Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2354

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
200.168.774/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoofdverblijf;

contactregeling;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 juni 2016

Zaaknummer: 200.168.774/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/283038 RA RK 14-3888

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. F.R. Brouwer,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Verger-Maas.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 28 januari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 april 2015, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover het betreft de vaststelling van een zorgregeling en voor zover het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is afgewezen, en, opnieuw rechtdoende:

- primair: te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben, althans een zodanig beslissing dat het hof juist acht;

- subsidiair: te bepalen dat de vader recht heeft op een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] van vrijdag 18.00 uur tot zondag 20.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag bij de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag bij de moeder terugbrengt, althans een zodanige regeling als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op16 juni 2015, heeft de moeder verzocht, naar het hof begrijpt, het verzoek van de vader in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling te bekrachtigen.

Tevens heeft de moeder incidenteel appel ingesteld en verzocht, naar het hof begrijpt, voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten, en te bepalen dat de moeder met uitsluiting van de vader wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en voorts, de vader te veroordelen in de kosten van de procedure van de moeder ter hoogte van € 598,-.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 28 juli 2015, heeft de vader verzocht, naar het hof begrijpt, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen.

2.3.

De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op [geboortedatum] 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. H. Zobuoglu, waarnemend voor mr. Brouwer;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Verger-Maas;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 december 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 28 oktober 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 9 november 2015.

2.5.

Het vervolg van de mondelinge behandeling heeft, na een aanhouding op verzoek van partijen, plaatsgevonden op 3 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Brouwer;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Verger-Maas;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] .

2.6.

Het hof heeft voorafgaand aan de voortgezette mondelinge behandeling nog kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de vader d.d. 4 december 2015;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de vader d.d. 20 januari 2016;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 21 januari 2016;

  • -

    het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 25 januari 2016.

  • -

    het faxbericht en tevens V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 16 februari 2016;

  • -

    de wijziging in het incidenteel appel zijdens de moeder d.d. 18 februari 2016;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de vader d.d. 17 februari 2016;

  • -

    het faxbericht en tevens V-formulier van de advocaat van de vader d.d. 19 februari 2016;

  • -

    het verweerschrift inzake de wijziging van het incidenteel appel zijdens de vader op 16 maart 2016;

  • -

    het aanvullend verzoek zijdens de vader op 10 april 2016, ingekomen ter griffie op 12 april 2016.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen zijn op 1 oktober 2004 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

3.2.

Bij beschikking van 25 juli 2007 heeft de rechtbank Amsterdam tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 27 november 2007 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts de regelingen die partijen zijn overeengekomen in het door hen ondertekende echtscheidingsconvenant van mei/juni 2007 als herhaald en ingelast beschouwd. In het echtscheidingsconvenant wordt verwezen naar het ouderschapsplan van mei/ juni 2007 waarin partijen zijn overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is en waarin partijen een zorgregeling zijn overeengekomen.

Partijen hebben deze zorgregeling in de tweede helft van 2008 gewijzigd in die zin dat [minderjarige] sindsdien eens per twee weken een weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 19.30 uur, de helft van de zomervakantie en een deel van de andere vakanties (in onderling overleg) bij de vader verblijft.

3.4.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, voor zover thans van belang, bepaald dat de vader en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van zaterdag 11.00 uur tot zondag 20.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag bij de moeder zal ophalen en hij hem op zondag bij de moeder zal terugbrengen. Daarbij heeft de rechtbank het verzoek van de moeder te bepalen dat het gezag over [minderjarige] alleen aan haar toekomt, afgewezen en de verzoeken van de vader te bepalen dat het gezag over [minderjarige] alleen aan hem toekomt en dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal worden gewijzigd in die zin dat deze bij hem zal zijn, afgewezen.

3.5.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

Door partijen is in de nagekomen stukken en ook ter gelegenheid van de voortgezette zitting verklaard dat de situatie thans een andere is dan bij aanvang van onderhavige procedure en dat de standpunten en verzoeken over en weer inmiddels ook zijn gewijzigd. Het hof zal zich in deze beschikking dan ook beperken tot de laatste ingekomen stukken en standpunten van partijen en betrokkenen. [minderjarige] heeft reeds geruime tijd zijn hoofdverblijfplaats bij de vader en de moeder stemt in met het verzoek van de vader het hoofverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen. Het hof zal overeenkomstig beslissen.

Beslist dient verder te worden op het aanvullend verzoek van de vader om eenhoofdig te worden belast met het gezag over [minderjarige] en over de contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder.

3.7.

De GI heeft ter zitting verklaard dat de situatie inmiddels sinds de start van de procedure in hoger beroep is gewijzigd. De GI had aanvankelijk zorgen om de voortgang van de behandeling van de moeder en haar draagkracht ten opzichte van [minderjarige] , maar op dit moment acht de GI geen contra-indicaties aanwezig voor contact(herstel) tussen haar en [minderjarige] . Wel wil de GI nog graag met de moeder kijken naar het signaleringsplan, maar vooralsnog gaat de GI er vanuit dat de situatie thans verantwoord is. De GI acht het zorgelijk dat de moeder en [minderjarige] elkaar al ruim drie maanden niet meer hebben gezien en hoopt dat er thans meer ruimte komt voor contact en tevens voor gelijkwaardigheid tussen de ouders. De gezamenlijke gesprekken met de ouders zijn heel positief verlopen, dus het is jammer dat dit tot op heden niet als basis heeft kunnen dienen voor concrete afspraken. De GI spreekt de hoop uit dat hier na deze procedure meer ruimte voor komt.

3.8.

De raad heeft ter zitting verklaard dat de situatie inmiddels in positieve zin gewijzigd is, nu beide partijen zich inspannen ten behoeve van [minderjarige] en contactherstel tussen hem en de moeder.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

Gezag

3.10.

Ten aanzien van het aanvullende verzoek van de vader tot wijziging van het gezag, heeft het hof ter voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep na een korte schorsing reeds aan partijen kenbaar gemaakt dat het hof van oordeel is dat het aanvullende verzoek in hoger beroep zijdens de vader in deze procedure niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Dit verzoek ten aanzien van het gezag betreft een eerste verzoek in hoger beroep. De vader heeft in eerste instantie behoud van het gezamenlijk gezag bepleit en de rechtbank heeft de man daarin gevolgd. In appel is, nu de moeder het appel tegen de afwijzing van haar verzoek om haar met het eenhoofdig gezag te belasten heeft ingetrokken, de kwestie van het gezag niet meer aan de orde, terwijl de gezag kwestie onvoldoende samenhang heeft met hetgeen nog ter beoordeling ligt van het hof.

Contactregeling

3.11.

Partijen hebben ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over de vastlegging van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder, nu [minderjarige] inmiddels reeds geruime tijd met goedvinden van de moeder zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader in [woonplaats] .

Partijen zijn overeengekomen dat de vader [minderjarige] eens per vier weken naar de moeder brengt en hem daar ook weer ophaalt. [minderjarige] zal dan een weekend bij de moeder verblijven van vrijdag, indien mogelijk eind van de middag of anders begin van de avond, tot zondagavond 18.00 uur. Het eerste weekend dat omgang tussen de moeder en [minderjarige] zal plaatsvinden, zal het weekend van moederdag zijn en vandaaruit zal het ritme van eens per vier weken worden aangehouden. Indien er bij de moeder mogelijkheden zijn om een contactweekend tussen die vier weken in te realiseren dan zal daar gelegenheid toe worden gegeven waarbij de moeder [minderjarige] dan haalt en terugbrengt.

De vakanties zullen tussen de ouders bij helfte verdeeld worden, waarbij de vader voorlopig nog bereid is om [minderjarige] te halen en te brengen. Het hof zal beslissen overeenkomstig hetgeen door partijen is overeengekomen.

3.12.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk vernietigen en wel voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de vader tot wijziging hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de vaststelling van de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader. Opnieuw rechtdoende zal het hof de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepalen en een contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder vastleggen zoals door partijen ter zitting is overeengekomen.

Proceskosten

3.13.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

Verklaart de vader niet ontvankelijk voor wat betreft zijn verzoek in het hoger beroep te bepalen dat hij alleen met het gezag over [minderjarige] zal worden belast;

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 28 januari 2015 doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarbij het verzoek van de vader tot bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem te bepalen heeft afgewezen en voor zover tussen de vader en de minderjarige een contactregeling is vastgesteld;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , bij de vader;

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige] de volgende regeling vast:

De vader brengt [minderjarige] eens per vier weken naar de moeder en haalt hem daar ook weer op. [minderjarige] zal dan een weekend bij de moeder verblijven van vrijdag indien mogelijk eind van de middag en anders begin van de avond tot zondagavond 18.00 uur. Het eerste weekend dat omgang tussen de moeder en [minderjarige] zal plaatsvinden, was het weekend van moederdag en vandaaruit zal het ritme van eens per vier weken worden aangehouden. Indien er bij de moeder mogelijkheden zijn om een contactweekend tussen die vier weken in te realiseren dan zal daar gelegenheid toe zijn, waarbij de moeder [minderjarige] dan haalt en terugbrengt.

De vakanties zullen tussen de ouders bij helfte verdeeld worden, waarbij de vader voorlopig [minderjarige] zal halen en te brengen.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2016.