Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2336

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
20-001030-16
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank. Niet is gebleken dat verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001030-16

Uitspraak : 31 mei 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 april 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers

02-800506-15 en 02-665775-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans verblijvende in PI Vught, Nieuw Vosseveld 2 HvB Arres. te Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede op de terechtzitting in eerste aanleg.

Geldigheid van de behandeling in eerste aanleg

Namens verdachte is een beroep gedaan op de nietigheid van de behandeling in eerste aanleg en is verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

De eerste rechter had niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak mogen toekomen, maar het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen, teneinde de niet verschenen verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn, zulks omdat verdachte op het tijdstip van de zitting in eerste aanleg gedetineerd was en verdachte geen afstand had gedaan van zijn recht om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, aldus de verdediging. Daarbij is er van de zijde van de verdediging op gewezen dat de rechtbank alleen beschikte over een digitaal document, waarin een medewerker van de PI Dordrecht aangaf dat verdachte te kennen zou hebben gegeven niet naar de zitting te willen gaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat de verdachte in eerste aanleg afstand van zijn aanwezigheidsrecht had gedaan. Toen verdachte werd opgehaald was er een discussie ontstaan tussen verdachte en een medewerker van de penitentiaire inrichting alwaar verdachte verbleef. Verdachte bevond zich in isolatie en mocht van de medewerker niet zijn eigen kleding aan maar moest op transport in een overall die hij in de isoleercel moest dragen. Vervolgens heeft de verdachte geweigerd mee te gaan met de Dienst Vervoer en Ondersteuning.

Gelet op het grote belang dat gehecht moet worden aan het aanwezigheidsrecht ter terechtzitting, moet het doen van afstand van dat recht door een verdachte vrijwillig geschieden en moet die afstand ondubbelzinnig blijken.

Er was echter geen schriftelijke afstandsverklaring en uit de beschikbare informatie kon naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Aldus is er sprake van een schending van zijn aanwezigheidsrecht.

De hoofdregel is dat, indien de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en er sprake is van een ter gelegenheid van de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg tot nietigheid leidend verzuim, het hof de uitspraak van de eerste rechter vernietigt, maar dat de zaak niet terug wordt gewezen naar de rechtbank.

In bepaalde gevallen kan een uitzondering op die hoofdregel gelden en kan het beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties met zich meebrengen dat, indien zulks wordt verzocht, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg de zaak wordt teruggewezen naar de eerste rechter.

In de onderhavige zaak is in eerste aanleg sprake geweest van een schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte en daarmee van een fundamenteel beginsel van artikel 6 EVRM.

De verdediging heeft uitdrukkelijk verzocht om terugwijzing naar de rechtbank.

Gelet op het voorgaande zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen, de behandeling in eerste aanleg nietig verklaren en de zaak terugwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Verklaart de behandeling in eerste aanleg nietig.

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant ten einde op de inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,

en op 31 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.