Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2331

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
15/00748
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2960, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een personenauto ingevoerd en heeft ter zake van de registratie aangifte gedaan van de op grond van de Wet BPM verschuldigde belasting. Belanghebbende heeft de handelswaarde van de auto berekend aan de hand van de koerslijstwaarde van AutotelexPro. In geschil is of belanghebbende op deze koerslijstwaarde een correcties mag toepassen vanwege BTW/marge en vanwege parallelimport. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat in de koerslijst geen marge-auto’s en parallel geïmporteerde auto’s zijn opgenomen. De door belanghebbende verdedigde correcties op de koerslijst mogen niet worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2438
V-N 2016/66.24.1
NTFR 2016/2994 met annotatie van mr. J. Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00748

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 april 2015, nummer AWB 12/4964, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde op aangifte voldane belasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 26 oktober 2011 aangifte gedaan van de door haar ter zake van de registratie van een personenauto op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) verschuldigde belasting. Het betreft een personenauto van het merk [merk 1] , [type] , identificatienummer [nummer 1] (hierna: de auto). Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 1.669. Belanghebbende heeft dit bedrag op 28 oktober 2011 op aangifte voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft met dagtekening 23 november 2011, bij de Inspecteur op 24 november 2011 ingekomen, bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. Bij brieven van 14 december 2011 en 28 maart 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht de gronden van het bezwaar in te dienen. Bij brief van 3 september 2012 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar aangevuld. Bij uitspraak van 5 september 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van bezwaar.

1.3.

Belanghebbende is van de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 310.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, een teruggaaf BPM verleend van € 384, de Inspecteur gelast rente te vergoeden over de teruggaaf vanaf 29 oktober 2011, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 500 en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 310 aan haar te vergoeden.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 497.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 25 maart 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , directeur van belanghebbende, en de heer [B] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] , [D] en [E] .

1.6.

Belanghebbende heeft voor de zitting, bij het Hof ingekomen op respectievelijk 15 en 16 maart 2016, nadere stukken met diverse bijlagen toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij.

1.7.

Belanghebbende heeft te dezer zitting twee pleitnota’s voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota met een bijlage voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Belanghebbende heeft ter zitting een brief overgelegd van 6 mei 2011 bestaande uit twee bladzijden met veel bijlagen. Het Hof heeft dit stuk als zijnde tardief ter zijde gesteld. De motivering van deze beslissing volgt hierna onder 4.1 en 4.2.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft op 26 oktober 2011 aangifte gedaan van de door haar ter zake van de registratie van de auto op grond van de Wet BPM verschuldigde belasting. Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 1.669.

Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende de handelswaarde van de auto berekend aan de hand van de koerslijstwaarde van AutotelexPro. Belanghebbende heeft de verschuldigde BPM van € 1.669 als volgt berekend:

Historische nieuwprijs

€ 57.900

Inkoopwaarde nieuw (12%-regeling)

€ 50.512

Inkoopwaarde volgens koerslijst

€ 5.775

Afschrijving

€ 44.737

Afschrijvingspercentage

88,57%

Historische BPM

€ 14.609

Afschrijving

€ 12.939

Verschuldigde BPM

€ 1.669

Belanghebbende heeft dit bedrag op 28 oktober 2011 op aangifte voldaan.

2.2.

De Rechtbank heeft de verschuldigde BPM vastgesteld op € 1.285.

2.3.

De tussentijdse bruto BPM bedraagt € 13.263.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Mag belanghebbende een correctie toepassen op de koerslijst van AutotelexPro vanwege enerzijds BTW/marge en anderzijds parallelimport?

2. Heeft belanghebbende recht op een hogere proceskostenvergoeding (bezwaar en beroep) dan het door de Rechtbank vastgestelde bedrag van € 500?

3. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen, kort samengevat, het volgende aangevoerd:

(Gemachtigde van) belanghebbende:

- Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding: ik wil een brief van 6 mei 2011 met bijlagen overleggen. Ik wil hiermee aantonen dat de Inspecteur reeds lang op de hoogte was van de bezwaren van belanghebbende. Het betreft een brief waarin alle algemene geschilpunten worden aangehaald. Bij de aangifte voeg ik altijd een blad waarbij ik dan naar deze brief verwijs.

- In de waarde van iedere auto zit een bedrag aan rest-BPM. De rest-BPM bij een parallel ingevoerde auto is lager dan bij reguliere import. Bij export krijg je dan ook minder terug. Als je een auto uitvoert zie je pas het verschil in BPM. Een handelaar zal daar dus altijd rekening mee houden.

- Wij hebben geen gebruik gemaakt van de koerslijst van XRAY, die verschillende waarden aangaf voor de officiële import en parallelimport, omdat er discussies over die koerslijst gaande waren, hetgeen vaak tot naheffingen leidde.
- In de pleitnota zijn percentages en bedragen verwisseld: primair stellen wij ons op het standpunt dat in de AutotelexPro koerslijst géén parallelimport is verwerkt. Indien het Hof ons daarin volgt, dient de handelsinkoopwaarde te worden verminderd met € 355, zijnde het verschil in BPM dat rust op de restwaarde van een officieel ingevoerde auto en de BPM die rust op de restwaarde van een parallel ingevoerde auto.
Subsidiair is ons standpunt dat de koerslijst vervuild is, dus opgesteld is uitgaande van beide soorten import, zodat voor parallelimport nog een correctie op de handelswaarde moet worden toegepast van € 300.

- In eerdere procedures is wegens parallelimport een correctie van 5% verdedigd, maar dat was op basis van XRAY. Om te voorkomen dat uw Hof zal oordelen dat de factor van de ene koerslijst niet mag worden toegepast op een andere koerslijst, hebben wij het nu met concrete cijfers onderbouwd.

- De ingediende stukken betreffen lijsten van alle voertuigen, die als referentievoertuig aan te merken zijn. Als het een gangbaar type is, waar veel van is verkocht, dan heb ik een periode van bijvoorbeeld 2 maanden genomen voor de data eerste toelating. Wordt van een bepaald type weinig verkocht dan heb ik de periode wat ruimer gesteld.

- Met de lijsten toon ik het aandeel parallelimport en het aandeel reguliere import aan.

- Met de informele oplossing, die de Inspecteur voorstelt in zijn pleitnota, aangaande de onterechte niet-ontvankelijkverklaring, kan ik niet akkoord gaan. Ik wil dienaangaande geen procesrisico lopen.

- Het Hof wijst mij er op dat de auto ten tijde van de aangifte 8,5 jaar oud was en dat ik voor de correctie BTW/marge uitga van 8% terwijl uit mijn onderzoek volgt dat het percentage al na drie jaar terug loopt. Inderdaad moet worden uitgegaan van een afglijdende schaal. In deze zaak verdedig ik daarom een correctie van 2% voor het punt BTW/marge, in plaats van 8%.

Inspecteur:

- Ik maak bezwaar tegen inbreng als gedingstuk van de brief van 6 mei 2011 met bijlagen. Belanghebbende heeft mij die brief indertijd gestuurd, maar deze ligt sindsdien onaangeroerd in de kast. Ik accepteer de door belanghebbende gehanteerde wijze van motiveren van bezwaar niet en heb dat ook steeds kenbaar gemaakt naar belanghebbende. Belanghebbende dient zijn bezwaarschriften op de normale wijze te motiveren en niet door te verwijzen naar (delen van) een algemene brief. Ik ken de precieze inhoud van de brief met bijlagen derhalve niet.

- In de bijlage bij mijn pleitnota heb ik per abuis de kolommen voor parallelimport en reguliere import verwisseld.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank; tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar; tot vaststelling van de verschuldigde BPM overeenkomstig de door belanghebbende ingenomen standpunten; tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit); en tot een vergoeding wegens immateriële schade van € 500.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

Belanghebbende heeft ter zitting een brief overgelegd van 6 mei 2011 bestaande uit twee bladzijden met veel bijlagen. De Inspecteur heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van dit stuk. Hij heeft tevens aangegeven dat hoewel deze brief aan hem is geadresseerd, hij geen kennis heeft genomen van de inhoud van deze brief met bijlagen. Belanghebbende heeft destijds deze brief gestuurd teneinde een overzicht te geven van alle mogelijke bezwaren in het kader van de heffing van BPM. Vervolgens was het doel van belanghebbende om bij toekomstige aangiften te verwijzen naar deze algemene brief. De Inspecteur heeft steevast het standpunt ingenomen dat deze werkwijze voor hem niet acceptabel was en dat per individueel geval aangegeven moest worden welke bezwaren tegen de heffing van BPM bestonden. Hij heeft de brief vervolgens ter zijde gelegd en niet in behandeling genomen.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij met deze brief wil aantonen dat de Inspecteur reeds lang op de hoogte was van de bezwaren van belanghebbende en dat dit gevolgen heeft voor haar standpunt inzake de toekenning van een immateriële schadevergoeding.

4.2.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad deze brief, die zij reeds lang in haar bezit heeft, eerder in het geding te brengen. Door dit pas ter zitting van het Hof te doen, overvalt zij de wederpartij. Het Hof acht aannemelijk dat de wederpartij – mede gelet op de omvang van het stuk – niet in staat is ter zitting adequaat te reageren op dit stuk. Het aanhouden van de zaak om de Inspecteur de gelegenheid te geven schriftelijk op dit stuk te reageren, brengt naar het oordeel van het Hof een niet te rechtvaardigen vertraging van de procesgang mee. Het Hof heeft daarom dit stuk als zijnde tardief ter zijde gesteld.

Ten aanzien van het geschil

Geschilpunt 1: correcties op de koerslijst

4.3.

Het Hof stelt voorop dat belanghebbende diverse mogelijkheden heeft om de afschrijving van de auto te verdedigen. Belanghebbende kan kiezen voor een taxatie van de auto, een waardebepaling aan de hand van een koerslijst dan wel toepassing van de forfaitaire tabel als bedoeld in artikel 8, lid 6, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

4.4.

In de praktijk bestaan er diverse koerslijsten die in de branche worden aanvaard. Zo zijn bijvoorbeeld de koerslijsten XRAY en AutotelexPro algemeen aanvaarde koerslijsten, die ook door de Belastingdienst worden geaccepteerd. De verschillende koerslijsten hebben elk hun eigen waarderingssysteem, waarbij sommige waardebepalende factoren expliciet worden benoemd en andere niet. Dit laatste sluit echter niet uit dat die factoren wel in de koerslijsten zijn verwerkt. Indien een belastingplichtige wil afwijken van een door hem gehanteerde koerslijst, zal hij bewijs moeten leveren in hoeverre in het concrete geval de waarde van de auto afwijkt van de waarde die volgt uit de toegepaste koerslijst. Dit zou bijvoorbeeld – doch niet noodzakelijkerwijs – kunnen plaatsvinden aan de hand van een taxatie van de auto.

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op de conform de koerslijst van AutotelexPro vastgestelde handelsinkoopwaarde van de auto van € 5.775 twee correcties moeten worden toegepast. Enerzijds een correctie in verband met het feit dat in die koerslijst slechts BTW-auto’s zijn opgenomen, terwijl uitgegaan moet worden van margeauto’s. Belanghebbende heeft deze correctie uiteindelijk gesteld op 2%. Anderzijds dient er volgens belanghebbende een correctie plaats te vinden vanwege het feit dat de koerslijst is gebaseerd op officieel geïmporteerde auto’s en dus geen rekening houdt met de omstandigheid dat de auto parallel is geïmporteerd. Belanghebbende berekent deze correctie op € 335. In haar nader ingediende stukken, in haar pleitnota en ter zitting noemt belanghebbende een bedrag van € 355, maar gelet op de in het hogerberoepschrift opgenomen berekening is sprake van een kennelijke (tik)fout, hetgeen ook volgt uit de subsidiaire stelling van belanghebbende waarbij zij een vermindering van de handelsinkoopwaarde met € 300 verdedigt, te weten € 335 minus 10,20% daarvan (en dus niet € 355 minus 10,20% daarvan).

4.6.

De stelling dat de koerslijst van AutotelexPro slechts BTW-auto’s bevat en geen marge‑auto’s, onderbouwt belanghebbende aan de hand van een voorbeeld betreffende een [merk 2] . Belanghebbende laat aan de hand van de koerslijst XRAY, die wel een splitsing maakt tussen beide categorieën, zien dat er een verschil in de waarde bestaat tussen een BTW-auto type [merk 2] en een marge-auto van dat type, en verbindt daaraan vervolgens de conclusie, dat in de koerslijst van AutotelexPro uitsluitend BTW-auto’s zijn verwerkt, zodat op de laatstgenoemde koerslijst een correctie moet worden toegepast teneinde de waarde van een marge-auto vast te stellen.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met het door haar aangedragen voorbeeld niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het algemeen in de koerslijst van AutotelexPro geen marge-auto’s zijn verwerkt. Het Hof gaat er dan ook vanuit dat in de koerslijst van AutotelexPro beide categorieën auto’s zijn verwerkt. In dat geval past het niet om de verschillen op basis van de koerslijst XRAY toe te passen op de koerslijst AutotelexPro, aangezien dan – ten dele – dubbel met dit verschil rekening wordt gehouden. Immers, in de koerslijst AutotelexPro zit het effect op de waarde als gevolg van de lagere waarde van marge-auto verwerkt. Weliswaar zal dit effect op de waarde niet ten volle tot uitdrukking komen, aangezien de koerslijst mede is gebaseerd op BTW-auto’s, maar het exacte effect kan niet worden vastgesteld. In dat geval resteert voor de belastingplichtige niets anders dan ofwel te kiezen voor een koerslijst waarin uitsluitend marge-auto’s zijn opgenomen, ofwel te kiezen voor een taxatie van de auto.

4.7.

De stelling dat de koerslijst van AutotelexPro slechts officieel geïmporteerde auto’s omvat, baseert belanghebbende in de eerste plaats op de tekst van die koerslijst, waaruit blijkt dat de koerslijst uitgaat van:

“een voertuig welke in goede staat verkeert, roest- en schadevrij, profieldiepte banden +/- 50%. De auto moet een APK-keuring kunnen doorstaan. Op deze printversie (…) is de basis Handelswaarde gecorrigeerd op kilometers en op opties als opgegeven, overige correcties zijn niet toegepast.”

Belanghebbende stelt dat uit de geciteerde tekst blijkt dat de koerslijst AutotelexPro uitsluitend uitgaat van het waardeverloop van officieel ingevoerde auto’s, dat wil zeggen auto’s, die in Nederland door de officiële dealer nieuw zijn geleverd en voor het eerst in Nederland zijn geregistreerd.

4.8.

Anders dan belanghebbende kan het Hof uit de geciteerde tekst niet de conclusie trekken die belanghebbende daaraan verbindt. Uit niets blijkt dat de koerslijst van AutotelexPro tot stand is gekomen uitgaande van de verkopen van uitsluitend de officieel ingevoerde, nieuwe voertuigen. Dat in die koerslijst “overige correcties” niet zijn toegepast zegt niets over de noodzaak om een correctie toe te passen op parallel geïmporteerde auto’s.

4.9.

Ook de overige door belanghebbende overgelegde stukken rechtvaardigen de door belanghebbende getrokken conclusie niet. Voor zover belanghebbende ter onderbouwing van haar standpunt, dat de parallel geïmporteerde auto’s een lagere waarde hebben dan vergelijkbare officieel geïmporteerde auto’s, verwijst naar door haar aangedragen rekenvoorbeelden, waaruit een verschil in teruggaaf van BPM bij export van parallel en officieel geïmporteerde auto’s moet blijken (pag. 3 en 4 hoger beroepschrift), kan haar dat niet baten. De teruggaaf bij export is begrensd door het bedrag aan BPM, dat geheven is bij import, welk laatstgenoemde bedrag vanwege de afschrijving bij een gebruikte geïmporteerde auto nu eenmaal lager is dan het bedrag aan BPM dat geheven is bij import van een nieuwe auto, omdat de gebruikte auto bij import reeds gedeeltelijk was afgeschreven en de nieuwe niet. Vanwege de degressieve afschrijving wordt het verschil in de tijd ingelopen. Omdat belanghebbende echter in zijn rekenvoorbeeld voor de parallel geïmporteerd gebruikte auto een lagere koerswaarde gebruikt, ontstaat er een verschil in terug te geven BPM. Die lagere waarde is echter juist de grootheid die in geschil is en voor die lagere waarde heeft belanghebbende geen objectief te meten gegevens aangedragen. Ook de - algemene, niet concreet onderbouwde - stelling van belanghebbende als zouden de parallel geïmporteerde auto’s doorgaans schade auto’s zijn, met “teruggedraaide tellers” en andere “onzekere factoren”, rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof niet een door belanghebbende in dit geval verdedigde en door de Inspecteur betwiste aftrekpost van € 335 op de AutotelexPro koerslijst. Dat sprake zou zijn van malversaties met betrekking tot de onderhavige auto is gesteld noch gebleken. Belanghebbende heeft derhalve naar het oordeel van het Hof haar stelling, dat een correctie moet worden toegepast op de koerslijst AutotelexPro, niet aannemelijk gemaakt. In dit verband verwijst het Hof ook naar de door belanghebbende op 16 maart 2016 ingebrachte “Bijlage Federatie Taxateurs”, waarin op pagina 4 wordt bevestigd, dat over een eventueel waardeverschil tussen parallel ingevoerde voertuigen en overige voertuigen in Nederland “in ieder geval nog niets (…) vast” ligt.

4.10.

Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de uit de koerslijst AutotelexPro volgende waarde. Belanghebbendes verwijzing naar de koerslijst van XRAY, die een onderscheid maakt tussen parallel geïmporteerde voertuigen en overige voertuigen, kan haar niet baten, nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van die koerslijst.

4.11.

Voor zover belanghebbende wijst op de jurisprudentie, waarin toegestaan is een correctie op de koerslijst te plegen wegens schade aan het desbetreffende voertuig, kan haar dat niet baten, nu vaststaat dat de koerslijsten uitgaan van schadevrije auto’s, zodat een correctie wegens een kwantificeerbare schade reëel is, terwijl in het hier aan de orde zijnde geval juist niet vaststaat dat er sprake is van een waardeverschil tussen een referentievoertuig, zoals dat opgenomen is in de toegepaste koerslijst, en de auto.

4.12.

Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het standpunt van belanghebbende, dat de koerslijst AutotelexPro geen rekening houdt met de parallelimport, heeft mutatis mutandis te gelden met betrekking tot belanghebbendes subsidiaire stelling, dat op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van AutotelexPro een correctie dient te worden toegepast van € 300, te weten € 335 minus 10,20% daarvan, omdat de koerslijst “vervuild is” met onjuiste referentievoertuigen, zijnde de officieel ingevoerde auto’s. Het percentage van 10,20% leidt belanghebbende af uit het door haar uitgevoerde onderzoek, waaruit blijkt dat van alle in Nederland te naam gestelde voertuigen van hetzelfde type als de onderhavige auto, met de datum van eerste toelating in (enkele maanden van) 2003, 10,20% parallel geïmporteerd zouden zijn. Belanghebbende bedoelt hiermee te stellen, naar het Hof verstaat, dat als de koerslijst van AutotelexPro uitgaat van álle in Nederland aanwezige voertuigen, de door de koerslijst aangegeven waarde moet worden gecorrigeerd, omdat de auto parallel geïmporteerd is en derhalve minder waard is dan een referentievoertuig. Nu, zoals hiervoor in 4.8 tot en met 4.11 is overwogen, niet gebleken is of en in hoeverre de parallel geïmporteerde auto’s een lagere handelswaarde kennen dan de via de officiële kanalen geïmporteerde, nieuwe, auto’s, is ook voor een dergelijke correctie geen plaats. Belanghebbendes subsidiaire stelling faalt.

4.13.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Inspecteur reeds akkoord is gegaan met een correctie op de koerslijst wegens parallelimport van 5%. In de conclusie van dupliek bij de Rechtbank is de Inspecteur aanvankelijk akkoord gegaan met een correctie van 5% op de inkoopwaarde. Ter zitting van de Rechtbank is de Inspecteur – zoals blijkt uit het proces‑verbaal van die zitting – op dit standpunt teruggekomen. Ook in hoger beroep heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op een korting van 5%.

Het Hof is van oordeel dat het de Inspecteur gedurende de procedure in beginsel vrijstond zijn standpunt te wijzigen. Dit zou pas anders zijn indien de beginselen van behoorlijk bestuur en de beginselen van de goede procesorde zich hiertegen verzetten. Het geschilpunt tussen partijen is gelegen in de handelsinkoopwaarde van de auto op het tijdstip van registratie van de auto. Dat geschilpunt was nog niet opgelost. Het stond partijen vrij de onderbouwing van hun standpunt over die waarde gedurende de procedure aan te passen, mits de tegenpartij – zoals ook is gebeurd in deze procedure in staat was hierop te reageren. Het Hof merkt nog op dat de Rechtbank ten onrechte in r.o. 2.4 heeft geoordeeld dat de teruggaaf van € 384 een gevolg is van het in aanmerking nemen van een waardevermindering van 5%. De teruggaaf van € 384 is een gevolg van het toepassen van de extra leeftijdskorting, zoals belanghebbende in haar pleitnota terecht constateert. De Inspecteur heeft overigens geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, zodat deze teruggaaf in stand blijft.

4.14.

Gelet op het hiervoor overwogene, dient de eerste in geschil zijnde vraag ontkennend te worden beantwoord.

Geschilpunt 2: vergoeding kosten bezwaar en beroep

4.15.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van het Besluit, zoals dat per 1 januari 2015 geldt. Strikte toepassing van het Besluit zou naar het oordeel van de Rechtbank een dermate lage vergoeding opleveren, dat dit zou leiden tot een beperking van de toegang tot de rechter. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit heeft de Rechtbank vervolgens een vergoeding vastgesteld van € 500 voor de kosten van bezwaar en beroep per gegrond beroep. Uitgaande van de tekst van het Besluit, zoals dat per 1 januari 2015 geldt, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden tot een dergelijke beslissing heeft kunnen komen. De Hoge Raad heeft echter in het arrest van 18 maart 2016, nr. 15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420, geoordeeld:

“Het tot de algemene rechtsbeginselen behorende rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden geëerbiedigd (zie HR 7 oktober 1992, nr. 26974, BNB 1993/4). Daaruit vloeit voort dat in een geval waarin een uitspraak op bezwaar of een rechterlijke uitspraak vóór 1 januari 2015 is bekendgemaakt, en de belanghebbende op grond van de toen geldende tekst van het Bpb [Hof: het Besluit] recht had op een bepaalde kostenvergoeding, hij niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren als gevolg van toepassing van het (overgangs)recht neergelegd in artikel II (tweede volzin) van het wijzigingsbesluit, dat voorschrijft dat bij vernietiging van die uitspraak op of na 1 januari 2015 de proceskostenvergoeding wordt toegekend op basis van het nieuwe Bpb. Leidt het overgangsrecht van artikel II (tweede volzin) van het wijzigingsbesluit - niet zijnde een wet in formele zin - wel tot een zodanige positieverslechtering, dan dient het buiten toepassing te blijven, en moet het vóór 1 januari 2015 geldende recht worden toegepast overeenkomstig de hoofdregel van de eerste volzin van artikel II van het wijzigingsbesluit.”

Aangezien de uitspraak op bezwaar is gedaan vóór 1 januari 2015, dient voor de vergoeding van de kosten van bezwaar ook getoetst te worden, welke vergoeding zou zijn toegekend op grond van het Besluit, zoals dat luidde vóór 1 januari 2015, en of de nieuwe tekst van het Besluit leidt tot een lagere vergoeding dan de oude tekst. Aangezien de Rechtbank één totaalvergoeding heeft toegekend voor de kosten van bezwaar en de kosten van beroep, kan niet worden vastgesteld welk deel van de door de Rechtbank toegekende vergoeding van € 500 betrekking heeft op de bezwaarfase. Voormelde toets kan derhalve niet worden aangelegd. Het Hof zal daarom opnieuw beoordelen welke vergoeding moet worden toegekend voor zowel de kosten van bezwaar als de kosten van beroep.

4.16.

Onder de oude tekst van het Besluit was voor de vraag of sprake was van samenhangende zaken van belang of bezwaarschriften gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig waren ingediend. De Inspecteur heeft niet gesteld dat daarvan hier sprake is. Reeds om die reden kan er voor de bezwaarfase geen sprake zijn van samenhangende zaken. Het Hof stelt de vergoeding van de kosten van bezwaar daarom vast op 1 (punt) x € 246 x 1 (gewicht van de zaak) = € 246.

4.17.

De vergoeding van de kosten van beroep moet worden beoordeeld aan de hand van de nieuwe tekst van het Besluit, zoals dat geldt per 1 januari 2015. Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat er sprake is van samenhangende zaken. Het Hof verwijst naar r.o. 3.5 van de uitspraak van de Rechtbank en maakt dit oordeel tot de zijne. Voor de beroepsfase leidt dit tot een vergoeding van 2,5 (punten voor beroepschrift, conclusie van repliek en bijwonen zitting) x € 496 x 1 (gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) = € 1.860. In beroep zijn negen zaken gelijktijdig behandeld en is sprake van nagenoeg identieke werkzaamheden. Dit leidt tot een vergoeding van € 207 per zaak. Het Hof is van oordeel dat hier geen sprake is van een dermate lage vergoeding dat de toegang tot de rechter wordt bemoeilijkt. Van bijzondere omstandigheden die nopen tot een afwijkende vergoeding is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

Per saldo heeft belanghebbende derhalve recht op een vergoeding van € 246 + € 207 = € 453.

Aangezien de Inspecteur tegen het oordeel van de Rechtbank, dat recht bestaat op een totale vergoeding van € 500, geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, laat het Hof de door de Rechtbank toegekende vergoeding in stand, nu die vergoeding hoger is dan hetgeen het Hof heeft berekend.

Geschilpunt 3: immateriële schadevergoeding

4.18.

Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep gesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, op grond waarvan recht bestaat op een immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad heeft in het arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, geoordeeld:

“Indien dat verzoek evenwel voor het eerst voor het hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij – in het licht van het hiervoor in 3.3.3 overwogene – de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (zie HR 12 december 2014, nr. 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43).”

4.19.

Het bezwaarschrift is bij de Inspecteur ingekomen op 24 november 2011. Het Hof doet uitspraak op 10 juni 2016. De totale verstreken termijn bedraagt derhalve vier jaar en bijna zeven maanden. De Inspecteur heeft na ontvangst van het pro forma bezwaarschrift bij brief van 14 december 2011 belanghebbende de gelegenheid geboden haar bezwaarschrift te motiveren vóór 25 januari 2012. Bij brief van 28 maart 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende nogmaals hieraan herinnerd. Het bezwaarschrift is pas gemotiveerd bij brief van 3 september 2012, ruim zeven maanden na de door de Inspecteur gestelde termijn. Het Hof is dan ook van oordeel dat de overschrijding van bijna zeven maanden van de termijn van vier jaar geheel is toe te rekenen aan belanghebbende.

Het Hof merkt hierbij nog op dat het schrijven van 25 oktober 2011 (kenmerk: [nummer 2] ), dat is gevoegd bij de aangifte, niet als een bezwaarschrift of als een motivering van het nog in te dienen bezwaarschrift kan worden beschouwd.

4.20.

Gelet op het vorenstaande verwerpt het Hof het verzoek om toekenning van een immateriële schadevergoeding.

Slotsom

4.21.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.22.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.23.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 juni 2016 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.