Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2321

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
200 157 819_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie verlenging twaalfjaarstermijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2016/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 juni 2016

Zaaknummer: 200.157.819/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/180111 / FA RK 13-802

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.C.M. Smit,

tegen

[de weduwe] ,

weduwe van [de man],

wonende te [woonplaats]

, in haar hoedanigheid van executeur testamentair van de nalatenschap van [de man] ,

verweerster,

hierna te noemen: de weduwe, dan wel in voorkomend geval: de man,

advocaat: mr. J.H.M. Daniëls.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de termijn waarin de man een bijdrage aan ex-partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen, verlengd wordt, althans dat de man met ingang van 19 januari 2013, althans de datum van indiening van het beroepschrift, althans een datum die het hof juist acht, aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van € 2.247,84 netto per maand tot 2 december 2014 en vanaf 3 december 2014 tot de dag waarop de man een AOW-uitkering ontvangt een bedrag van € 2.547,84 netto per maand althans een bijdrage en voor een termijn die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 december 2014, heeft de man verzocht primair de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dit te ontzeggen, zulks onder bekrachtiging van de bestreden beschikking, subsidiair voor het geval het hof van oordeel is dat het verzoek van de vrouw om verlenging van de 12-jaarstermijn voor toewijzing in aanmerking komt, een slechts uiterst korte verlenging van de termijn toe te staan alsook te bepalen dat bij ommekomst van deze uiterst korte verlenging de termijn niet nogmaals kan worden verlengd, een en ander met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

2.3.

De man is op 22 mei 2015 overleden. Bij akte uitlaten d.d. 8 juli 2015 heeft de weduwe het hof verzocht de procedure voort te zetten in het stadium waarin deze zich bevindt.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Smit;

  • -

    de weduwe, bijgestaan door mr. Stevens waarnemend voor mr. Daniëls.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 18 december 2013;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de weduwe d.d. 7 september 2015;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de weduwe d.d. 24 september 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 26 februari 2016;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de vrouw overgelegde pleitnotities;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de weduwe overgelegde pleitaantekeningen.

2.5.1.

Het hof heeft na de mondelinge behandeling kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de weduwe d.d. 2 mei 2016;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 3 mei 2016.

3 De beoordeling

3.1.

De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geen thans nog minderjarige kinderen geboren.

3.2.

Bij beschikking van 6 april 2000 heeft de rechtbank Maastricht tussen de vrouw en de man de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 19 januari 2001 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw moet voldoen een bedrag van

fl. 2.500,- per maand.

3.3.

Bij beschikking van 9 juni 2004 heeft de rechtbank deze bijdrage nader bepaald op

€ 1.100 per maand.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatietermijn afgewezen.

3.5.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vrouw voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, samengevat, het volgende aan.

Het eigen inkomen van de vrouw is rond bijstandsniveau. Met het wegvallen van de alimentatiebijdrage ad € 1.289,88 is het voor de vrouw beschikbare inkomen gehalveerd. Bij de vrouw is sprake van uitzonderlijke, exceptionele omstandigheden, waardoor het redelijk en billijk is dat de alimentatieverplichting van de man (voor een beperkte periode) blijft bestaan. Deze omstandigheden bestaan erin dat tijdens het 25 jaar durend huwelijk van partijen een traditionele rolverdeling gold – de man verdiende het geld en de vrouw had de zorg voor de kinderen en het huishouden – waardoor de vrouw zich beroepsmatig nimmer heeft kunnen ontplooien, geen althans beperkte mogelijkheden heeft op de huidige arbeidsmarkt en geen althans beperkt pensioen heeft kunnen opbouwen. Op het moment van echtscheiding was de vrouw 50 jaar. Zij heeft altijd geprobeerd om werk te krijgen en te behouden, maar heeft de leeftijd of het opleidingsniveau (MMS) niet om meer inkomsten te genereren. Zij heeft alleen via uitzendbureau ’s parttime kunnen werken. De huwelijksgoederengemeenschap is nog niet verdeeld, de vrouw heeft geen vermogen of spaargelden. Door de handelswijze van de man door de jaren heen is de vrouw in financiële problemen geraakt en is zij gelden misgelopen, waardoor zij geen vermogen heeft kunnen opbouwen. Ook de in eigen beheer door de man opgebouwde pensioengelden moeten nog verdeeld worden. Mede door dit alles heeft de vrouw haar persoonlijke interesses en talenten, relevant voor haar positie op de arbeidsmarkt, niet verder kunnen ontwikkelen. Sinds de einddatum van de alimentatieverplichting heeft de vrouw noodgedwongen de tering naar de nering gezet.

3.7.

De man voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, samengevat, het volgende aan.

De vrouw heeft zich gedurende de 12-jaarstermijn niet voldoende ingespannen om bij ommekomst daarvan zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Ook heeft zij de volledige termijn niet benut, gelet op het feit dat de vrouw pas in 2005 is gaan werken terwijl partijen in 2001 zijn gescheiden. In de jaren na 2005 heeft zij uitsluitend parttime (niet meer dan 24 uur) via uitzendbureaus gewerkt. De vrouw heeft een opleiding op Hbo-niveau. Van haar mag verwacht worden dat zij streeft naar een volledige arbeidsweek van 40 uur. Uit niets blijkt dat de vrouw zich daarvoor ook maar enigszins heeft ingespannen.

De huwelijksgoederengemeenschap is nog niet verdeeld doordat de vrouw stug vasthoudt aan standpunten die geen enkele steun vinden in de inmiddels kracht van gewijsde hebbende uitspraken van de rechtbank en het hof. Per saldo is het in het kader van de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap aan de vrouw uit te keren bedrag van relatief beperkte omgang en daardoor niet of nauwelijks van invloed op de huidige financiële positie van de vrouw. Ook bij een beperkte vermogenspositie zijn er voor de vrouw voldoende mogelijkheden voor verdere scholing en ontwikkeling geweest. De vrouw heeft op geen enkele wijze aangetoond dat zij op het vlak van (bij)scholing alles heeft gedaan wat in haar vermogen lag.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

Op grond van artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand, indien de rechter niet eerder een (andere) termijn heeft vastgesteld. In het onderhavige geval heeft de rechter niet een (andere) termijn vastgesteld. Dit betekent dat in dit geval de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege is geëindigd op 19 januari 2013.

3.9.2.

Ingevolge artikel 1:157 lid 5, eerste volzin, BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn stellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.

3.9.3.

Het hof stelt vast dat het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieduur bij de rechtbank is ingekomen op 16 april 2013 en daarmee binnen de in artikel 1:157 lid 5 BW bedoelde termijn, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is.

Het hof stelt voorts vast dat de inkomensachteruitgang van de vrouw als gevolg van de beëindiging van de uitkering ingrijpend is. De vrouw ontving tot 19 januari 2013 naast inkomsten uit werk dan wel uitkering een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van de man van (geïndexeerd) € 1.289,88 bruto per maand. Thans ontvangt zij alleen nog een inkomen op bijstandsniveau.

3.9.4.

Blijkens de wetsgeschiedenis is het uitgangspunt van de wetgever dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De wetgever is voorts ervan uitgegaan dat de alimentatiegerechtigde in de periode van twaalf jaren in beginsel voldoende gelegenheid heeft om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud, ook wanneer dit moet gebeuren naast de zorg voor minderjarige kinderen uit het huwelijk, en dat dit ook in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Ingeval wordt verzocht om verlenging van de alimentatietermijn, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. In de parlementaire geschiedenis is het uitzonderingskarakter van deze verlengingsmogelijkheid benadrukt. Of er grond voor verlenging bestaat, zal moeten worden beoordeeld in het licht van de strekking van de regeling. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk en of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken (HR 19 december 2008, LJN BF3928).

3.9.5.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden niet van dien aard zijn dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie en dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.9.6.

Het hof gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Door de vrouw is onbetwist gesteld dat tijdens het bijna 25 jaar durende huwelijk van partijen sprake is geweest van een traditioneel rollenpatroon waarbij de man voor de inkomsten zorgde en de vrouw de zorg had voor de kinderen en het huishouden. Daarnaast, zo heeft zij onbetwist gesteld, verrichtte de vrouw boekhoudkundige en ondersteunende werkzaamheden in het bedrijf van partijen. Ten tijde van de echtscheiding was de vrouw 50 jaar oud en waren de drie kinderen van partijen 15,16 en 18 jaar oud. Het opleidingsniveau van de vrouw is MMS. Sinds de echtscheiding heeft de vrouw via uitzendbureaus hoofdzakelijk parttime (20 tot 24 uur) in voornamelijk administratieve functies gewerkt.

3.9.7.

Op het moment dat de echtscheiding een feit was wist, wist de vrouw althans had de vrouw behoren te weten, dat de onderhoudsverplichting na twaalf jaar zou eindigen.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat - mede gezien de betwisting zijdens de man en de zware stel- en bewijsplicht in deze aan de zijde van de vrouw - de vrouw niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de alimentatietermijn van 12 jaar alles in het werk heeft gesteld om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

Gezien de leeftijd van de kinderen ten tijde van de echtscheiding mocht van de vrouw verwacht worden dat zij alles in het werk zou stellen om een fulltime baan te vinden teneinde zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf het moment van de echtscheiding zulks heeft gedaan. De vrouw heeft niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het voor haar alleen mogelijk was om 20-25 uur per week te werken via een uitzendbureau. Het door de vrouw overgelegd overzicht van werkzaamheden, sollicitaties en studie alsmede de verder niet nader onderbouwde stelling van de vrouw dat gezien de inrichting van de arbeidsmarkt de mogelijkheid van een vaste baan of een meerurencontract er gewoonweg niet was, biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Verder is niet gebleken van feiten en omstandigheden aan de kant van de kinderen die zodanig bijzonder waren dat de vrouw bij het zoeken naar (uitbreiding van) werkzaamheden daardoor belemmerd is geweest. Voor zover de vrouw stelt dat haar leeftijd of haar opleidingsniveau belemmerende factoren zijn (geweest) voor het vinden van een fulltime baan, is het hof niet duidelijk geworden in welk opzicht die factoren een belemmering zijn geweest en wat de vrouw behalve een rechtenstudie (die naar zij stelt mede niet haalbaar was ten gevolge van de zorg voor de kinderen) en een enkele cursus gedaan althans gepoogd heeft te doen om die belemmeringen, zo ze er al waren, weg te nemen.

3.9.8.

Verder had het naar het oordeel van het hof op de weg van de vrouw gelegen om te anticiperen op de beëindiging van de alimentatie door gedurende de periode dat zij deze nog wel ontving te reserveren dan wel haar uitgavenpatroon af te stemmen op het inkomen dat zij zelfstandig, zonder alimentatie zou kunnen genereren. Feiten en omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat dit anders lag gedurende de periode dat zij alimentatie ontving zijn gesteld noch gebleken.

Hetgeen de vrouw overigens heeft aangevoerd, omtrent onder meer de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de financiële handelswijze van de man, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt het hof op dat de stelling van de man dat per saldo het in het kader van de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap aan de vrouw uit te keren bedrag van relatief beperkte omgang en daardoor niet of nauwelijks van invloed op de huidige financiële positie van de vrouw, door de vrouw niet althans onvoldoende is weersproken. Ook het feit dat de eventuele verdeling van de pensioenrechten nog niet is geregeld, doet aan het bovenstaande niet af.

3.10.

Nu de grieven van de vrouw niet opgaan dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

Proceskosten

3.11.

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

Het hof zal de proceskosten, als gebruikelijk in zaken als de onderhavige tussen gewezen echtgenoten, aldus compenseren dat ieder de eigen kosten van het geding draagt. Hetgeen door de man is aangevoerd is onvoldoende om daarvan af te wijken.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 juli 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis,

J.H.J.M. Mertens-Steeghs en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2016.