Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2398

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
200 189 527_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wsnp; niet-ontvankelijk; termijnoverschrijding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 juni 2016

Zaaknummer : 200.189.527/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/307169 / FT RK 15/1645

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. E.C.G. van Loon te Etten-Leur.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 april 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 april 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de schuldsaneringsregeling alsnog op hem van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juni 2016. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Van Loon.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de ter zitting door mr. Van Loon overgelegde pleitnota en producties 7 tot en met 11.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 65.010,72. Uit genoemde verklaring blijkt dat de Kredietbank West-Brabant de crediteuren namens [appellant] geen aanbod heeft gedaan, omdat vlak na het starten van het minnelijk traject is geconstateerd dat [appellant] de huur niet op tijd heeft betaald. In verband met dit ontstaan van een huurachterstand is het minnelijk traject (voortijdig) beëindigd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden (onder meer aan het CJIB) in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.3.

Het hof heeft geconstateerd dat het bestreden vonnis dateert van 5 april 2016 en dat het beroepschrift op 14 april 2016, derhalve een dag te laat, in ingediend. Ter zitting van dit hof is eerst de ontvankelijkheid aan bod gekomen.

3.4.

[appellant] heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid ter zitting van dit hof het volgende verklaard.

Het inleidend verzoekschrift van [appellant] is bij de rechtbank op de zitting van 14 maart 2016 behandeld. [appellant] werd toen niet bijgestaan door een advocaat noch door zijn consulent van de gemeentelijke schuldhulpverlening. Tijdens die zitting heeft de rechtbank de mondelinge behandeling geschorst, teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen een actueel overzicht van de schulden te overleggen. Dat schuldenoverzicht heeft [appellant] voorts op 15 maart 2016 bij de rechtbank ingediend. Volgens [appellant] gaf de rechter tijdens de mondelinge behandeling van 14 maart 2016 aan dat de uitspraak uiterlijk twee weken na de zitting zou worden gewezen. Op 25 maart 2016 kreeg [appellant] een telefoontje van de griffier van de rechtbank met de mededeling dat het vonnis in verband met de feestdagen vertraging had opgelopen, zonder verder mede te delen wanneer het vonnis dan gewezen zou worden. Evenmin is [appellant] er toen op gewezen dat hij telefonisch contact kon opnemen om te informeren naar het vonnis. Op 7 april 2016 nam [appellant] per email contact op met zijn consulent van de gemeentelijke schuldhulpverlening (productie 7), die daarop op dezelfde dag antwoordde (productie 8) nog niets te hebben vernomen en dat [appellant] zelf wel bericht zou krijgen als het zover was. Pas op zaterdag 9 april 2016 ontving [appellant] het vonnis per post. Het vonnis is op 5 april 2016 uitgesproken “ter openbare terechtzitting”, maar [appellant] was daar niet bij aanwezig noch was hij ervan op de hoogte. Het vonnis is tevens voorzien van een stempel “voor eensluidend afschrift” met de datum 8 april 2016. [appellant] is ervan uitgegaan dat het vonnis op 8 april 2016 is gewezen. Omdat hij pas op 9 april 2016 voor het eerst kennis heeft genomen van het vonnis, stelt hij zich primair op het standpunt dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep is gaan lopen op 10 april 2016. Subsidiair, indien het hof van oordeel is dat de termijn op 6 april 2016 (de dag na het uitspreken van het vonnis) is gaan lopen, stelt hij zich op het standpunt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [appellant] verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:727, r.o. 3.3.) en - naar het hof begrijpt - naar de conclusie van de advocaat-generaal d.d. 19 februari 2016 in die zaak (ECLI:NL:PHR:2016:288).

Volgens [appellant] heeft de rechtbank verzuimd aan hem mede te delen dat hij telefonisch contact met de rechtbank kon opnemen om zelf te informeren naar het vonnis noch is hem door de griffier die hem de vertraging doorgaf een indicatie gegeven van wanneer het vonnis zou worden gewezen. [appellant] had geen idee dat het vonnis op 5 april 2016 was gewezen en kon dit ook niet weten. Het vonnis is weliswaar binnen de beroepstermijn verkregen, maar zo laat dat er geen beroepschrift meer kon worden ingediend met daarin de gronden. Indien [appellant] een beroepschrift zonder gronden had ingediend, had dat volgens hem geleid tot niet-ontvankelijkheid.

Na het verkrijgen van het vonnis op 9 april 2016 heeft [appellant] direct actie ondernomen. Op zaterdag lukte het hem echter niet een advocaat te bereiken. Op maandag 11 april 2016 heeft hij vrij genomen van zijn werk en zich in de ochtend gemeld bij het Juridisch Loket. Eind van de middag zat hij bij mr. Van Loon aan de tafel. In dat gesprek werd duidelijk dat een hoger beroep geen enkele zin zou hebben als [appellant] niets aan de CJIB-boetes kon doen. [appellant] heeft toen aangegeven dat zijn werkgever wellicht bereid zou zijn hem daarin behulpzaam te zijn. Daarop is besloten geen “blanco” beroepschrift (zonder gronden) in te dienen, maar eerst te focussen op de “bottleneck” (de schulden aan het CJIB) en de hulp van de werkgever af te wachten. Dinsdag 12 april 2016 heeft [appellant] zijn werkgever benaderd en heeft mr. Van Loon een eerste concept van het verzoekschrift opgesteld. Op woensdag 13 april 2016 heeft de werkgever mr. Van Loon benaderd voor overleg en uiteindelijk zijn de boetes aan het CJIB diezelfde dag door de werkgever betaald. Het concept van het verzoekschrift is definitief gemaakt en op 14 april 2016 bij het hof ingediend.

[appellant] concludeert dat hem niets valt te verwijten over zijn handelingssnelheid of dat hij de zaken op zijn beloop heeft gelaten. Door het warrige verloop van de procedure bij de rechtbank en het feit dat [appellant] daarin niet werd bijgestaan door een advocaat, kon hij niet eerder dan 14 april 2016 het beroepschrift indienen en is er om die reden sprake van een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.

3.5.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid komt het hof tot de volgende beoordeling.

3.5.1.

In het beroepschrift is opgenomen dat het vonnis waarvan beroep zou zijn uitgesproken op 8 april 2016. De uitspraak in eerste aanleg dateert echter van 5 april 2015. De appeltermijn eindigde acht dagen nadien, derhalve op 13 april 2015. Het beroepschrift is ter griffie op 14 april 2016 binnengekomen en dus (in beginsel) te laat. Bij de beoordeling of deze overschrijding van de appeltermijn wellicht verschoonbaar moet worden geacht stelt het hof het volgende voorop, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2814):

Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, zoals hier die van art. 292 lid 3 Fw, zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering (zie ook HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894).

In de rechtspraak is een uitzondering op deze regel aanvaard voor het geval degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim, niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt (zie ook HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359).

Deze laatste alinea heeft de Hoge Raad herhaald in het door [appellant] aangehaalde recente arrest van de Hoge Raad van 22 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:727, r.o. 3.3.2.).

3.5.2.

Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in de onderhavige zaak evenwel naar het oordeel van het hof geen sprake. Weliswaar is, naar zeggen althans van [appellant] , van de mondelinge behandeling in eerste aanleg geen proces-verbaal opgemaakt en dient het hof uit te gaan van de situatie dat in ieder geval niet is gebleken dat aan [appellant] , in overeenstemming met art. 3.1.4.1 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, is medegedeeld op welke datum uitspraak zou worden gedaan en op welk tijdstip telefonisch naar de uitspraak kon worden geïnformeerd, maar op grond van de eigen verklaring van [appellant] staat vast dat [appellant] het vonnis op (zaterdag) 9 april 2016, dus binnen de termijn voor het instellen van hoger beroep, heeft ontvangen. Er is derhalve geen sprake van dat de uitspraak van de rechtbank als gevolg van een niet aan [appellant] toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep aan hem is toegezonden of verstrekt. (Vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359). Het vonnis waarvan beroep is aan [appellant] tijdig verstrekt. De eventueel ‘warrige’ procedure bij de rechtbank heeft niet tot gevolg gehad dat [appellant] was afgesneden van een rechtsmiddel dat de wet hem toekent. [appellant] had de mogelijkheid tot het tijdig indienen van een beroepschrift, desnoods een beroepschrift waarin het voorbehoud is gemaakt tot aanvulling (met bekwame spoed) van de gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk zoals het proces-verbaal van eerste aanleg. Hij heeft daartoe dan ook op 11 april 2016 zijn advocaat benaderd. Door er voor te kiezen eerst de schulden aan het CJIB door zijn werkgever te laten betalen en daarna pas (op 14 april 2016) het beroepschrift in te dienen, heeft [appellant] - die op dat moment al wel was voorzien van rechtsbijstand - bewust het risico genomen dat de beroepstermijn niet gehaald zou worden, hetgeen ook is geschied. Het hof acht de termijnoverschrijding dan ook niet verschoonbaar. De slotsom is dat [appellant] in zijn beroep niet ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van de zaak komt het hof niet meer toe.

3.6.

Ten overvloede merkt het hof evenwel op dat [appellant] ook niet-ontvankelijk zou worden verklaard op grond van het volgende.

3.6.1.

Zonder een met redenen omklede verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen, dan wel een met redenen omklede verklaring dat het beproeven van een buitengerechtelijke schuldregeling geen enkel redelijk doel dient nu de kans van slagen van het minnelijk traject nihil is, kan de schuldsaneringsregeling niet van toepassing worden verklaard (artikel 285 lid 1 aanhef en onder f Fw).

3.6.2.

Uit de verklaring ex artikel 285 Fw blijkt dat de Kredietbank namens [appellant] de crediteuren geen aanbod heeft gedaan, omdat vlak na het starten van het minnelijk traject bleek dat [appellant] de huur niet op tijd had betaald. Hierdoor is het minnelijk traject (voortijdig) beëindigd. Er heeft derhalve geen minnelijk traject als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw plaatsgevonden, althans niet volledig of op een correcte wijze. Er dient immers een met redenen omklede verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw te worden gegeven waarom er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen (zie onderdeel 2.3. conclusie AG Wuisman bij HR 26 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013: BZ9955). Overlegging van een dergelijke verklaring past ook in het beleid strenger te zijn aan de poort van de wettelijks schuldsaneringsregeling die alleen te openen is voor schuldenaren die er klaar voor zijn, die een minnelijke procedure doorlopen hebben en waarvan bekend is hoe hun financiële positie is (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2004/05 nr. 7, p. 53). Een en ander voert het hof tot de slotsom dat [appellant] ook op deze grond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten.

3.7.

Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en L.Th.L.G. Pellis en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2016.