Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2310

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
200.186.451/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

incident ex artikel 234 Rv. In eerste aanleg geen kenbare beslissing van kantonrechter over uitvoerbaarverklaring bij voorraad, terwijl wel gevorderd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.186.451/01

arrest van 7 juni 2016

gewezen in het incident ex artikel 234 Rv in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. R.P.V.W. Willems te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. I.M. van Kuilenburg te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 januari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 december 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4049058/431 15-3267)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het exploot van anticipatie van [geïntimeerde] ;

  • -

    de incidentele memorie van [geïntimeerde] houdende een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad;

  • -

    de memorie van grieven, tevens antwoordconclusie in het incident, van [appellant] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter op vordering van [geïntimeerde] onder meer bepaald dat:

- [geïntimeerde] bij uitsluiting gerechtigd is tot het voortzetten van het huurrecht van de woning aan de [adres] te [plaats] ;

- [appellant] de woning vanaf vier weken na betekening van het vonnis niet meer mag betreden;

- [appellant] alle sleutels die hij in zijn bezit heeft aan [geïntimeerde] dient af te geven en verstaan dat [appellant] aan deze verplichting dient te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) dat de overtreding vanaf 14 werkdagen na betekening van dit vonnis voortduurt, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;

- [appellant] medewerking moet verlenen aan de tenaamstelling van de huurovereenkomst op naam van [geïntimeerde] ;

- de beslissing van de kantonrechter in de plaats zal treden van de toestemming van [appellant] tot tenaamstelling, mocht [appellant] weigeren hieraan medewerking te verlenen.

Het bestreden vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [geïntimeerde] had dit wel

gevorderd.

3.2.

De vordering in het incident strekt ertoe dat het bestreden vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. [geïntimeerde] stelt daartoe dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering gelet op het bijzondere belang dat zij heeft bij het verkrijgen van het huurrecht over de voormalige gezamenlijke woning van partijen vanwege de feitelijke en medische omstandigheden van haar en de bij haar inwonende dochter van partijen. Daar komt, aldus [geïntimeerde] , bij dat [appellant] nog steeds in de woning verblijft en haar geen toegang tot de woning geeft, terwijl de huurovereenkomst al wel door de verhuurder op haar naam is gezet, waardoor zij huurpenningen verschuldigd is en verantwoordelijk is voor de toestand van de woning.

3.3.

[appellant] betwist dat [geïntimeerde] een spoedeisend belang heeft bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bestreden vonnis. [appellant] wijst er in dat kader op dat [geïntimeerde] op 18 augustus 2014 het gehuurde heeft verlaten, pas twee maanden later een kort geding procedure start, na afwijzing van haar vordering in kort geding vervolgens weer vijf maanden wacht met het starten van de onderhavige bodemprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep weer zes weken wacht met het uitbrengen van een exploot van anticipatie.

3.4.

Het hof begrijpt dat de incidentele vordering van [geïntimeerde] met name betrekking heeft op de bepaling door de kantonrechter dat [geïntimeerde] uitsluitend gerechtigd is tot het gebruik van de voormalige gezamenlijke woning van partijen, dat [appellant] de woning vanaf vier weken na betekening van het vonnis niet meer mag betreden en dat hij alle sleutels die hij bezit op straffe van een dwangsom aan [geïntimeerde] dient af te geven. Zodanige beslissingen lenen zich in beginsel tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

[geïntimeerde] heeft in het onderhavige incident onweersproken gesteld dat de verhuurder de huurovereenkomst op haar naam heeft gezet, zodat aangenomen kan worden dat zij geen belang (meer) heeft bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis op dit punt.

3.5.

Bij de beoordeling van een incidentele vordering ex artikel 234 Rv heeft op grond van HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 het volgende te gelden.

i. De eiser in het incident zal belang moeten hebben bij de door hem gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is dat belang in beginsel gegeven. (Vgl. HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602 en HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169).

ii. Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist (onder meer HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996: ZC2215 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, rov. 3.2.3).

iii. Bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (vgl. onder meer HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0228, rov. 3.3 slot, en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012).

iv. Indien in vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, rov. 3.2.4).

v. Indien een dergelijke beslissing ontbreekt - hetzij doordat in vorige instantie geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gevorderd, hetzij doordat de rechter in vorige instantie geen gemotiveerde beslissing op die vordering heeft gegeven - geldt de hiervoor onder iv vermelde eis niet en dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder i-iii vermelde.

3.6.

Aangezien in de onderhavige zaak wat betreft de – in dit incident gevorderde – uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de veroordeling geen sprake is van een kenbare beslissing van de vorige rechter en daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen (in eerste aanleg is een dergelijke vordering wel ingesteld maar heeft de kantonrechter hierop niet kenbaar beslist), spelen de onder iv van rov. 3.5 genoemde overwegingen van de Hoge Raad in deze zaak geen rol. Bij de beoordeling van de incidentele vordering van [geïntimeerde] zijn dus alleen de criteria i, ii, iii en v van belang. Anders gezegd: [geïntimeerde] hoeft ter onderbouwing van haar incidentele vordering geen nieuwe feiten en omstandigheden te stellen, maar wel feiten en omstandigheden die haar belang adstrueren en die een belangenafweging door het hof mogelijk maken.

3.7.

Op grond van het bestreden vonnis is voor het hof uitgangspunt dat [geïntimeerde] bij uitsluiting gerechtigd is tot het voortzetten van het huurrecht van de woning aan de [adres] te [plaats] . Aangezien [geïntimeerde] dit recht alleen kan uitoefenen, indien [appellant] de woning verlaat en vast staat dat dit nog altijd niet het geval is, kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] het vereiste belang heeft bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft immers in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem toekomt.

3.8.

[appellant] heeft tegenover de door [geïntimeerde] aangevoerde belangen in het incident enkel betwist dat [geïntimeerde] een spoedeisend belang heeft. Hiervoor heeft het hof reeds vastgesteld dat [geïntimeerde] het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft. Voor het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een uitspraak is spoedeisendheid daarnaast geen afzonderlijk vereiste.

Tegenover de door [geïntimeerde] aangevoerde belangen heeft [appellant] voor het overige niets gesteld op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat het belang van [appellant] bij behoud van de bestaande situatie totdat daarover door het hof is beslist zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering zal worden toegewezen. Omdat de onderhavige zaak een geschil tussen voormalige levenspartners betreft, zullen de kosten van dit incident op na te melden wijze worden gecompenseerd.

In de hoofdzaak

3.10.

De zaak is door de rolraadsheer naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

verklaart het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 december 2015 alsnog uitvoerbaar bij voorraad voor zover daarin is bepaald dat [geïntimeerde] bij uitsluiting gerechtigd is tot het voortzetten van het huurrecht van de woning aan de [adres] te [plaats] , dat [appellant] de woning vanaf vier weken na betekening van het vonnis niet meer mag betreden en dat [appellant] alle sleutels die hij zijn bezit heeft aan [geïntimeerde] dient af te geven op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) dat de overtreding vanaf 14 werkdagen na betekening van het vonnis voortduurt, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak:

verstaat dat de zaak naar de rol is verwezen voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2016.

griffier rolraadsheer