Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2323

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
15/00106 en 15/00107
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Gemeente heeft tweemaal leges geheven ter zake van de tweemaal (per post én digitaal) ingediende aanvraag voor hetzelfde bouwwerk. Naar het oordeel van het Hof is sprake van slechts één aanvraag. Voor de nota ter zake van de “tweede” aanvraag is geen plaats. Hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2420
Belastingblad 2016/524
V-N 2016/66.24.9
FutD 2016-2790
NTFR 2016/2921 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00106 en 15/00107

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 21 januari 2015, nummers AWB 14/3037 en AWB 14/3579, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Maasgouw,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de aan belanghebbende opgelegde nota’s leges voor de aanvraag van een omgevingsvergunning, notanummers [nummer 1] en [nummer 2] .

Onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 september 2015 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [A] . Belanghebbende is met voorafgaande kennisgeving daarvan niet verschenen.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 27 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch.

Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [A] . Belanghebbende is, zoals hij vooraf bij faxbericht van 16 mei 2016 heeft aangekondigd, niet verschenen.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 10 juni 2016, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar van 29 september 2014;

- vernietigt de nota leges met nummer [nummer 2] ;

- bevestigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar van 6 oktober 2014; en

- gelast dat de gemeente Maasgouw aan belanghebbende het door hem ter zake van de

behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde

griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 168 vergoedt.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

2. De gemeenteraad van de gemeente Maasgouw heeft in zijn openbare vergadering van 20 december 2012 de Verordening op de heffing en de invordering van leges Maasgouw 2013 met bijbehorende Tarieventabel (hierna: de Legesverordening en Tarieventabel) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Legesverordening op de wettelijk voorgeschreven wijze in december 2012 bekendgemaakt in een huis-aan-huisblad. De tekst van de Legesverordening behoort in kopie tot de stukken van het geding.

3. Voor zover hier van belang luidt de Legesverordening als volgt:

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor:
a. het genot door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
b. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet;
een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

(...)

Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven

De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. (…)”

4. In de Tarieventabel is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Titel 2
(…)
Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

2.3

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd.

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief:

2.3.1.1.1 Indien de bouwkosten minder dan € 2.200 bedragen: € 111,00
(…)

Hoofdstuk 5 Teruggaaf

2.5.3

Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten

2.5.3.1 Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 of 2.3.7 weigert, bestaat geen aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges.”

5. Belanghebbende heeft op 5 december 2013 schriftelijk een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een gaashekwerk op de locatie [a-straat] 30 te [woonplaats] (hierna: het gaashekwerk). Op het aanvraagformulier heeft belanghebbende aangegeven dat de bouwkosten circa € 600 bedragen. Bij de aanvraag heeft belanghebbende gevoegd diverse kleurenfoto’s, lijst van de te gebruiken materialen, tekeningen “Bestaande situatie” en “Nieuwe situatie”. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief van 29 januari 2014 (verzonden 30 januari 2014) verzocht om vóór 12 maart 2014 aanvullende gegevens in te dienen; ter zitting van het Hof heeft de Heffingsambtenaar verklaard dat het verzoek gedaan is omdat de overgelegde tekeningen niet voldeden aan de ministeriele voorschriften. Desgevraagd kon de Heffingsambtenaar echter niet aangeven, welke manco’s aan de reeds overgelegde tekeningen kleefden.
De aanvraag is bij brief van 14 maart 2014 (verzonden op 19 maart 2014) buiten behandeling gesteld met de volgende motivering:


“Omdat uw aanvraag volgens ons oordeel nog steeds niet voldoet aan de voorschriften voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, besluiten wij op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, om uw aanvraag niet in behandeling te nemen. (,,,) Voor het in behandeling nemen van een aanvraag (…) bent u een bedrag van euro 111,- aan leges verschuldigd. (…)”

Ter zake van de aanvraag is aan belanghebbende met dagtekening 26 augustus 2014 een legesbedrag van € 111 (notanummer [nummer 1] ) in rekening gebracht. Het door belanghebbende tegen deze nota gemaakte bezwaar is bij uitspraak van 6 oktober 2014 (verzonden op 9 oktober 2014) ongegrond verklaard.

6. Op 5 februari 2014 heeft belanghebbende andermaal, nu via de elektronische weg, een formulier “Aanvraaggegevens Ingediende aanvraag/melding” voor het gaashekwerk ingediend. Op het aanvraagformulier heeft belanghebbende aangegeven dat alle benodigde bijlagen reeds bij de gemeente zijn.

De gevraagde omgevingsvergunning is belanghebbende van rechtswege verleend. Ter zake van de aanvraag is aan belanghebbende met dagtekening 12 augustus 2014 een legesbedrag van € 201,70 (notanummer [nummer 2] ) in rekening gebracht. Het door belanghebbende tegen deze nota gemaakte bezwaar is bij uitspraak van 29 september 2014 (verzonden op
1 oktober 2014) ongegrond verklaard.

7. Het belastbare feit voor de heffing van leges is ingevolge de Legesverordening (artikel 2, aanhef en letter a) en de bijbehorende Tarieventabel (artikel 2.1 in samenhang met artikel 2.3.1.1.1): het in behandeling nemen van de aanvraag voor de omgevingsvergunning.

Vaststaat, dat de aanvraag voor het plaatsen van het gaashekwerk, ingediend op 5 december 2013, reeds voorzien was van diverse bijlagen, waaronder tekeningen van de bestaande en nieuwe situatie en foto’s. Ter zitting van het Hof heeft de Heffingsambtenaar desgevraagd ook verklaard dat deze bijlagen, die als bijlage 7 bij het verweerschrift bij de Rechtbank tot de stukken van het geding behoren, reeds bij de aanvraag van 5 december 2013 waren gevoegd. De Heffingsambtenaar heeft verklaard, dat de tekeningen niet voldeden aan de ministeriele voorschriften doch kon desgevraagd niet aangeven, welke manco’s aan de ingediende tekeningen kleven.

8. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met het op 5 februari 2014 digitaal ingezonden formulier niet opnieuw een aanvraag heeft ingediend, doch slechts binnen de gestelde termijn van 12 maart 2014 reageerde op het verzoek van de Heffingsambtenaar van 29 januari 2014 om zijn aanvraag van 5 december 2013 aan te vullen. Zoals hiervoor onder 7 vermeld, had belanghebbende bij de aanvraag van 5 december 2013 al de verzochte bijlagen overgelegd. Gelet op het vorenstaande had de Heffingsambtenaar slechts éénmaal leges in rekening mogen brengen ter zake van de aanvraag van 5 december 2013. Ter zake van deze aanvraag, die eerst bij brief van 14 maart 2014 buiten behandeling is gesteld, derhalve nadat belanghebbende gereageerd heeft op het verzoek van 29 januari 2014, is belanghebbende met dagtekening 26 augustus 2014 een legesbedrag van € 111 (notanummer [nummer 1] ) in rekening gebracht. Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar ten onrechte ter zake van de aanvraag voor één en hetzelfde bouwwerk tweemaal leges in rekening gebracht. Voor de nota met nummer [nummer 2] ter zake van de “tweede” aanvraag van 5 februari 2014 was naar het oordeel van het Hof geen plaats.

9. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Heffingsambtenaar van 29 september 2014 en de nota leges met nummer [nummer 2] dienen te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

10. Aangezien de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45, respectievelijk € 123, in totaal € 168, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

11. Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door J. Swinkels, voorzitter, T.A. Gladpootjes en H.J. Cosijn, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 10 juni 2016.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.