Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2399

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
200 186 345_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv e.v.: geen sprake van doorbreking van het appelverbod

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/152
PS-Updates.nl 2016-0160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 juni 2016

Zaaknummer : 200.186.345/01

Zaaknummer eerste aanleg : 4576207/15-8901

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M.R. Minekus te Middelburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, zittingsplaats Middelburg, van 19 november 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 februari 2016, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] aansprakelijk te oordelen en hem te veroordelen tot vergoeding van de schade, zowel materieel als immaterieel, die voor [appellant] is voortgevloeid dan wel zal voortvloeien uit het op of omstreeks 5 maart 2014 bekomen letsel en [geïntimeerde] te veroordelen tot voldoening van een voorschot op de [appellant] toekomende schadevergoeding van € 2.500,-- alsmede [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg met inbegrip van de advocaatkosten te begroten op een som van € 846,52, te vermeerderen met het griffierecht, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, met inbegrip van de advocaatkosten te begroten op een som van € 3.386,06, te vermeerderen met het griffierecht.

2.2.

[geïntimeerde] heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] ;

  • -

    mr. Minekus, advocaat van [appellant] .

[geïntimeerde] is door het hof in de Staatscourant van 14 maart 2016 (Stcrt. 2016-13554) opgeroepen ter zitting van dit hof te verschijnen, onder gelijktijdige aanzegging van een verweertermijn. [geïntimeerde] is niet ter zitting verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg in zijn inleidend verzoekschrift ex artikel 1019w Rv -onder meer- het volgende gesteld.

Op 5 maart 2014 heeft [geïntimeerde] zich -zonder toestemming- de toegang verschaft tot de (huur)woning van [appellant] en heeft [geïntimeerde] [appellant] geslagen met letsel tot gevolg (algemeen aangezichtsletsel, gebitsschade en een verbrijzelde neus).

[appellant] heeft tegen [geïntimeerde] aangifte gedaan. De politie heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld en het dossier na afronding overgedragen aan het Openbaar Ministerie (hierna: het OM). Het OM heeft strafrechtelijke vervolging ingesteld. De rechtbank heeft de behandeling van de strafrechtelijke zaak geschorst, onder andere voor nader forensisch onderzoek van de honkbalknuppel die [geïntimeerde] heeft gebruikt. Deze procedure is sinds 23 juni 2014 geschorst.

Het handelen van [geïntimeerde] constitueert een jegens [appellant] gepleegde onrechtmatige daad, nu [appellant] hierdoor schade heeft geleden en zal lijden.

Bij brief van 12 mei 2014 heeft [appellant] [geïntimeerde] civielrechtelijk aansprakelijk doen stellen. Namens [geïntimeerde] is de (civielrechtelijke) aansprakelijkheid betwist. [appellant] heeft als gevolg van het letsel dat in causaal verband staat met het onrechtmatig handelen, schade geleden, in het bijzonder bestaande uit de kosten voor medische behandelingen, verwezenlijkt eigen risico op zijn zorgpolis en schade in immateriële zin. [appellant] vordert in de deelgeschilprocedure [geïntimeerde] aansprakelijk te oordelen en hem te veroordelen tot betaling van een voorschot op de hem toekomende schadevergoeding van € 2.500,--. Daarnaast vordert [appellant] op grond van het bepaalde in artikel 1019aa lid 1 Rv vergoeding van de kosten van de procedure.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken jegens [geïntimeerde] en daarnaast het verzoek ex artikel 1019aa lid 1 Rv afgewezen.

De kantonrechter heeft daartoe -onder meer- overwogen van oordeel te zijn dat de zaak zich

- vooralsnog - niet leent voor een deelgeschil omdat door [appellant] op geen enkele wijze is gesteld en onderbouwd hoe het door hem verzochte kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. [appellant] heeft slechts gesteld dat [geïntimeerde] de aansprakelijkheid heeft betwist, maar heeft daarvan geen enkel bewijs in het geding gebracht. Ook heeft [appellant] op geen enkele wijze aangegeven op welke wijze er tussen partijen is onderhandeld dan wel op welke wijze [appellant] de onderhandelingen op gang heeft willen brengen. Het verzoek voldoet volgens de kantonrechter dan ook niet aan de vereisten als opgenomen in artikel 1019x lid 3 sub c Rv. De enige vermelding dat [geïntimeerde] de aansprakelijkheid heeft betwist is bepaald onvoldoende. Er is dus niet gebleken van gestokte onderhandelingen tussen partijen (over de aansprakelijkheid, noch over enig ander aspect relevant voor vaststelling van de schade) welke door een rechterlijke beslissing omtrent het deelgeschil weer op gang kunnen worden getrokken, zoals de wet vereist. De kantonrechter concludeert dat [appellant] niet in zijn verzoek kan worden ontvangen. Gelet hierop en op de omstandigheid dat naar het oordeel van de kantonrechter de deelgeschilprocedure onterecht en onnodig is aangevangen, kan aan de vaststelling van de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv niet worden toegekomen. Dat verzoek wijst de kantonrechter voorts af.

3.3.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift alsmede ter zitting in hoger beroep het volgende aangevoerd.

Ondanks dat er tegen de beschikking op het verzoek in de deelgeschilprocedure op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open staat, staat in de onderhavige zaak een hogere voorziening wél open omdat de kantonrechter de deelgeschilprocedure ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. [appellant] verwijst -onder meer- naar het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:943), waaruit blijkt dat de in de rechtspraak ontwikkelde algemene doorbrekingsgronden ook in een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv gelden.

Volgens [appellant] heeft de kantonrechter de doelstelling en het toepassingsbereik van de deelgeschilprocedure miskend. Vooropgesteld zij dat in een deelgeschilprocedure de vraag naar de aansprakelijkheid aan de orde kan worden gesteld. Indien de aansprakelijkheid, zoals in de onderhavige zaak, wordt betwist levert een beslissing over de aansprakelijkheid een belangrijke bijdrage aan de mogelijkheid van de totstandkoming van een regeling in der minne. Zonder beslissing over de aansprakelijkheid blijven partijen immers lijnrecht tegenover elkaar staan. Er is (1) sprake van letselschade, (2) [appellant] houdt [geïntimeerde] aansprakelijk voor deze schade en (3) het verzoek ziet op een deel van het geschil dat partijen verdeeld houdt, te weten de aansprakelijkheidsvraag. Het (inleidende) verzoek(schrift) voldoet volgens [appellant] derhalve aan alle (ontvankelijkheids)criteria van artikel 1019w Rv. Voor het toepassing geven aan de deelgeschillenregeling is slechts vereist dat de beëindiging van het geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een regeling althans aan het doen aanvangen of hervatten van onderhandelingen. Nu [geïntimeerde] de aansprakelijkheid betwist is het logisch dat er geen onderhandelingen over de aard en omvang van de schade of anderszins zijn gevoerd. Bovendien heeft [geïntimeerde] geen bekende woon- of verblijfplaats en wordt hij niet bijgestaan door een raadsman, waardoor er voor [appellant] geen mogelijkheid tot het entameren of voeren van onderhandelingen bestond (en bestaat). [appellant] heeft niet méér kunnen ondernemen dan de (kennelijk voormalige) raadsman van [geïntimeerde] te benaderen en, toen dat vruchteloos bleek, een uittreksel uit het GBA op te vragen. Bij het indienen van het verzoekschrift heeft [appellant] een bericht van de gemeente Middelburg overgelegd waaruit blijkt dat [geïntimeerde] geen bekende woon- of verblijfplaats heeft (thans productie 3 bij het beroepschrift).

In de onderhavige zaak mag het niet zo zijn dat de schadelijdende partij ( [appellant] ) het middel van een deelgeschilprocedure niet ten dienste staat omdat hij geen overzicht van de onderhandelingen en de (resterende) geschilpunten kan geven. Dan zou immers de aangesproken partij ( [geïntimeerde] ) op een onaanvaardbare wijze worden beloond voor de niet-erkenning van aansprakelijkheid en het weigeren om (verdere) onderhandelingen te voeren ter bepaling en vergoeding van de schade. [appellant] verwijst naar een beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 5 juni 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8517), waarin volgens [appellant] wordt bevestigd (in r.o. 10) dat het verzoek in een deelgeschilprocedure ontvankelijk is, ook indien er geen noemenswaardige onderhandelingen zijn geweest.

Voorts is [appellant] primair van mening dat de overweging van de kantonrechter dat hij niet heeft bewezen dat [geïntimeerde] de aansprakelijkheid betwist, niet (mede-dragend) tot niet-ontvankelijkheid kan leiden maar slechts tot afwijzing van het verzoek.

Subsidiair, voor het geval het hof meent dat deze overweging toch aan de niet-ontvankelijkheid kan bijdragen, wijst [appellant] op het bepaalde in artikel 149 lid 1 Rv juncto 139 Rv. De kantonrechter had de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] de aansprakelijkheid niet heeft erkend, als vaststaand moeten aannemen, tenzij de kantonrechter het verzoek als onrechtmatig of ongegrond zou hebben gekwalificeerd, hetgeen niet het geval is. Desnoods had de kantonrechter het door [appellant] gedane bewijsaanbod moeten aanvaarden.

Meer subsidiair stelt [appellant] dat de betwisting van de aansprakelijkheid door hem is bewezen. Uit het in eerste aanleg als productie 3 overgelegde proces-verbaal van verhoor bij de politie blijkt dat [geïntimeerde] zich aan alle verantwoordelijkheid voor hetgeen is gebeurd onttrekt en specifiek het causaal verband tussen zijn handelen en het letsel van [appellant] betwist. Volgens [geïntimeerde] zou het letsel zijn ontstaan door een eerder incident tussen [appellant] en een medebewoner. Daarmee valt een erkenning van civielrechtelijke aansprakelijkheid niet te rijmen. Bovendien is de strafrechtelijke procedure nog niet afgerond en zal [geïntimeerde] om begrijpelijke redenen zijn kruit droog houden.

Ten slotte stelt [appellant] dat de kantonrechter de gevraagde kostenvergoeding ex artikel 1019aa Rv niet had kunnen afwijzen, nu dit verzoek een nevenverzoek is dat niet separaat kan worden afgewezen terwijl de verzoeker in zijn (hoofd)verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. [appellant] verwijst in dit kader naar de beschikking van het hof ’s-Gravenhage van 9 juli 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:3213, r.o. 9).

[appellant] concludeert dat de kantonrechter het recht onjuist heeft toegepast. Hij verzoekt het hof primair alsnog het verzoek (inclusief kostenbegroting) in behandeling te nemen en toe te wijzen en, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

3.4.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.4.1.

Zoals ook [appellant] heeft opgemerkt, staat tegen de in eerste aanleg gewezen beschikking ingevolge artikel 1019bb Rv geen voorziening open (afgezien van de – hier niet aan de orde zijnde – mogelijkheid een bodemprocedure te beginnen en in die procedure op grond van artikel 1019cc lid 3 Rv van de beschikking hoger beroep in te stellen als van een tussenvonnis). Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak worden doorbroken op een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden, te weten indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Deze doorbrekingsgronden kunnen worden ingeroepen met betrekking tot een beschikking op de voet van art. 1019w Rv, ongeacht of een rechtsmiddel in de zin van art. 1019cc lid 3 Rv openstaat of zal openstaan (zie Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943).

[appellant] heeft één doorbrekingsgrond ingeroepen, te weten de grond dat de kantonrechter de deelgeschilprocedure ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, zodat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

3.4.2.

Voorts dient het hof te beoordelen of de door [appellant] ingeroepen doorbrekingsgrond zich voordoet. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter de deelgeschilprocedure wel toegepast, nu de kantonrechter inhoudelijk heeft getoetst en geoordeeld over de toelatingseisen van artikel 1019x lid 3 Rv (van de regeling van de deelgeschilprocedure) en in het bijzonder inhoudelijk heeft geoordeeld over de vraag of een beslissing in het deelgeschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 1019w lid 1 Rv en 1019z Rv. Het hof concludeert dan ook dat de door [appellant] gestelde doorbrekingsgrond zich niet voordoet. Dit betekent dat het beroep op de doorbrekingsgrond dient te worden verworpen en dat het appelverbod in stand blijft. Aan een oordeel omtrent de juistheid van het oordeel van de kantonrechter, inclusief de afwijzing van het verzoek tot begroting en vergoeding van de kosten van de deelgeschilprocedure ex artikel 1019aa RV, komt het hof dan ook niet toe.

3.4.3.

Het hof ziet geen aanleiding tot enige proceskostenveroordeling in hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verwerpt het beroep op de doorbrekingsgrond van het appelverbod.

Deze beschikking is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en J.J. Minnaar en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.