Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2335

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
15/01211
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7588, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft aangifte gedaan van de door haar ter zake van de registratie van een personenauto verschuldigde BPM. De handelswaarde heeft belanghebbende berekend aan de hand van een combinatie van de koerslijsten van Eurotaxglass’ en Autotelexpro, omdat er geen koerslijst bestaat waarin alle op de auto aanwezige opties kunnen worden ingevuld. Het Hof accepteert deze methode niet. Indien een belastingplichtige wil afwijken van een door hem gehanteerde koerslijst, zal hij bewijs moeten leveren in hoeverre in het concrete geval de waarde van de auto afwijkt van de waarde die volgt uit de toegepaste koerslijst. Dat kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van een taxatie van de auto.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur maken de handelswaarde niet aannemelijk. Het Hof sluit aan bij de subsidiaire stelling van belanghebbende en bepaalt de afschrijving op de opties die niet in de koerslijst kunnen worden ingevuld op hetzelfde percentage als de afschrijving op de opties die wél in de koerslijst zijn ingevuld, te weten 93,34%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2436
V-N 2016/64.16.1
NTFR 2016/2995 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01211

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 29 september 2015, nummer AWB 15/1886, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd ten bedrage van € 2.822 aan belasting, alsmede bij beschikking een bedrag aan belastingrente van € 80. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken de naheffingsaanslag en beschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 772, de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende veroordeeld tot een bedrag van € 1.612,12 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 497.

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken (aangeduid als verweerschrift) ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 15 april 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , directeur van belanghebbende, vergezeld van de heer [B] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [D] , mevrouw [C] en de heer [E] .

1.6.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft op 28 augustus 2013 aangifte gedaan van de door haar ter zake van de registratie van een personenauto op grond van de Wet BPM verschuldigde belasting. Het betreft een personenauto van het merk [merk 1] , type [type 1] , met identificatienummer [nummer] (hierna: de auto). Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 5.677. Belanghebbende heeft dit bedrag op 3 september 2013 op aangifte voldaan.

2.2.

Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende de handelswaarde van de auto berekend aan de hand van de koerslijstwaarde van Eurotaxglass’s. De handelswaarde van de auto per 28 augustus 2013 volgens deze koerslijst bedraagt € 23.906. In de betreffende koerslijst konden niet alle op/in de auto aanwezige opties worden ingevuld. Alleen de opties “elektrisch bedienbaar schuifdak” en “metallic lak” konden worden “aangevinkt”; de nieuwprijs van deze opties was € 4.056. De overige opties ten bedrage van € 10.840 heeft belanghebbende verwerkt door dit bedrag in te vullen bij de post “waarde/prijs overig”. Uit de koerslijstberekening volgt dat de opties van € 4.056 op 28 augustus 2013 zijn afgeschreven tot een bedrag van € 270. Omdat de koerslijst geen afschrijving toepast op de bedragen die bij “waarde/prijs overig” zijn ingevuld, heeft belanghebbende een bedrag van € 10.732 aan “reparatiekosten” opgenomen, teneinde alsnog een afschrijving toe te passen op de overige opties. De toegepaste afschrijving op de overige opties bedraagt aldus 99%. Dit percentage heeft belanghebbende onderbouwd door het overleggen van een koerslijstberekening AutotelexPro betreffende een, volgens belanghebbende, met de auto vergelijkbare auto, zijnde een [merk 2] , type [type 2] . Uit de koerslijstberekening volgt dat voor een bedrag van € 10.000 opgenomen opties afschrijven tot een bedrag van € 100.

2.3.

De verschuldigde BPM van € 5.677 is bij de aangifte als volgt berekend.

Nieuwprijs voertuig

€ 165.572

Inkoopwaarde volgens koerslijst

€ 23.906

Afschrijving

€ 141.666

Afschrijvingspercentage

85,6%

Historische BPM

€ 39.421

Afschrijving

€ 33.744

Verschuldigde BPM

€ 5.677

2.4.

De Inspecteur heeft op 10 oktober 2014 een naheffingsaanslag opgelegd. Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft de Inspecteur de handelswaarde van de auto berekend aan de hand van de koerslijstwaarde van Eurotaxglass’s; deze handelswaarde bedraagt per 2 september 2013 € 35.575. De nieuwprijs van de aan te vinken opties zijn, eveneens als in de koerslijstberekening van belanghebbende, € 4.056. De overige opties zijn ingevuld bij “waarde/prijs overig” voor een bedrag van € 10.838. Uit de koerslijstberekening volgt dat de aangevinkte opties zijn afgeschreven tot € 263 en op de overige opties is niet afgeschreven. Met een waarde verminderende post zoals “reparatiekosten” is geen rekening gehouden.

2.5.

De Inspecteur heeft de verschuldigde BPM als volgt berekend.

Historische nieuwprijs

€ 165.030

Inkoopwaarde volgens koerslijst

€ 35.575

Afschrijving

€ 129.455

Afschrijvingspercentage

78,44%

Historische BPM

€ 39.421

Afschrijving

€ 30.922

Verschuldigde BPM

€ 8.499

Voor het verschil tussen € 8.499 en € 5.677, zijnde € 2.822, is een naheffingsaanslag opgelegd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I: Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

II: Dient bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding het gewicht van de zaak op factor 2 te worden gesteld?

Belanghebbende is van mening dat vraag I ontkennend en vraag II bevestigend moet worden beantwoord.
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat:

- de nieuwprijs van de auto € 165.030 bedraagt;

- de historische BPM € 39.421 bedraagt; en

- belanghebbende de afschrijving alsnog mag berekenen uitgaande van de forfaitaire afschrijvingstabel, hetgeen leidt tot een verschuldigde BPM van € 6.316, zodat de naheffingsaanslag in ieder geval moet worden verminderd tot € 639.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken van de Inspecteur, en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 342, dan wel € 591, dan wel € 639.
De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur, en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 639.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I: Is de de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

4.1.

Belanghebbende wenst bij de berekening van de verschuldigde BPM gebruik te maken van de koerslijst van Eurotaxglass’s. Omdat in die koerslijst de mogelijkheid ontbreekt om alle op/in de auto aanwezige opties aan te vinken, heeft belanghebbende ter bepaling van de restwaarde van de overige opties een waarde verminderende post opgenomen ter grootte van 99% van het bedrag van de overige opties. Dit percentage heeft belanghebbende afgeleid uit de koerslijst van AutotelexPro, waarin een [merk 2] [type 2] als vergelijkbare auto is gekozen.

Aldus heeft belanghebbende feitelijk twee koerslijsten toegepast.

4.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat beide partijen de handelswaarde niet aannemelijk hebben gemaakt en heeft vervolgens de handelswaarde aan de hand van de koerslijst van Eurotaxglass’s in goede justitie vastgesteld op € 27.000. In hoger beroep verdedigt belanghebbende nog steeds de onder 4.1 genoemde methode. Ter ondersteuning van de stelling dat de afschrijving op de overige opties 99% bedraagt heeft belanghebbende voorts voor een twaalftal auto’s, afkomstig uit twaalf verschillende segmenten, koerslijstberekeningen van AutotelexPro overgelegd. Uit al deze berekeningen volgt dat de afschrijving op opties 99% bedraagt.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat belanghebbende diverse mogelijkheden heeft om de afschrijving van de auto te verdedigen. Belanghebbende kan kiezen voor een individuele taxatie van de auto, voor een waardebepaling aan de hand van een koerslijst, dan wel voor toepassing van de forfaitaire tabel. Belanghebbende heeft gekozen voor een combinatie van twee koerslijsten (Eurotaxglass’s en AutotelexPro). In de praktijk bestaan er diverse koerslijsten die in de branche worden aanvaard. Zowel de koerslijst van Eurotaxglass’s, als de koerslijst van AutotelexPro zijn algemeen aanvaarde koerslijsten. De koerslijsten hebben echter elk hun eigen waarderingssysteem, waarbij sommige waardebepalende factoren expliciet worden benoemd en andere niet. Dit laatste sluit echter niet uit dat die factoren wel in de respectievelijke koerslijsten zijn verwerkt. Indien een belastingplichtige wil afwijken van een door hem gehanteerde koerslijst, zal hij bewijs moeten leveren in hoeverre in het concrete geval de waarde van de auto afwijkt van de waarde die volgt uit de toegepaste koerslijst. Dit zou bijvoorbeeld – doch niet noodzakelijkerwijs – kunnen plaatsvinden aan de hand van een taxatie van de auto. Gelet op de verschillende wijze van totstandkoming van de koerslijsten kan naar het oordeel van het Hof niet voor de berekening van de handelswaarde van de auto met twee opties de ene koerslijst worden gehanteerd (Eurotaxglass’s) en voor de berekening van de restwaarde van de overige opties een andere koerslijst (AutotelexPro).

4.4.

Daar komt bij dat, zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, de waarde van de opties van een [merk 1] niet kan worden bepaald aan de hand van de koerslijst van een ander automerk, ook al is dat een merk in een vergelijkbare prijsklasse. Hetzelfde heeft te gelden voor de in hoger beroep overgelegde koerslijstberekeningen van twaalf andere auto’s.

4.5.

Vaststaat echter dat er in het onderhavige geval geen koerslijst voorhanden is waarin de auto volledig is gedefinieerd. Ook de methode waarbij de overige opties onder de post “waarde/prijs overig” in de koerslijst van Eurotaxglass’s worden opgevoerd, zoals de Inspecteur bij de berekening van de naheffingsaanslag heeft gedaan, acht het Hof niet bruikbaar, nu er in dat geval in het geheel niet wordt afgeschreven op de overige opties. In navolging van de Rechtbank acht het Hof niet aannemelijk dat de overige opties in het geheel geen waardevermindering hebben ondergaan.

4.6.

De Rechtbank heeft vervolgens de handelswaarde aan de hand van de koerslijst van Eurotaxglass’s in goede justitie vastgesteld op € 27.000. Naar het oordeel van het Hof stelt belanghebbende in hoger beroep terecht dat deze waardevaststelling door de Rechtbank een te hoge restwaarde van de overige opties impliceert. Voor het geval het Hof de in 4.1 beschreven methode niet zou volgen, stelt belanghebbende dat de afschrijving op de overige opties 93,34% bedraagt; zij sluit hiermee aan bij het afschrijvingspercentage op de in de koerslijst wél gedefinieerde opties. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof gesteld het niet aannemelijk te achten dat alle opties in dezelfde mate afschrijven, maar heeft deze stelling verder niet onderbouwd. Het Hof ziet onvoldoende reden om af te wijken van de afschrijving op de in de koerslijst wél gedefinieerde opties.

4.7.

Voor dat geval is niet in geschil dat de door belanghebbende in haar hogerberoepschrift opgenomen berekening, resulterend in een handelswaarde van € 25.694 en een verschuldigde BPM van € 6.019, kan worden gevolgd. Nu de aldus berekende BPM lager is dan de verschuldigde BPM uitgaande van de forfaitaire afschrijvingstabel, waar belanghebbende zich alsnog op mag beroepen (zie onder 3.1), stelt het Hof de verschuldigde BPM vast op € 6.019. De naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 6.019 -/- € 5.677 is € 342.

Vraag II: Het gewicht van de zaak

4.8.

Dit geschilpunt zal het Hof hierna behandelen onder 4.12 en volgende.

Overig: de beschikking belastingrente

4.9.

Belanghebbende heeft geen zelfstandige grieven aangevoerd tegen de beschikking belastingrente. Nu de naheffingsaanslag wordt verminderd, dient de beschikking belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 497 te vergoeden. De beslissing van de Rechtbank dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan haar vergoedt, zal het Hof in stand laten, nu het Hof de uitspraak op bezwaar eveneens vernietigt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Nu de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank de vergoeding voor de kosten van het bezwaar en de proceskosten in eerste aanleg tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. De Rechtbank heeft de factor gewicht van de zaak naar het oordeel van het Hof terecht op 1 gesteld.

4.14.

Ook voor de procedure in hoger beroep ziet het Hof geen reden voor een hogere factor gewicht van de zaak dan 1. Het Hof stelt de te vergoeden kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 992. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van de directeur van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting bij het Hof, door belanghebbende berekend op € 263. De Inspecteur heeft zich ter zitting akkoord verklaard met dit bedrag. Het Hof acht dit bedrag redelijk en in overeenstemming met het Besluit. De voor de behandeling van het hoger beroep te vergoeden proceskosten bedragen aldus € 992 plus € 263, is € 1.255.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 342;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 497 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.255.

Aldus gedaan op 10 juni 2016 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, J. Swinkels en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.