan ontwikkelen.

3.7.

De GI voert ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

[minderjarige 1] zit op haar plek in het pleeggezin, dat oorspronkelijk door de moeder is gekozen. [minderjarige 1] functioneert op een laag niveau, ook sociaal-emotioneel. Zij is daarom meer op haar plaats in een gezin dan in een groep.

3.8.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - aan dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Voor [minderjarige 1] is een veilige en rustige situatie, waarbij zoveel mogelijk eenduidigheid in aanpak is, van groot belang. Zij dient in het huidige pleeggezin te blijven, zodat zij zich vanuit een rustige en stabiele situatie verder kan ontwikkelen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.9.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.9.3.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen beoordeling en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. Het hof voegt hier het volgende aan toe.

Ter zitting is gebleken dat de moeder erkent dat [minderjarige 1] in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat het voor haar ontwikkeling noodzakelijk is dat zij de school bij Kentalis volgt. De moeder zelf heeft [minderjarige 1] ook bij Kentalis aangemeld en in verband daarmee het gastgezin, thans pleeggezin, voor [minderjarige 1] uitgekozen. Dagelijks naar en van school reizen is, gezien de geografische afstand tussen de woonplaats van de moeder en de school van Kentalis, voor [minderjarige 1] geen optie, zo erkent de moeder ook. Nu de schoolgang van [minderjarige 1] naar Kentalis thans niet ter discussie staat en de woonplaats van de moeder niet is gewijzigd, volgt hieruit dat [minderjarige 1] grotendeels niet bij de moeder kan wonen. Uit het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de moeder een wijziging van de verblijfsituatie van [minderjarige 1] thans ook niet voorstaat. Tegen de achtergrond van de geldende, niet betwiste, ondertoezichtstelling betekent dit dat voor het verblijf van [minderjarige 1] in het pleeggezin een (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] reeds daarom noodzakelijk is. Het hof verwijst daarbij naar artikel 1:265a BW, waarin is bepaald dat indien sprake is van een ondertoezichtstelling plaatsing van een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing geschiedt.

Voor zover de moeder heeft gesteld dat een (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing niet is aangewezen, nu [minderjarige 1] reeds vrijwillig door de moeder in het gastgezin, thans pleeggezin, was geplaatst en er dus van een plaatsing in het kader van een machtiging uithuisplaatsing geen sprake meer kan zijn, overweegt het hof dat de moeder aldus een te beperkte betekenis toekent aan het begrip ‘uithuisplaatsing’ in de zin van artikel 1:265b. Dat [minderjarige 1] feitelijk al verbleef in het pleeggezin maakt niet dat het onderhavige verblijf van [minderjarige 1] in het pleeggezin niet meer kan worden aangemerkt als een uithuisplaatsing in de zin van dat artikel.

De moeder stelt nog dat door de wijziging van de gastgezinplaatsing in een pleeggezinplaatsing haar mogelijkheden om beslissingen te nemen voor [minderjarige 1] , zoals ten aanzien van haar voornemen om [minderjarige 1] bij de woongroep van Kentalis aan te melden, worden doorkruist. Het hof overweegt ten aanzien daarvan dat de moeder lijkt te miskennen dat haar ouderlijk gezag met name wordt beperkt door het medegezag van de vader en de ondertoezichtstelling.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 8 december 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.D.M. Lamers en

E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.