Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2307

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
200.183.014_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:7479
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

opheffing conservatoir beslag; beslagsyllabus; art. 705 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 705
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.183.014/01

arrest van 7 juni 2016

in de zaak van

[appellante] , h.o.d.n. Zebra Line Decoration,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] (en ook als: de dochter),

advocaat: mr. N.J.P. Vanaken te Helmond,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] (Turkije),

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A. Kara te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 december 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 november 2015, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/300226/KG ZA 15-672)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellante] waarin bezwaar is gemaakt tegen het houden van een pleidooi;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] met daarin de reactie op dit bezwaar;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) [appellante] voert een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam Zebra Line Decoration (hierna: Zebra Line). In het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: uittreksel KvK; prod. 1 inl. dagv.) staat het volgende vermeld:

“startdatum onderneming 21-04-2015

[…]

Bezoekadres [adres 1] , [postcode 1] [plaats]

[…]

Datum vestiging 28-01-2013

De huidige eigenaar drijft de

vestiging sinds 18-05-2015 (datum registratie: 18-05-2015)

Activiteiten: […] vervaardiging van geconfectioneerde artikelen van textiel (geen kleding)/het vervaardigen van vitrage en aanverwante artikelen […]”

b) Een neef van [appellante] , [neef van appellante] , is op 1 juni 2015 met een contract voor bepaalde tijd bij Zebra Line in dienst getreden in de functie van allround medewerker (prod. 9 inl. dagv). Zolang [appellante] nog naar school gaat, drijft haar neef feitelijk de onderneming. Voordat [neef van appellante] in dienst trad bij Zebra Line was hij werknemer bij de hierna te noemen vennootschap onder firma Zebra Class Decoration. Deze arbeidsovereenkomst heeft [neef van appellante] bij brief van 10 april 2015 (prod. 12 in eerste aanleg van de zijde van [geïntimeerde] ) opgezegd.

c) [appellante] is de dochter van [de moeder van appellante] (hierna: de moeder).

d) De moeder heeft tot 8 januari 2014 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak gevoerd onder de naam Zebra Class Decoration (hierna: Zebra Class). Op 8 januari 2014 is de onderneming voortgezet in een vennootschap onder firma eveneens met de naam Zebra Class Decoration (hierna: de vof), gevestigd aan de [adres 2] te [plaats] (hierna ook: [adres 2] ). De vennoten van de vof zijn de moeder en [geïntimeerde] , die in Turkije woont en werkt. [geïntimeerde] en de moeder hebben op 8 januari 2014 een overeenkomst ondertekend genaamd: ‘Vennootschap Onder Firma Zebra Class Decoration’ (hierna: de vennootschapsovereenkomst; prod. 1 mva). In artikel 3 van de vennootschapsovereenkomst staat dat door de moeder de eigendom van haar tot 8 april 2014 voor haar rekening gedreven onderneming is ingebracht in de vof.

e) In het uittreksel KvK van de vof met KvK-nummer [KvK-nummer] (prod. 2 mva) staat onder meer:

“Datum oprichting 08-01-2014

[…]

Startdatum onderneming 28-01-2013

[…]

Bezoekadres [adres 2] , [postcode 2] [plaats]

[…]

Activiteiten […] vervaardiging van geconfectioneerde artikelen van textiel (geen kleding)

het vervaardigen van (rol)gordijnen en vitrage

Diversen-Onderneming voortgezet vanuit [KvK-nummer 3] ”

f) In het uittreksel KvK van (de eenmanszaak) Zebra Class met KvK-nummer [KvK-nummer 3] (prod. 2 mva) staat onder meer:

“Op 08-01-2014 is geregistreerd dat de onderneming met ingang van 08-01-2014 is voortgezet door Zebra Class Decoration, ingeschreven onder KvK-nummer [KvK-nummer] .

[…]

Startdatum onderneming 28-01-2013

[…]

Bezoekadres [adres 1] , [postcode 1] [plaats]

[…]

Activiteiten […] vervaardiging van geconfectioneerde artikelen van textiel (geen kleding)

het vervaardigen van (rol)gordijnen en vitrage

g) In het handelregister van de KvK heeft tevens een inschrijving gestaan van een eenmanszaak van de vader van [appellante] : [vader van appellante] (hierna ook: de vader) met de handelsnaam Elite Vitrage. In het uittreksel KvK van deze eenmanszaak (prod. 2 appeldagv.) staat onder meer:

“Op 18-05-2015 is geregistreerd dat de onderneming met ingang van 18-05-2015 is voortgezet door Zebra Line Decoration, ingeschreven onder KvK-nummer [KvK-nummer 2] .

Laatstelijk stond ingeschreven:

[….]

Startdatum onderneming 21-04-2015 (datum registratie:21-04-2015)

[…]

Bezoekadres [adres 1] , [postcode 1] [plaats]

Datum vestiging 28-01-2013

De huidige eigenaar drijft de 21-04-2015 (datum registratie 21-04-2015)

vestiging sinds

activiteiten […] vervaardiging van geconfectioneerde artikelen van textiel (geen kleding)

Het vervaardigen van vitrage en aanverwante artikelen […]”

h) In een bijbehorend “Opgaveformulier betreffende voortzetten vestiging” (prod. 3 appeldagv.) staat, voor zover hier van belang: “[…] Op 21-04-2015 is de vestiging van [adres 1] [postcode 1] [plaats] van Zebra Class Decoration voortgezet door [vader van appellante] […] De volgende vestiging is als hoofdvestiging van de overdrager gekozen: [adres 2] [postcode 2] [plaats] […]”

En in een ander “Opgaveformulier betreffende voortzetten vestiging (prod. 4 appeldagv.) staat: “[…] Op 18-05-2015 is de onderneming van [vader van appellante] voortgezet door [appellante] […]”

i. i) [geïntimeerde] is, behalve vennoot van de vof, ook directeur en een van de aandeelhouders van [Plastik] Plastik Ltd.: een van de leveranciers van (eerst de eenmanszaak van de moeder en later) de vof. Op enig moment is er tussen de vennoten (de moeder en [geïntimeerde] ) verschil van mening ontstaan over onbetaald gelaten facturen van [Plastik] Plastik. Het geschil tussen [geïntimeerde] en de moeder heeft geleid tot het besluit om de activiteiten van de vof te beëindigen. In verband hiermee heeft op 11 mei 2015 een telling plaatsgevonden van (in elk geval) de in het pand aan [adres 2] aanwezige door [Plastik] Plastik geleverde voorraad. De winkel van de vof in het pand aan [adres 2] is inmiddels gesloten. Er heeft een handgeschreven briefje op de deur gehangen met de tekst: “Wij zijn verhuisd naar [adres 1] ”.

j) Op 12 mei 2015 heeft de moeder aan de voorzieningenrechter verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van beslag op inventaris en alle roerende zaken en goederen die toebehoren aan de vof en die zich bevinden in en om de winkel aan [adres 2] . Het verlof om beslag te leggen is diezelfde dag verleend. De deurwaarder heeft het beslag ‘globaal’ gelegd op 13 mei 2015 en heeft zijn beslagwerkzaamheden vervolgd op 18 mei 2015 (prod. 6 dagv. hb).

k) In een document gedateerd 14 mei 2015 is vermeld dat [appellante] een huurovereenkomst heeft gesloten met dhr. en mw. [verhuurders 1] als verhuurders met betrekking tot de huur van de bedrijfsruimte aan de [adres 1] te [plaats] met ingang van 1 juni 2015 (prod. 3 inl. dagv.)

l) In een ander document, eveneens gedateerd 14 mei 2015 (prod. 12 inl. dagv.), staat vermeld dat de moeder en de heer [verhuurders 2] (hierna: [verhuurders 2] ) het volgende zijn overeengekomen:

“[…] Vanwege een huurachterstand en uitblijven van betalen van de borg en het voortijdig verbreken de huurovereenkomst van het winkelpand aan de [adres 1] te [plaats] [postcode 1] hebben partijen te weten: huurder en verhuurder (eigenaar van het pand [adres 1] [plaats] ) het volgende overeengekomen:

De inventaris in de winkel wordt per ondergenoemde datum eigendom van verhuurder i.v.m. verbreken huurovereenkomst.

3 stuks naaimachine

[…]

2 rekken aan een gesloten tegen de linker zij muur achterkant winkel (kleur room wit)

[…]”

m) De moeder heeft [geïntimeerde] op 26 mei 2015 gedagvaard. In de betreffende bodemprocedure vordert de moeder dat de vennootschapsovereenkomst wordt ontbonden. Verder vordert zij onder meer dat de bezittingen en schulden van de vof worden verdeeld in die zin dat alles aan [geïntimeerde] wordt toegedeeld en dat wordt bepaald dat [geïntimeerde] gehouden is om aan de moeder wegens overbedeling een bedrag van € 86.000,00 te voldoen.

n) [geïntimeerde] heeft op 6 oktober 2015 verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van zowel de dochter als de moeder op alle roerende zaken en/of goederen en/of geldswaarden die zich bevinden in en om de aan [adres 2] en de [adres 1] gevestigde winkel/zaak. [geïntimeerde] heeft daarbij verzocht om zijn vordering op de dochter en de moeder te begroten op € 350.000,00 inclusief rente en kosten.

Het verlof is dezelfde dag verleend. Het beslag is op 8 oktober 2015 gelegd.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] , samengevat, [geïntimeerde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot opheffing van het op 8 oktober 2015 gelegde beslag op de roerende zaken in de bedrijfsruimte van [appellante] , althans in ieder geval op de daar aanwezige handelsvoorraad.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

De zaak Zebra Line die [appellante] momenteel met haar neef runt heeft niets te maken met de winkel en de vof die haar moeder en [geïntimeerde] tot mei 2015 samen voerden. [appellante] wil ook niet dat haar moeder zich met haar onderneming Zebra Line bemoeit. Door beslag te leggen ten laste van [appellante] betrekt [geïntimeerde] [appellante] ten onrechte in een conflict dat speelt tussen hem en haar moeder. De inventaris, voorraden en de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] (hierna: het volkswagenbusje) waarop het beslag ligt, behoren toe aan [appellante] dan wel aan derden. [appellante] kan dit aantonen door middel van de door haar overgelegde stukken. Het conservatoir beslag dat [geïntimeerde] heeft gelegd op deze goederen is dan ook onterecht. [geïntimeerde] heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de goederen die beslagen zijn toebehoren/toebehoorden aan de vof. De door [geïntimeerde] gelegde beslagen drukken zeer op de onderneming Zebra Line. [appellante] heeft er dan ook een groot belang bij dat de beslagen worden opgeheven.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Hij heeft daartoe onder meer overwogen dat hij zich aan de hand van de in kort geding vastgestelde feiten niet aan de indruk kan onttrekken dat er meer verband is tussen beide ondernemingen dan [appellante] wil doen voorkomen.

Ten aanzien van het volkswagenbusje heeft de voorzieningenrechter aangenomen dat deze, voorzien van het logo van Zebra Class, voor en door de vof werd gebruikt. Omdat niet is gebleken dat de moeder bevoegd was om zonder medewerking van [geïntimeerde] het volkswagenbusje aan de vader te verkopen, is het de vraag in hoeverre de gestelde daarop volgende koopovereenkomst tussen [appellante] en haar vader in stand kan blijven.

De voorzieningenrechter heeft vraagtekens geplaatst bij de door [appellante] gestelde gang van zaken met betrekking tot de inventaris, die zij naar haar zeggen in bruikleen heeft van [verhuurders 2] . Daarnaast heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het de moeder op grond van de vennootschapsovereenkomst niet was toegestaan de eigendom van de inventaris over te dragen zonder toestemming van [geïntimeerde] .

Ook voor opheffing van het beslag op de overige zich in de onderneming van [appellante] bevindende zaken, waaronder de handelsvoorraad, heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien. Er zijn zoveel twijfels gerezen over de wijze waarop en de middelen waarmee [appellante] haar onderneming Zebra Line is gestart, dat de voorzieningenrechter het allerminst ondenkbaar vindt dat een groot deel van de (overige) beslagen zaken aan het vermogen van de vof toebehoorden. Voor zover [appellante] heeft willen stellen dat het beslag ten onrechte ook de aan haar (onderneming) toebehorende zaken betreft die niet afkomstig zijn uit de vof, heeft zij volgens de voorzieningenrechter niet inzichtelijk gemaakt om welke zaken het gaat.

Tot slot heeft de voorzieningenrechter de wederzijdse belangen van partijen gewogen:

Het belang van [appellante] bij het onbelemmerd voeren van haar onderneming is evident, maar door het drijven van een onderneming als Zebra Line die zoveel gelijkenis vertoont met de vof Zebra Class waarvan haar moeder één van de vennoten is, terwijl er een conflict gaande is tussen de vennoten over de afwikkeling van deze vof neemt zij het risico ook door dit conflict geraakt te worden. Gelet op alle onduidelijkheden die er zijn omtrent de middelen, de zaken en de overeenkomsten waarmee zij haar onderneming is gestart en thans drijft, dient in dit geval het belang van [geïntimeerde] bij de door hem gelegde conservatoire beslagen op de roerende zaken zwaarder te wegen dan het belang van [appellante] bij opheffing van deze beslagen.”, aldus de voorzieningenrechter.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

3.5.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellante] met veroordeling van [appellante] in de werkelijke kosten van de procedure. Volgens [geïntimeerde] zet [appellante] met haar onderneming Zebra Line de activiteiten voort van de vof en maakt zij daarbij (onrechtmatig) gebruik van het volkswagenbusje, de inventaris en voorraad van de vof. [geïntimeerde] heeft in dit verband opgemerkt dat zowel de naam als het logo van de vof en Zebra Line nagenoeg hetzelfde zijn, dat de neef van [appellante] eerst in dienst was bij de vof en nu bij Zebra Line en dat het bij beide ondernemingen gaat om dezelfde klanten. [geïntimeerde] heeft aandacht gevraagd voor diverse volgens hem ‘gekunstelde’ stellingen van [appellante] .

Rechtsmacht

3.6.

Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [geïntimeerde] woonplaats heeft in Turkije. Het hof stelt ambtshalve vast dat zowel de bepalingen van de herschikte EEX-Vo/Brussel-I bis Vo, 1215/2012/EU als de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in deze zaak aan de Nederlandse rechter rechtsmacht verschaffen. Het door [geïntimeerde] gelegde beslag vloeit voort uit zijn (hoofd)vordering uit onrechtmatige daad jegens de dochter. Nu de dochter in Nederland woont, heeft voor deze hoofdvordering de Nederlandse rechter rechtsmacht. Op grond daarvan is er ook rechtsmacht voor daaruit voortvloeiende bewarende maatregelen alsook voor vorderingen tot opheffing van die maatregel.

Aard van het beslag

3.7.

Uit het als prod. 15 bij inleidende dagvaarding overgelegde verzoekschrift van [geïntimeerde] volgt dat [geïntimeerde] verlof heeft gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van zowel [appellante] als de moeder en dat dit beslag strekt tot zekerheid van verhaal voor een door [geïntimeerde] gepretendeerde vordering op [appellante] en de moeder. Deze vordering is conform het verzoek van [geïntimeerde] in de beschikking waarbij het beslagverlof is verleend begroot op € 350.000,00 inclusief rente en kosten (prod. 16 inl. dagv.).

In het beslagrekest heeft [geïntimeerde] over de grondslag van zijn vordering op [appellante] en de moeder het volgende gesteld:

“Duidelijk is in ieder geval dat mevrouw [de moeder van appellante] en haar schoolgaande dochter van 19 jaar –mevrouw [appellante] - doende zijn met het benadelen van verzoeker door onttrekking van de vennootschapsvoorraden en vennootschapskrediet van de vennootschap onder firma Zebra Class Decorations VOF.”

Verderop in het beslagrekest heeft [geïntimeerde] gesteld dat de advocaat van de moeder op grond van evident onjuiste stellingen verlof heeft gekregen om ten laste van hem conservatoir beslag te leggen op de voorraden aan [adres 2] , terwijl tegelijkertijd [appellante] zich op 18 mei 2015 heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met Zebra Line. Uit foto’s die op 4 juni 2015 door zijn advocaat zijn gemaakt blijkt dat de winkel aan [adres 2] nagenoeg is leeggehaald en dat de courante voorraden samen met de inventaris zijn verhuisd naar de [adres 1] . Ondanks het door haar zelf gelegde conservatoire beslag is de moeder in samenspraak met [appellante] de goederen waarop beslag is gelegd aan het vervreemden, aldus [geïntimeerde] in zijn beslagrekest.

[geïntimeerde] heeft nagelaten om in deze procedure een afschrift van de dagvaarding in de door hem tegen [appellante] en de advocaat van de moeder aanhangig gemaakte bodemprocedure over te leggen. Maar uit de pleitnota in eerste aanleg van [appellante] leidt het hof af dat [geïntimeerde] in die bodemprocedure zijn eis in de hoofdzaak (een verklaring voor recht dat [appellante] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en een verwijzing naar de schadestaatprocedure) heeft gegrond op beweerdelijk onrechtmatig handelen van [appellante] (pleitnota 1e aanleg van [appellante] onder 36).

3.8.

Gelet hierop stelt het hof vast dat het door [geïntimeerde] jegens de dochter gelegde beslag niet een conservatoir beslag tot afgifte van zaken betreft (waarop de artikelen 700 e.v. jo. 730-737 Rv van toepassing zijn), maar een conservatoir verhaalsbeslag onder de schuldenaar op roerende zaken als bedoeld in de artikelen 700 e.v. jo. 711-713 Rv. Dit betekent dat, anders dan [appellante] stelt, [geïntimeerde] (in deze procedure) niet hoeft te bewijzen dat de beslagen zaken in eigendom aan de vof toebehoren. Omdat [geïntimeerde] in de hoofdzaak zijn vordering jegens [appellante] baseert op onrechtmatig handelen en, zo begrijpt het hof uit de hiervoor bedoelde stukken, daartoe stelt dat [appellante] (in samenspraak met de moeder) zaken van de vof heeft ontvreemd, zal in de hoofdzaak de bewijslast van die stelling wellicht op [geïntimeerde] rusten. Maar omdat [appellante] nu opheffing van het door [geïntimeerde] gelegde beslag vordert, zal het hof de grieven beoordelen aan de hand van de voor de beoordeling van een opheffingsvordering geldende norm.

Opheffing van het beslag

3.9.

In art. 705 lid 2 Rv wordt als eerste grond voor opheffing van een beslag het verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen genoemd. Met grief 5 stelt [appellante] aan de orde dat het beslagrekest van [geïntimeerde] niet aan de vormvereisten heeft voldaan en dat de voorzieningenrechter hieraan (te) weinig aandacht heeft geschonken. [appellante] heeft onweersproken gesteld dat zij niet is gehoord voordat het verlof voor het leggen van beslag op haar handelsvoorraad is verleend. Uit de overgelegde beslagstukken blijkt ook niet dat zij wel zou zijn gehoord. Voor zover [appellante] heeft beoogd zich te beroepen op de beslagsyllabus, overweegt het hof als volgt. In de beslagsyllabus (pag. 25 versie 2015; te raadplegen via www.rechtspraak.nl > Reglementen, procedures, formulieren>civiel>handelsrecht) wordt er inderdaad op gewezen dat een verzoek tot het leggen van beslag op handelsvoorraad (extra) goed gemotiveerd zal moeten zijn en dat men er rekening mee moet houden dat de voorzieningenrechter eerst beide partijen zal willen horen alvorens op het gevraagde verlof te beslissen. Deze in de beslagsyllabus opgenomen ‘best practices’ binden de rechter echter niet en kunnen niet als rechtsregels worden beschouwd. Er is in dit geval dan ook geen sprake van het verzuim van een vorm die op straffe van nietigheid is voorgeschreven.

Daarnaast geldt dat bij de beoordeling door de voorzieningenrechter van de vordering tot opheffing van het beslag (op de handelsvoorraad) de belangen van [appellante] wel zijn meegewogen (zie hiervoor r.o. 3.3.).Grief 5 faalt daarom. Ook het hof zal hierna de betreffende belangen van [appellante] meewegen.

3.10.

Art. 705 lid 2 Rv bepaalt vervolgens dat het beslag dient te worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht . Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die opheffing van het beslag vordert, om met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De kort geding rechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. De beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. In dit verband verdient opmerking dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken (HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, herhaald in HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5529).

3.11.

[appellante] komt met de grieven 1 tot en met 4 op tegen de hiervoor in r.o. 3.3 samengevat weergegeven oordelen van de voorzieningenrechter. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.12.

[appellante] stelt zich in (de toelichting op) deze grieven op het standpunt dat er geen enkele relatie bestaat tussen Zebra Line en de vof. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij het hiervoor in r.o. 3.1. onder g) bedoelde KvK-uittreksel van de eenmanszaak Elite Vitrage en de onder h) bedoelde opgaveformulieren overgelegd. Elite Vitrage was een onderneming van haar vader, welke onderneming door [appellante] is voortgezet. Via Elite Vitrage wilde haar vader de vestiging van de vof aan de [adres 1] voortzetten. Het is haar vader om meerdere redenen niet gelukt om vanuit de vestiging aan de [adres 1] gelijksoortige bedrijfsactiviteiten als die van de vof te ontplooien. [appellante] heeft daarop in samenspraak met haar vader en haar neef de onderneming voortgezet onder de handelsnaam Zebra Line Decoration, dit alles aldus [appellante] (nr. 5-7 appeldagv.).

3.13.

Naar het oordeel van het hof vormt dit betoog (onderbouwd met de daarbij overgelegde producties) juist geen aanwijzing voor de juistheid van de stelling dat er geen enkele relatie bestaat tussen Zebra Line en de vof, maar eerder voor het tegendeel. Het hof overweegt hierbij dat [appellante] niet eenduidig is in haar stellingen over de (herkomst van en gang van zaken met betrekking tot de) bedrijfsmiddelen en –ruimte die zij in het kader van de uitoefening van Zebra Line gebruikt.

3.13.1.

Zo heeft zij gesteld (nr. 8 appeldagv.) dat de door haar geschetste bedrijfsopvolging verklaart waarom haar vader aan haar het volkswagenbusje heeft verkocht. Het hof kan [appellante] hierin echter niet volgen, omdat het door [appellante] gestelde tijdspad rondom die bedrijfsopvolging niet strookt met de stellingen die zij in eerste aanleg heeft ingenomen. [appellante] heeft immers gesteld dat zij het bedrag voor de aankoop van het volkswagenbusje heeft geleend van dhr. [schuldeiser] (nr. 7 van de inl. dagv.) onder verwijzing naar een leningsovereenkomst (prod. 7 inl. dagv.) die is getekend op 11 april 2015. Ook heeft zij gesteld dat zij het voor haar onderneming benodigde werkkapitaal ad € 18.000,00 heeft geleend op 1 april 2015 (prod. 8 inl. dagv.). De onderneming van haar vader is echter volgens haar stellingen (en de door haar overgelegde KvK-stukken) pas gestart op 21 april 2015.

3.13.2.

Ook in haar stellingen over de inventaris en de bedrijfsruimte aan de [adres 1] is [appellante] naar het oordeel van het hof niet duidelijk. In eerste aanleg heeft [appellante] gesteld dat een groot deel van haar bedrijfsinventaris aantoonbaar in eigendom toebehoort aan [verhuurders 2] en dat zij die inventaris slechts in bruikleen heeft. Ter toelichting heeft [appellante] gesteld dat de moeder in het verleden bij [verhuurders 2] een huurschuld heeft doen ontstaan. Ter compensatie heeft de moeder de aan haar in eigendom toebehorende bedrijfsinventaris op 14 mei 2015 in eigendom overgedragen aan [verhuurders 2] , aldus [appellante] in nr. 13 inl. dagv. onderbouwd met prod. 12 inl. dagv.). In hoger beroep stelt [appellante] echter dat de inventaris die door de moeder ten behoeve van de vof is gebruikt, door de vader eind 2012 is gekocht van Koninklijke [bedrijfsnaam] B.V. (nr. 41 en prod. 10 appeldagv.). De vader heeft het gebruiksrecht van de inventaris destijds toegekend aan de moeder. In samenspraak met de vader is de inventaris bij de start van Zebra Line in eigendom overgedragen aan [verhuurders 2] , waardoor [appellante] de huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte aan de [adres 1] probleemloos heeft kunnen voortzetten, aldus [appellante] . Zij heeft daaraan ter extra toelichting (in nr. 43 appeldagv.) toegevoegd dat zij op 14 mei 2015 een huurovereenkomst voor deze bedrijfsruimte heeft gesloten met de oorspronkelijke eigenaren, de heer en mevrouw [verhuurders 1] . Laatstgenoemden hebben de bedrijfsruimte diezelfde dag aan [verhuurders 2] verkocht. Omdat de huurovereenkomst met de vof vroegtijdig was beëindigd, is de inventaris door de vader en de moeder aan [verhuurders 2] overgedragen, aldus nog steeds [appellante] .

[appellante] heeft niet toegelicht welke omstandigheden ertoe zouden hebben geleid dat de heer en mevrouw [verhuurders 1] een huurovereenkomst hebben gesloten met [appellante] voor een bedrijfsruimte die ze diezelfde dag nog hebben verkocht aan [verhuurders 2] . Evenmin heeft [appellante] duidelijk gemaakt hoe bij de moeder jegens [verhuurders 2] een huurschuld heeft kunnen ontstaan met betrekking tot diezelfde bedrijfsruimte (zoals zou volgen uit het hiervoor in r.o. 3.1. onder l) opgenomen citaat), indien die bedrijfsruimte pas op 14 mei 2015 eigendom van [verhuurders 2] is geworden.

3.14.

Het hof komt op grond van voorgaande overweging tot de constatering dat de stellingen van [appellante] op dit moment eerder vragen oproepen dan dat ze zouden kunnen dienen als onderbouwing van de gestelde ondeugdelijkheid van de vordering van [geïntimeerde] . Het hof neemt daarnaast in aanmerking dat [appellante] erkent dat het volkswagenbusje en de inventaris die zij in het kader van haar onderneming gebruikt, voorheen door de vof werden gebruikt. Het hof is daarom van oordeel dat [appellante] voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering van [geïntimeerde] ondeugdelijk is. [appellante] heeft het daaraan ten grondslag gelegde verwijt van [geïntimeerde] dat [appellante] zaken gebruikt die toebehoren aan de vof niet (voldoende) ontkracht.

3.15.

Voorts neemt het hof nog het volgende in aanmerking. Tegenover het evidente – en op zichzelf door [appellante] ook niet bestreden - belang van [geïntimeerde] bij handhaving van het beslag, kan van [appellante] worden gevergd dat zij behoorlijk motiveert waarom haar belangen bij opheffing zwaarder dienen te wegen. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat Zebra Line in financiële moeilijkheden is gekomen, omdat zij door het beslag op de handelsvoorraad genoodzaakt is geweest om met geleend geld een nieuwe handelsvoorraad in te kopen, waardoor het water haar steeds meer aan de lippen staat. Zij heeft desgevraagd verklaard dat de handelsvoorraad waarop het beslag rust, apart ligt en dat ze de beslagen inventaris nog steeds gebruikt. Omdat [appellante] aldus in staat is om haar ondernemersactiviteiten voort te zetten en niet aannemelijk is geworden dat zij door het beslag in zodanige financiële moeilijkheden verkeert dat het voortbestaan van Zebra Line daadwerkelijk in gevaar komt, dient het belang van [geïntimeerde] bij handhaving van het beslag in dit geval zwaarder te wegen.

3.16

Grief 6 mist zelfstandige betekenis en kan daarom verder onbesproken blijven.

Slotsom en kosten

3.17.

De slotsom luidt dat de grieven falen. De vordering van [appellante] strekkende tot opheffing van het beslag komt niet voor toewijzing in aanmerking. Voor zover [appellante] in nr. 32 van de appeldagvaarding heeft beoogd de vordering in hoger beroep te wijzigen ten opzichte van de vordering in eerste aanleg, geldt dat ook de subsidiaire vordering moet worden afgewezen gelet op hetgeen het hof hiervoor in r.o. 3.8. heeft overwogen. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

[appellante] zal daarom in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

[geïntimeerde] heeft gevorderd om [appellante] te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten. [geïntimeerde] heeft echter niet gesteld hoe hoog de door hem gemaakte werkelijke proceskosten zijn en heeft geen concreet bedrag aan proceskosten gevorderd. Deze vordering komt om die reden al niet voor toewijzing in aanmerking.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 26 november 2015;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 311,00 aan verschotten en € 2.682,00 aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, P.M. Arnoldus-Smit en G.A.M. Peper en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2016.

griffier rolraadsheer