Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2400

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
200 189 460_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tussentijdse beëindiging wsnp op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw; stelselmatig niet voldaan aan informatieplicht

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 juni 2016

Zaaknummer : 200.189.460/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/04/12/137 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Maastricht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 april 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 april 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen, waarbij het hof - wegens het verstrijken van de termijn van de schuldsaneringsregeling - alsnog de schuldsaneringsregeling beëindigt, met verlening van de schone lei.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juni 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. M. Graus, waarnemend voor mr. Augustin;

- [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 31 maart 2016;

- het indieningsformulier met bijlage van de advocaat van [appellant] d.d. 11 mei 2016;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 27 mei 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 17 april 2012 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

Bij vonnis van 8 april 2015 is bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet en is de termijn gewijzigd en vastgesteld op vier jaar, derhalve tot maximaal 17 april 2016.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank - naar het hof begrijpt - op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd, omdat [appellant] niet aan de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling heeft voldaan en omdat de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Door dit doen of nalaten is volgens de rechtbank de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmerd danwel gefrustreerd. Deze tekortkomingen kunnen [appellant] volgens de rechtbank worden aangerekend en zijn van dien aard dat een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder de zogenaamde schone lei gerechtvaardigd is.

De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt - onder meer - gemotiveerd.

Ondanks een verhoor bij de rechter-commissaris op 4 september 2014, waarbij [appellant] (opnieuw) gewezen is op zijn verplichtingen en de vereiste nakoming daarvan, is de rechtbank gebleken dat kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling, zoals de informatie- en sollicitatieplicht, niet althans onvoldoende zijn nagekomen. Op 2 april 2015 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in verband in verband met het verzoek van de bewindvoerder tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. Naar aanleiding van deze behandeling heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] de verplichtingen wederom onvoldoende is nagekomen en is hem nadrukkelijk -hof: bij vonnis van 8 april 2015- een kans gegund om aan te tonen dat hij zich wel aan zijn verplichtingen zal kunnen houden, waaronder het maandelijks aanleveren van alle relevante informatie die met arbeid, inkomen, uitgaven en vermogen te maken hebben. [appellant] is wederom de inlichtingenplicht die voortvloeit uit artikel 327 juncto 105 Fw niet (in voldoende mate) nagekomen.

Voorts oordeelt de rechtbank dat [appellant] vanaf juli 2015 geen enkel bewijs van sollicitaties heeft overgelegd aan de bewindvoerder. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat [appellant] in voldoende mate heeft gesolliciteerd. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat [appellant] (volledig) arbeidsongeschikt moet worden geacht, nu de rechtbank niet is gebleken dat hij de bewindvoerder van medische informatie heeft voorzien waaruit die arbeidsongeschiktheid kan worden afgeleid. Ook overige informatie die met inkomen, uitgaven en vermogen te maken hebben, is wederom niet aangeleverd door [appellant] .

Op 22 en 24 maart 2015 (het hof begrijpt op grond van de inhoud van het dossier dat bedoeld is: 2016) hebben zowel [appellant] als zijn advocaat alsnog schriftelijke stukken ingediend bij de bewindvoerder. Dit doet echter niet af aan het oordeel van de rechtbank dat [appellant] voorafgaand aan deze indiening gedurende een periode van zes maanden niet aan zijn informatieverplichtingen heeft voldaan. Aldus de rechtbank.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Uit de bijlagen bij brieven van 24 en 25 maart 2016 (producties 3 en 4 procesdossier eerste aanleg) blijkt dat [appellant] wel aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan. Hij heeft bij die brieven de door hem verzonden sollicitaties overgelegd alsmede de aanwezige afwijzingen van de werkgevers. Het niet tijdig versturen van de sollicitaties acht [appellant] niet voldoende ernstig om daarom de schuldsaneringsregeling te beëindigen. [appellant] heeft gedurende de gehele schuldsanering gewerkt dan wel gesolliciteerd en daarmee altijd getracht een zo hoog mogelijke boedelafdracht te garanderen. De schuldeisers zijn nimmer benadeeld.

In september 2015 heeft [appellant] de bewindvoerder geïnformeerd dat hij betaald werk had gevonden. Omdat hij van zijn toenmalige (Duitse) werkgever pas na 28 januari 2016 het arbeidscontract en de loonspecificaties heeft ontvangen (en hij toen dus ook pas met terugwerkende kracht werd uitbetaald), was [appellant] pas na 28 januari 2016 in de gelegenheid om deze bescheiden te overleggen. Dit heeft [appellant] bij brief van 22 maart 2016 (productie 2 procesdossier eerste aanleg) alsnog gedaan. [appellant] heeft in de tussenliggende periode (september 2015 - 22 maart 2016) de bewindvoerder niet meer geïnformeerd, omdat hij bang was dat de bewindvoerder hem dan zou dwingen de - op dat moment nog onbetaalde - werkzaamheden te staken. [appellant] zag zich geconfronteerd met de afweging van doorwerken (en daarnaast solliciteren) met de hoop nog betaald te worden dan wel de werkzaamheden te staken en daarbij het risico te lopen dat hij voor de reeds verrichte werkzaamheden geen loon meer zou ontvangen. Hij heeft ervoor gekozen door te werken, hetgeen heeft geresulteerd in een salarisuitkering in januari 2016, februari 2016 en maart 2016. Door deze keuze is het saldo op de boedelrekening substantieel verhoogd en heeft hij geen nieuwe schulden laten ontstaan. [appellant] stelt te hebben gehandeld als een goed schuldenaar betaamt. [appellant] voert aan dat zelfs wanneer wordt geoordeeld dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden, deze schending hem niet valt toe te rekenen.

Voorts betoogt hij dat dit een gedraging betreft die niet is te kwalificeren als een handeling die een duidelijke aanwijzing vormt dat de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.

3.5.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 27 mei 2016 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Op 17 april 2012 is [appellant] toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Omdat de regeling niet naar behoren verliep is er op 4 september 2014 een verhoor gehouden, waarbij [appellant] nogmaals is gewezen op zijn verplichtingen en het niet nakomen hiervan. Op 20 maart 2015 heeft de bewindvoerder een verzoek tot verlenging van de looptijd van de regeling ingediend, om [appellant] nog één kans te geven te laten zien dat hij wel in staat was zijn verplichtingen na te komen. Bij vonnis van 8 april 2015 is de looptijd van de regeling met de duur van één jaar verlengd. In dat vonnis is expliciet opgenomen “dat de schuldenaar zich tijdens de resterende periode stipt dient te houden aan de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling. Indien blijkt dat de schuldenaar dat niet doet, dan lijkt een beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder de zogenaamde schone lei onafwendbaar.” Op 28 mei 2015 heeft de bewindvoerder aan [appellant] nogmaals verwoord wat er van hem wordt verwacht. Op 29 december 2015 heeft de bewindvoerder de rechtbank verzocht de (verlengde) regeling te beëindigen, omdat [appellant] weer niet voldeed aan zijn verplichtingen.

De bij brieven van 24 en 25 maart 2016 alsnog overgelegde bewijstukken van de sollicitaties had [appellant] al eerder, iedere maand, moeten overleggen.

Door alle benodigde informatie en bewijsstukken veel te laat aan te leveren heeft [appellant] zijn laatste kans niet gebruikt. [appellant] had de verplichting om de bewindvoerder elke maand te informeren en dat heeft hij niet gedaan.

Tot januari 2016 heeft [appellant] geen inkomen ontvangen en het inkomen dat hij daarna heeft ontvangen was zo laag dat er slechts een minimale boedelafdracht kon plaatsvinden. Er is dus geen sprake van de door [appellant] gestelde substantiële verhoging van de boedelrekening. Daarbij is het de bewindvoerder nog steeds onduidelijk hoe en in hoeverre [appellant] diverse kosten (telefoon- en reiskosten) voor zijn werkgever heeft kunnen voorschieten.

[appellant] heeft voortdurend te laat, onvolledig of géén informatie verstrekt en uit niets blijkt dat de schuldeisers ook maar enig voordeel hebben (gehad) door zijn handelwijze. [appellant] heeft willens en wetens de uitvoering van de regeling belemmerd en gefrustreerd. Omdat hij gedurende de hele looptijd op zijn tekortkomingen is gewezen, zijn deze tekortkomingen hem aan te merken.

3.6.

[appellant] heeft ter zitting in hoger beroep nog verklaard dat zijn werkgever hem inmiddels een telefoon en auto ter beschikking heeft gesteld, waardoor hij de onkosten niet meer hoeft voor te schieten. Zijn contract is verlengd tot 28 februari 2017. Ondanks dat hij eind januari 2016 zijn salaris(specificaties) heeft ontvangen, heeft hij pas eind maart 2016 de bewindvoerder geïnformeerd omdat hij in de veronderstelling was dat in de tussentijd alle communicatie met de bewindvoerder via zijn advocaat zou gaan.

3.7.

De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep nog verklaard dat [appellant] mogelijk ten onrechte (teveel) zorgtoeslag ontvangt en wellicht een deel zal moeten terugbetalen. Zij handhaaft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellant] - in het licht van de overige omstandigheden van het geval - sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.8.2.

Het hof heeft geconstateerd dat [appellant] - ondanks de verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, de herhaalde waarschuwingen en de diverse kansen die hij heeft gehad - voortdurend te laat, onvolledig of géén informatie heeft aangeleverd. Zo heeft hij nagelaten de bewindvoerder erover te informeren dat hij voor de door hem gemelde betaalde baan gedurende maanden vooralsnog niet betaald kreeg. De door hem aangegeven moverende reden hiervoor doet aan het verzwijgen niet af. Zelfs nadat [appellant] op 28 januari 2016 zijn loon en inkomensspecificaties van zijn werkgever heeft ontvangen, heeft hij nog tot 22 maart 2016 gewacht met het informeren van de bewindvoerder. Dat zijn advocaat in de tussentijd ook geen informatie aan de bewindvoerder heeft verschaft, komt voor zijn risico. [appellant] had voorts de bewindvoerder iedere maand bewijstukken van zijn sollicitaties moeten overleggen en dat heeft hij ook nagelaten. Met de brieven met bijlagen van maart 2016 is dit niet rechtgezet. [appellant] is de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht niet naar behoren nagekomen en heeft daardoor de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmerd en gefrustreerd. Nu [appellant] gedurende de hele (verlengde) looptijd op zijn verplichtingen en zijn tekortkomingen hierin is gewezen, en hij ondanks alle waarschuwingen in zijn handelen in strijd met de verplichtingen op grond van de schuldsaneringsregeling heeft volhard, zijn deze tekortkomingen hem aan te rekenen en van zodanige aard dat in dit geval de beëindiging zonder schone lei gerechtvaardigd is.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] terecht tussentijds heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en L.Th.L.G. Pellis en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.