Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2369

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
200.171.820_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:3002, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst bedrijfsruimte op naam van besloten vennootschap in oprichting, die niet onder die naam is opgericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1715
NJF 2016/319
RVR 2016/85
JONDR 2016/775
UDH:TvHB/13551 met annotatie van mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.171.820/01

arrest van 14 juni 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. H.J.M. Goossens te Asten,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.E.R. Ummelen te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 juni 2015 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter te Maastricht van de rechtbank Limburg gewezen vonnis van 8 april 2015 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3439376 CV EXPL 14-10177)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 15 juni 2015 met grieven, producties en eiswijziging;

- de conclusie van eis van [appellant] van 23 juni 2015;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 1 september 2015 met een productie;

- de akte van [appellant] van 17 november 2015;

- de antwoordakte van [geïntimeerde] van 15 december 2015.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding. Hiermee legt [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voor. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. De beoordeling

4.1

De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt (met een door het hof aangebrachte letteraanduiding):

  1. Op 19 juli 2005 hebben [appellant] en [geïntimeerde] een huurovereenkomst ondertekend. De aanhef van de huurovereenkomst vermeldt dat [appellant] verhuurder is en dat “de besloten vennootschap [naam vennootschap + naam geïntimeerde] B.V. i.o., ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar direkteur de heer [geïntimeerde] (…)” de huurder is. Op de plek waar [geïntimeerde] de huurovereenkomst ondertekend heeft, staat vermeld: “ [naam vennootschap] B.V. i.o.”.

  2. De huurovereenkomst heeft betrekking op een bedrijfsruimte staande en gelegen aan [adres 1] en [adres 2] te [plaats 1] . De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van tien jaar. De aanvangshuurprijs bedroeg € 42.000,= per jaar.

  3. Op 1 september 2005 is door [bank] te [plaats 2] (hierna: [bank] ) een bankgarantie afgegeven waarbij [bank] kort gezegd verklaart garant te staan tot een bedrag van € 10.500,00 voor al hetgeen dat “huurder” aan [appellant] verschuldigd zal worden op grond van de huurovereenkomst van 19 juli 2005. De bankgarantie vermeldt als huurder “de heer [geïntimeerde] (…) handelend onder de naam [naam vennootschap + naam geïntimeerde] ”.

  4. Op 9 februari 2009 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam vennootschap + vestigingsplaats] B.V. opgericht.

  5. Bij vonnis in kort geding van 25 juni 2012 (zaaknummer: 171643 KG ZA 12-219) van de rechtbank Maastricht is [naam vennootschap + naam geïntimeerde] B.V. veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 36.536,62, welk bedrag ziet op onbetaald gelaten huur ten aanzien van de onder a) vermelde huurovereenkomst.

  6. Bij brief van 7 maart 2014 heeft de curator mr. Lemmens aan [appellant] medegedeeld dat [naam vennootschap + vestigingsplaats] B.V. bij vonnis van 25 februari 2014 failliet is verklaard. Mr. Lemmens heeft in die brief de huurovereenkomst als vermeld onder 2.1. op grond van artikel 39 van de Faillissementswet opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

  7. Bij brief van 19 maart 2014 heeft [appellant] [geïntimeerde] (in persoon) gesommeerd tot betaling van huurachterstand.

  8. Bij brief van 26 maart 2014 heeft [appellant] aan mr. Lemmens (samengevat) medegedeeld dat niet [naam vennootschap + vestigingsplaats] B.V. maar [naam vennootschap + naam geïntimeerde] B.V. i.o. en, omdat deze B.V. nimmer is opgericht, [geïntimeerde] in persoon de huurders van het bedrijfspand zijn.

  9. Bij brieven van 7 april, 6 mei, 15 juli, 14 augustus 2014 en 8 september heeft [appellant] [geïntimeerde] (in persoon) gesommeerd tot betaling van de huurachterstand.

  10. De huurachterstand tot en met september 2014 bedraagt € 71.652,26.

Bij dagvaarding van 16 september 2014 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt.

4.2

In deze procedure stelt [appellant] dat ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst geen sprake was van een BV in oprichting en dat [naam vennootschap + naam geïntimeerde] BV nooit is opgericht. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] hem misleid door hem voor te spiegelen dat die vennootschap zou worden opgericht terwijl dat niet het geval was. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] vanaf de aanvang zijn wederpartij bij de huurovereenkomst en is daar ook nooit verandering in gekomen.

4.3

Op grond hiervan vorderde [appellant] in eerste aanleg, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de huur van het bedrijfspand over de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 september 2014, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente (1), tot nakoming van zijn bewoningsverplichtingen voor de gehele duur van de huurovereenkomst, op verbeurte van een dwangsom (2) en tot betaling van de proceskosten met nakosten (3).

[geïntimeerde] heeft deze vorderingen bestreden. Volgens hem heeft [naam vennootschap + vestigingsplaats] BV vanaf haar oprichting in 2009 steeds de huurbetalingen verricht en is hierin de stilzwijgende bekrachtiging in de zin van artikel 2:203 lid 1 BW door deze vennootschap van de huurovereenkomst met [appellant] gelegen. Dit brengt mee, aldus [geïntimeerde] , dat hij voor de periode waarop de vorderingen van [appellant] zien geen partij is bij de huurovereenkomst en niet aansprakelijk is voor de huurbetalingen en de verdere verplichtingen uit die overeenkomst.

4.4

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep het verweer van [geïntimeerde] gehonoreerd en geoordeeld dat [naam vennootschap + vestigingsplaats] BV de besloten vennootschap (i.o.) is die partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst als (toekomstig) huurder voor ogen hadden. Deze vennootschap heeft door de huurbetalingen de huurovereenkomst stilzwijgend bekrachtigd, zodat de vorderingen van [appellant] die op de periode daarna betrekking hebben, niet voor toewijzing in aanmerking komen. Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten.

4.5

In hoger beroep heeft [appellant] zijn vorderingen gewijzigd in die zin dat hij thans vordert, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de huur van het bedrijfspand over de periode van 1 juli 2013 tot en met het tweede kwartaal van 2015, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente (1), tot nakoming van zijn overige verplichtingen uit de huurovereenkomst, subsidiair tot betaling van de huurtermijnen van 1 juli 2015 tot 1 augustus 2020, op verbeurte van een dwangsom (2) en tot betaling van de proceskosten met nakosten in beide instanties (3). [geïntimeerde] heeft tegen deze eiswijziging geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet ook geen reden deze niet toelaatbaar te achten, zodat in het vervolg de aldus gewijzigde eis aan de orde is.

4.6

Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 2:203 lid 1 BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten vennootschap, slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap ontstaan wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. Artikel 2:203 lid 2 BW bepaalt dat - tenzij uitdrukkelijk anders is bedongen - degene die een rechtshandeling verricht namens een op te richten vennootschap, daardoor hoofdelijk is verbonden totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd. Het is vaste rechtspraak dat uit deze regels voortvloeit dat degene die namens een op te richten besloten vennootschap een overeenkomst heeft gesloten, in dit geval [geïntimeerde] , tegenover zijn wederpartij, [appellant] slechts van zijn in lid 2 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid wordt bevrijd, indien de overeenkomst wordt bekrachtigd door een na het sluiten van de overeenkomst opgerichte besloten vennootschap die moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen bij het tot stand komen van de overeenkomst op het oog hadden. Of van het laatste sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de namen van de vennootschap in oprichting en de opgerichte vennootschap, de bij de beide vennootschappen betrokken personen, de aard van het door de vennootschappen uitgeoefende bedrijf; het kapitaal van de opgerichte vennootschap in het licht van de omvang van de transactie, hetgeen in de akte van oprichting omtrent de vennootschap in oprichting is verklaard (daaronder begrepen dat daaromtrent niets is verklaard) en hetgeen omtrent de beide vennootschappen in het handelsregister is ingeschreven.

4.7

In dit geval staat vast dat omtrent de BV in oprichting die in de huurovereenkomst is vermeld niets in het Handelsregister is ingeschreven en dat in de periode kort na het aangaan van de huurovereenkomst door [geïntimeerde] geen activiteiten zijn ondernomen om tot de oprichting daarvan te komen, zoals bijvoorbeeld het inschakelen van een notaris of het opstellen van statuten. Dat wil evenwel niet zeggen dat de huurovereenkomst niet kon worden aangegaan op naam van een BV in oprichting. Daarvoor is niet vereist dat de BV in oprichting reeds wordt ingeschreven of dat een bepaalde termijn zou gelden voor het uitvoeren van de voorbereidingshandelingen voor de daadwerkelijk oprichting. De consequentie van het langer uitblijven van de daadwerkelijke oprichting van de vennootschap en de bekrachtiging door haar van rechtshandelingen die daaraan voorafgaand zijn verricht, is dat de persoon die namens de op te richten vennootschap die rechtshandelingen heeft verricht langer persoonlijk aansprakelijk blijft voor de nakoming van de verplichtingen die in die periode zijn aangegaan. De consequentie is niet dat oprichting en bekrachtiging niet meer mogelijk zijn.

4.8

Vervolgens is in dit geval aan de orde dat verschillende namen zijn gehanteerd voor de door [geïntimeerde] op te richten vennootschap, namelijk [naam vennootschap + naam geïntimeerde] BV i.o. en [naam vennootschap] BV i.o., terwijl uiteindelijk geen vennootschap is opgericht met een van deze twee namen, maar wel (alleen) een vennootschap met de naam [naam vennootschap + vestigingsplaats] BV. [naam vennootschap + vestigingsplaats] BV heeft vanaf haar oprichting de [afkorting naam vennootschap] winkel in de van [appellant] gehuurde bedrijfsruimte geëxploiteerd en de huurbetalingen aan [appellant] voor haar rekening genomen. Een andere exploitant is er sindsdien niet geweest; de eenmanszaak van [geïntimeerde] die voordien de winkel exploiteerde is uitgeschreven. Hierbij is niet van belang of de eenmanszaak al dan niet in de vennootschap is ondergebracht en welke naam uiteindelijk is gekozen. Waar het om gaat is of de opgerichte vennootschap de vennootschap is die partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst voor ogen hadden. Dat dit niet het geval zou zijn, is naar het oordeel van het hof door [appellant] niet aangetoond. Bij het aangaan van de huurovereenkomst ging het kennelijk om een vennootschap die de exploitatie van een [afkorting naam vennootschap] winkel in de gehuurde bedrijfsruimte zou gaan uitvoeren. Dat is precies wat [naam vennootschap + vestigingsplaats] BV vanaf haar oprichting is gaan doen en niets anders. Deze vennootschap is mede door de echtgenote van [geïntimeerde] opgericht maar dat is naar het oordeel van het hof op zichzelf genomen geen omstandigheid die meebrengt dat het voorgaande niet geldt.

4.9

De stilzwijgende bekrachtiging is gelegen in de betaling van de huurtermijnen door de nieuw opgerichte vennootschap. [appellant] stelt dat hij dit niet heeft bemerkt of heeft behoeven te bemerken, maar dat staat niet in de weg aan het feit van die betalingen. Daarnaast stelt het hof vast dat uit het kort geding dat [appellant] heeft ingesteld tegen [naam vennootschap + naam geïntimeerde] BV, en dat hiervoor in 4.1 onder e) is vermeld blijkt dat hij ervan uitging dat die vennootschap vanaf de aanvang van de huurovereenkomst als zijn wederpartij had te gelden, hetgeen inhoudt dat hij ervan op de hoogte was dat het aangaan van die overeenkomst inmiddels (de inleidende dagvaarding dateert van 30 mei 2012) door een vennootschap was bekrachtigd. Hieraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat partijen in dat kort geding, overigens zowel in conventie als in reconventie, niet de juiste naam hanteerden. Uit alles, ook uit het feit dat de veroordeling van de vennootschap na het vonnis is nagekomen, blijkt dat beide partijen hebben aanvaard dat als wederpartij van [appellant] bij de huurovereenkomst niet (langer) [geïntimeerde] had te gelden maar de inmiddels door hem, met het oog op de exploitatie van de [afkorting naam vennootschap] winkel in het gehuurde, opgerichte vennootschap. Partijen hadden verwarring kunnen voorkomen door een consequent naamgebruik, maar dat laat onverlet dat raadpleging van het Handelsregister voldoende duidelijkheid bood. Daarin zijn alleen achtereenvolgens de eenmanszaak van [geïntimeerde] en [naam vennootschap + vestigingsplaats] BV ingeschreven geweest en geen andere in het verband van deze procedure mogelijk relevante (rechts)personen.

4.10

Het hof komt hiermee tot dezelfde conclusie als de kantonrechter in het bestreden vonnis, namelijk dat de vorderingen van [appellant] tegen [geïntimeerde] niet voor toewijzing vatbaar zijn, terwijl hetzelfde geldt hetgeen [appellant] bij wijziging van eis in hoger beroep heeft gevorderd aangezien ook daaraan steeds de stelling ten grondslag ligt dat [geïntimeerde] in de periode waar de vorderingen op zien als wederpartij bij de huurovereenkomst heeft te gelden. Dat is, zoals gezegd, niet het geval.

4.11

Een en ander leidt tot de slotsom dat de grieven worden verworpen, dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd en dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, zowel in eerste aanleg als nu in hoger beroep, brengt het hof niet tot een ander oordeel, terwijl voor bewijslevering bij deze stand van zaken geen aanleiding bestaat. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 711,= aan vast recht en op € 2.446,50 aan salaris advocaat, deze bedragen wat betreft de nakosten te vermeerderen met € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juni 2016.

griffier rolraadsheer