Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2358

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
200.157.413_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:4828, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzegging vaststellingsovereenkomst. Opzegging duurovereenkomst.

dwangsommen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1712
NJF 2016/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.157.413/01

arrest van 14 juni 2016

in de zaak van

[appellant 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

[appellant 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

[appellante 3] in de hoedanigheid van executeur-testamentair van [erflater],

wonende te [woonplaats 2] ,

appellanten in principaal appel en geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda,

tegen

Tennisvereniging [Tennisvereniging],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel en appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. B. Maat te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding tevens houdende grieven van 6 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (per abuis in de appeldagvaarding vermeld als “rechtbank Breda”), handelsrecht, zittingsplaats Breda van 9 juli 2014, gewezen tussen appellante in het principaal appel - [appellanten]- als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerde in het principaal appel -[Tennisvereniging]- als eiseres in conventie en verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/02/264807 / HA ZA 13-402)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnis en naar het vonnis van 25 september 2013 waarbij een verschijning van partijen is bevolen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep tevens bevattende de grieven, waarbij producties zijn overgelegd;

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel appel, waarbij een productie is overgelegd;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel waarbij producties zijn overgelegd.

Nadat partijen arrest hebben gevraagd, is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de betreffende memories.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 3.2 vastgesteld van welke feiten zij bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan. Nu die feiten niet zijn bestreden, zal ook het hof daarvan uitgaan. Hierna volgt een opsomming van die feiten.

a. [Tennisvereniging] is een tennisvereniging die sinds 1980 een accommodatie exploiteert gelegen te [woonplaats 1] aan de [straatnaam][huisnummer B] . Het complex bestaat uit een clubhuis, onder meer dienst doende als kantine, negen tennisbanen en een parkeerterrein.

b. In 1982 heeft [Tennisvereniging] het plan opgevat om lichtmasten te plaatsen op de (huidige) banen 5 tot en met 9. Een aantal omwonenden kon zich hiermee niet verenigen en heeft bezwaar gemaakt bij de gemeente [woonplaats 1] . Naar aanleiding hiervan heeft tussen [Tennisvereniging] (ook genoemd [Tennisvereniging]) en een aantal omwonenden op 27 april 1982 een overleg plaatsgevonden. Tijdens dat overleg is een overeenkomst gesloten ten aanzien van de aan te leggen lichtinstallatie op het tennispark, welke overeenkomst door [Tennisvereniging] is bevestigd bij brieven gericht aan een drietal omwonenden (hierna: overeenkomst). In de – afgezien van de adressering en aanhef – identiek luidende brieven van 7 mei 1982 (productie 2 dagvaarding in eerste aanleg) gericht aan [erflater] , destijds wonende [straatnaam][huisnummer A] , [betrokkene 1] , destijds wonende [straatnaam 2][huisnummer A] en [betrokkene 2] , destijds wonende [straatnaam][huisnummer C] , zijn de volgende passages opgenomen:

Met referte aan bovengenoemde briefwisseling en gesprekken bevestigen wij hiermede volgens afspraak het onderhoud, dat wij in deze op 27 april 1982 met u mochten hebben, (…)

Wij bevestigen in dit gesprek het volgende met u te zijn overeengekomen:

(…)

3) Het aanbrengen van een verlichtingsinstallatie door [Tennisvereniging] zal worden beperkt tot een 5-tal banen, t.w. tot de hoofdbaan (1) aangrenzend aan het paviljoen en het complex van 4 banen gelegen aan de [straatnaam 3] (thans banen 6 t/m 9)

(…)

8) Op basis van de in vorengenoemde punten 1 t/m 7 vastgelegde afspraken acht u geen termen meer aanwezig voor het handhaven van uw bezwaren tegen een verlichtingsinstallatie, hetgeen conform door u aan de gemeente zal worden bevestigd.”

c. [erflater] is overleden. Zijn dochter, [appellante 3] , appellante sub 3, is één van zijn erfgenamen. De woning van [erflater] is in zijn nalatenschap gevallen en is thans eigendom van zijn erfgenamen.

d. [betrokkene 1] heeft zijn woning aan de [straatnaam 2][huisnummer A] in 2005 verkocht aan

[betrokkene 3] en [betrokkene 4] , die de woning op hun beurt begin 2012 hebben verkocht aan gedaagden sub 1 en 2.

e. [betrokkene 2] heeft zijn woning aan de [straatnaam][huisnummer C] in 2002 verkocht aan [betrokkene 5] .

f. Op 27 december 2005 heeft [Tennisvereniging] een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend bij de gemeente [woonplaats 1] voor het plaatsen van een aantal lichtmasten op de vier nog niet van lichtmasten voorziene banen op het tennispark. De gemeente [woonplaats 1] heeft bij besluit van 28 februari 2006 een bouwvergunning verleend. Daartegen hebben omwonenden bij de gemeente [woonplaats 1] , de rechtbank Breda en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bezwaar en beroep ingediend. Door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2009 werd de aan [Tennisvereniging] verleende bouwvergunning onherroepelijk.

g. Op 21 december 2009 hebben de toenmalige bewoners van de [straatnaam 2][huisnummer A] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , en [erflater] [Tennisvereniging] in kort geding gedagvaard. Zij vorderden – kort samengevat en voor zover thans relevant – [Tennisvereniging] te verbieden nieuwe lichtmasten aan de banen 1 t/m 4 te plaatsen en haar te veroordelen de reeds geplaatste lichtmasten te verwijderen. Bij uitspraak van 5 februari 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda deze vorderingen deels toegewezen, in die zin, dat [Tennisvereniging] werd verboden nieuwe lichtmasten te plaatsen aan de banen 1 t/m 4 en de reeds geplaatste lichtmasten aan de banen 1 t/m 4 in werking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij na betekening van het vonnis in strijd zou handelen met deze verboden, tot een maximum van € 10.000,-.

h. Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter is hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 10 augustus 2010 heeft dit hof het vonnis van de rechtbank [woonplaats 1] vernietigd en de vorderingen van [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [erflater] afgewezen. Tegen het arrest is cassatie ingesteld. Bij arrest van 6 april 2012 (LJN BV6727) heeft de Hoge Raad het arrest van dit hof vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem. Gesteld noch gebleken is dat dit hof inmiddels arrest heeft gewezen.

i. Bij brieven van 9 november 2012, gericht aan de erven van [erflater] , gedaagden sub 1 en 2 en [betrokkene 5] , is de overeenkomst namens [Tennisvereniging] opgezegd met ingang van 1 juni 2013. [betrokkene 5] heeft met deze opzegging ingestemd.

4.2.1

[Tennisvereniging] heeft in eerste aanleg en na vermeerdering van eis gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen [Tennisvereniging] en [appellanten] is opgezegd per 1 juni 2013 of op een datum die de rechtbank in goede justitie meent te bepalen (zoals het hof “te vernemen” leest);

subsidiair de overeenkomst tussen [Tennisvereniging] en [appellanten] ontbindt tegen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

2. voor recht verklaart dat er ten laste van [Tennisvereniging] geen dwangsommen zijn verbeurd,

een en ander met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding.

4.2.2

[appellanten] hebben in reconventie gevorderd:

a. veroordeling van [Tennisvereniging] tot het verwijderen van de reeds geplaatste lichtmasten op de banen 1 t/m/ 4;

b. veroordeling van [Tennisvereniging] tot het betalen van de verbeurde dwangsommen inclusief de deurwaarderskosten,

één en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat men na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen,

met veroordeling van [Tennisvereniging] in de kosten van de procedure.

4.2.3

De rechtbank heeft geoordeeld dat afgezet tegen het tijdsverloop en de veranderde maatschappelijke omstandigheden [appellanten] niet hebben onderbouwd dat zij (voldoende) hinder ondervinden van de lichtmasten om tot de conclusie te kunnen komen dat voor opzegging van de overeenkomst een zwaarwegende grond is vereist. Het stond daarom [Tennisvereniging] vrij om de in r.o. 4.1 sub b genoemde overeenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. De rechtbank heeft vervolgens het in conventie onder 1. primair gevorderde toegewezen en het in reconventie onder a. gevorderde afgewezen.

De rechtbank is verder van oordeel dat de vernietiging door de Hoge Raad bij arrest van 6 april 2012 van het arrest van dit hof van 10 augustus 2010 ook zonder verdere betekening verbeurte van de dwangsommen op grond van het vonnis van 5 februari 2010 met zich bracht. Nadat de rechtbank vervolgens heeft vastgesteld dat er van 11 tot en met 24 april 2012 12 overtredingen hebben plaatsgevonden, heeft de rechtbank de in conventie onder 2. gevorderde verklaring voor recht afgewezen en in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad, [Tennisvereniging] veroordeeld tot betaling aan [appellant 1] van € 6.000,-.

[appellanten] zijn, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van de conventie, [Tennisvereniging] is, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van de reconventie.

4.3.1

[appellanten] vorderen in het principaal appel onder het voordragen van zeven grieven:

1. vernietiging van het vonnis van 9 juli 2014 in conventie gewezen;

2. afwijzing van de vorderingen van [Tennisvereniging];

3. veroordeling van [Tennisvereniging] om aan [appellanten] te betalen binnen twee dagen na het te wijzen arrest de volgens het gebruikelijke tarief te begroten bijdrage in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de 14de dag na de datum van het te wijzen arrest (zoals het hof “vonnis” leest) tot aan de dag der algehele voldoening;

4. veroordeling van [Tennisvereniging] om aan [appellanten] te betalen binnen twee dagen na het te wijzen arrest € 131,- aan na-salaris ingeval van niet betekening van het arrest en € 250,- aan nasalaris ingeval van betekening van het arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de 14de dag na de datum van het te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

5. het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

[Tennisvereniging] voert verweer.

4.3.2

[Tennisvereniging] vordert in het incidenteel appel onder het voordragen van een grief dat het hof het vonnis van 9 juli 2014 zal vernietigen voor zover het in reconventie is gewezen en zal afwijzen alle vorderingen van [appellanten] dan wel toe te wijzen tot maximaal € 2.500,- dan wel een ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrage, met veroordeling van [appellanten] tot betaling van € 131,- aan nasalaris ingeval van niet betekening van het arrest en € 250,- in geval van betekening van het arrest, alsmede in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, en wel binnen 10 dagen na de betekening van het te wijzen arrest.

[appellanten] voeren verweer.

In het principaal appel:

4.4.1

De eerste, tweede en derde grief van [appellanten] lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. Zij voeren hierin aan dat de overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is voor onbepaalde duur. Naar haar aard dient bij een dergelijke overeenkomst grote terughoudendheid te worden betracht voor wat betreft de mogelijkheid en gronden voor opzegging, waarbij het aan de opzeggende partij, dus [Tennisvereniging], is om te stellen en te bewijzen dat er voldoende zwaarwegende gronden zijn om de overeenkomst op te zeggen. Tijdsverloop en de veranderende maatschappelijke opvattingen vormen geen rechtsgeldige reden voor [Tennisvereniging] om de overeenkomst op te zeggen.

4.4.2

De overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst indien partijen zich jegens elkaar hebben gebonden ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt (art. 7:900 lid 1 BW). Uit hetgeen hiervoor in r.o. 4.1 sub b is vastgesteld blijkt dat [appellanten] bezwaar hadden tegen het plaatsen van lichtmasten door [Tennisvereniging]. In plaats van het voorleggen van dit bezwaar aan een rechter, waarbij het rechtens niet relevant is of dit al dan niet de civiele rechter is, hebben partijen de overeenkomst gesloten. Daarmee is dus sprake van een vaststellingsovereenkomst. Het feit dat [Tennisvereniging] ervan overtuigd is dat zij een procedure hadden gewonnen, maakt dit niet anders omdat de juistheid van die overtuiging door het sluiten van de overeenkomst niet is komen vast te staan. Een beslissing omtrent dat punt is juist voorkomen door de overeenkomst.

4.4.3

De onderhavige overeenkomst, die dus een vaststellingsovereenkomst is, is niet voor bepaalde duur gesloten en de wet noch de overeenkomst kent een regeling voor opzegging. In abstracto brengt een dergelijk geval met zich dat de betreffende overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van een dergelijke overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat (HR 28 oktober 2011, LJN BQ9854/NJ 2012, 685 en HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163/NJ 2013, 341). Het feit dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst is hierbij van belang, maar een algemene regel dat naar haar aard bij een vaststellingsovereenkomst grote terughoudendheid dient te worden betracht voor wat betreft de mogelijkheid en gronden voor opzegging, kent het recht niet.

Het hof ziet in het onderhavige geval niet dat een of meer van dergelijke zwaarwegende gronden aanwezig zijn. [appellanten] hebben bij de overeenkomst hun recht prijsgegeven om via een rechter te proberen te voorkomen dat, zo begrijpt het hof, lichtmasten zouden worden geplaatst om alle tennisbanen te verlichten door hun bezwaren in te trekken tegen het plaatsen van lichtmasten op slechts een bepaald aantal banen. [Tennisvereniging] gaf met de overeenkomst de mogelijkheid prijs om via de rechter vergunning af te dwingen om alle banen te verlichten. Het opgeven van genoemd recht van [appellanten] door hen weegt in dit geval en met inachtneming van het feit dat inmiddels ruim 30 jaar zijn verstreken nadat de overeenkomst is gesloten, in dit verband niet heel zwaar. Zij hebben hiermee immers niet prijsgegeven hun recht om te klagen over onrechtmatige hinder op hun woongenot veroorzaakt door de lichtmasten waarvoor zij bij de overeenkomst toestemming tot plaatsing hebben gegeven. Zij hebben evenmin met de overeenkomst prijs gegeven hun recht om indien die hinder komt vast te staan, schadevergoeding te vragen, die ook kan bestaan uit regelgeving omtrent het tijdstip waarop de verlichting mag branden. Zij hebben evenmin prijsgegeven hun recht om, indien [Tennisvereniging] zich om welke reden ook niet meer gebonden zou voelen aan de overeenkomst, bij de bevoegde rechter bezwaar aan te tekenen tegen de wens van [Tennisvereniging] om meer lichtmasten te plaatsen. Aldus brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid niet met zich dat opzegging van de overeenkomst slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond bestaat. De onderhavige vaststellingsovereenkomst kan aldus op grond van de hoofdregel worden opgezegd.

Dit betekent dat alhoewel [appellanten] gelijk hebben voor wat betreft hun stelling dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst, de eerste drie grieven niet leiden tot vernietiging van het vonnis. Hiermee is ook de zesde grief verworpen.

4.5

In hun vierde en vijfde grief voeren [appellanten] aan dat vaststaat dat de lichtmasten hinder veroorzaken. De mate van hinder is, aldus [appellanten], weg gecontracteerd bij de overeenkomst en het was juist de bedoeling van de overeenkomst om een situatie te voorkomen waarin van geval tot geval moet worden beoordeeld of sprake is van onrechtmatige hinder.

Voor zover [appellanten] met deze twee grieven een feit hebben willen aanvoeren op grond waarvan (mede) tot de conclusie moet worden gekomen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, falen deze twee grieven. De betreffende wens, en (vooral) achterliggende oorzaak om de overeenkomst te sluiten is onvoldoende van gewicht. Hierbij weegt mee dat [appellanten] ook na de opzegging van de overeenkomst de mogelijkheid hebben om onrechtmatige hinder aan de orde te stellen en vergoeding van de daardoor mogelijk geleden schade te vorderen. Het hof kan in het midden laten of de lichtmasten al dan niet hinder veroorzaken. Geen van de procespartijen hebben immers een vordering op die stelling gebaseerd, zodat ook wat dat betreft de vraag of de lichtmasten hinder veroorzaken in dit hoger beroep niet hoeft te worden beantwoord.

Voor zover [appellanten] zich tegen de vordering van [Tennisvereniging] hebben willen verweren met de stelling dat de lichtmasten hinder veroorzaken, staat dit niet in de weg aan toewijzing van de vordering van [Tennisvereniging]. Het door haar gevorderde heeft immers geen betrekking op het plaatsen van lichtmasten noch op het branden daarvan.

4.6

De zevende, laatste grief is, gelet op de toelichting daarop, drieledig. Voor zover deze grief inhoudt dat een verklaring voor recht dat de overeenkomst is opgezegd niet kan worden toegewezen omdat de overeenkomst is opgezegd, berust deze op een onjuiste rechtsopvatting.

Voor zover de grief aanvoert dat de rechter de ontbinding moet uitspreken miskent de grief dat de primaire vordering onder 1 is toegewezen, zodat aan de subsidiaire vordering onder 1 niet wordt toegekomen

Voor zover met deze grief tenslotte is bedoeld om het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen, wordt het grievenstelsel miskend, waarbij een appellant dient duidelijk te maken tegen welke gewraakte beslissingen hij precies opkomt, welke bezwaren hij daartoe aanvoert en op welke gronden zijn bezwaren rusten.

Al met al faalt ook de zevende grief in het principaal appel.

In het incidenteel appel:

4.7.1

Het incidenteel appel stelt twee vragen aan de orde. De eerste vraag is of en zo ja, vanaf welke dag na het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012, waarbij het arrest van dit hof is vernietigd, dwangsommen kunnen worden gevorderd wegens overtreding van het bij het vonnis van 5 februari 2010 gegeven verbod. Indien dwangsommen in beginsel gevorderd kunnen worden, is de tweede vraag hoeveel overtredingen hebben plaatsgevonden, zodat de daaraan verbonden dwangsommen verschuldigd zijn. Gelet op het debat dat partijen hebben gevoerd, hebben deze vragen enkel betrekking op de vraag of dwangsommen verschuldigd kunnen zijn in de periode van 11 april 2012 tot en met 24 april 2012.

Het hof stelt hierbij voorop dat er niet is gegriefd tegen het feit dat de rechtbank [Tennisvereniging] heeft veroordeeld tot betaling van een concreet geldbedrag (€ 6.000,-, bestaande uit 12 maal € 500,-), alhoewel [appellanten] wat dit betreft geen concreet bedrag hebben gevorderd, maar slechts “veroordeling van [Tennisvereniging] tot het betalen van de verbeurde dwangsommen inclusief de deurwaarderskosten”.

4.7.2

Bij uitspraak van 12 mei 1997, NJ 1998, 296 heeft het Benelux-Gerechtshof geoordeeld dat indien de appelinstantie een in eerste aanleg gegeven dwangsomveroordeling heeft geschorst, maar later in de definitieve uitspraak de in eerste aanleg gegeven dwangsomveroordeling bekrachtigt, art. 1 lid 3 van de Eenvormige Wet met zich brengt dat de bekrachtigde uitspraak opnieuw, tezamen met de uitspraak in hoger beroep, aan de veroordeelde moet worden betekend alvorens (opnieuw) dwangsommen kunnen worden verbeurd. Het hof ziet geen reden waarom deze regel niet van toepassing zou zijn indien de appelrechter de in eerste aanleg gegeven uitspraak heeft vernietigd, maar de Hoge Raad daarna de uitspraak van de appelrechter heeft vernietigd. Dit betekent dat [appellanten] pas (weer) aanspraak kunnen maken op dwangsommen nadat het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 met de in eerste aanleg gegeven uitspraak van 5 februari 2010 aan [Tennisvereniging] is betekend.

Het is aan [appellanten] wat dit betreft om hun vordering in elk geval te onderbouwen met de stelling dat het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 met het vonnis van 5 februari 2010 aan [Tennisvereniging] is betekend. [appellanten] hebben dit niet gesteld. Het hof leidt zelfs uit het door hen onder 1. memorie van antwoord in incidenteel appel gestelde af dat in elk geval in de periode tussen 6 april 2012 en 24 april 2012 geen betekening heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat [Tennisvereniging] geen dwangsommen is verschuldigd voor zover zij in de periode tussen 11 april 2012 en 24 april 2012 het verbod in het vonnis van 5 februari 2010 al zou hebben overtreden. Het hof houdt de niet onderbouwde opmerking van [Tennisvereniging] dat betekening van het arrest van de Hoge Raad zou hebben plaatsgevonden op 16 april 2012 (nr. 16 memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel appel) voor een vergissing, gelet op de na die memorie door [appellanten] genomen memorie van antwoord in incidenteel appel waarin in nr. 1 uitdrukkelijk wordt opgemerkt: “Allereerst wordt opgemerkt dat op 16 april 2012 niets is betekend.”.

Dit betekent dat de tweede hiervoor in r.o. 4.7.1 gestelde vraag niet hoeft te worden beantwoord en dat het incidenteel appel slaagt.

Verder in het principaal en het incidenteel appel:

Al met al kunnen de grieven in het principaal appel niet leiden tot vernietiging van het vonnis in conventie, terwijl de grief in het incidenteel appel leidt tot vernietiging van het reconventionele vonnis. Het hof zal het vonnis in conventie dan ook bekrachtigen en het vonnis in reconventie vernietigen en het in reconventie gevorderde afwijzen.

[appellanten] hebben in het principaal en incidenteel appel te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en dienen daarom in de kosten van dit appel te worden veroordeeld. Zij zullen als de in het ongelijk gestelde partij eveneens worden veroordeeld in de kosten van de reconventionele procedure in eerste aanleg.

5 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel:

bekrachtigt het in conventie gewezen vonnis waarvan beroep;

in het incidenteel appel:

vernietigt het in reconventie gewezen vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht als volgt:

wijst de vorderingen van [appellanten] af;

veroordeelt [appellant 1] in de kosten van de reconventie in eerste aanleg, voor zover gerezen aan de zijde van [Tennisvereniging] tot op heden begroot op € 384,- voor salaris advocaat;

in het principaal en incidenteel appel:

veroordeelt [appellanten] in de kosten van dit appel, voor zover gerezen aan de zijde van [Tennisvereniging] tot op heden begroot op € 704,- aan griffierecht en € 1.210,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 131,- aan nasalaris in geval van niet betekening van dit arrest en € 250,- in geval van betekening van dit arrest, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de 11de dag na betekening van dit arrest;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 juni 2016.

griffier rolraadsheer