Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2296

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
200.161.082_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over uitvoering onderhoudswerkzaamheden aan huurwoning. Belang bij hoger beroep?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.161.082/01

arrest van 7 juni 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J. van Boekel te Tilburg,

tegen

Stichting WonenBreburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als WonenBreburg,

advocaat: mr.drs. D.A.C. Janssen te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 september 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 juni 2014 , door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en WonenBreburg als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 436713 CV EXPL 07-1957)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de tussenvonnissen van 7 november 2007, 10 december 2008, 4 maart 2009, 17 juni 2009, 2 juni 2010, 28 maart 2012, 8 augustus 2012, 19 december 2012, 8 mei 2013 en 31 juli 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

De rechtsvoorgangster van WonenBreburg, de Gemeentelijke Woningdienst, heeft met ingang van 1 december 1985 de woning aan de [adres 1] te [plaats] (hierna te noemen: de woning) verhuurd aan [appellant] .

In de tussen partijen gesloten schriftelijke huurovereenkomst is onder artikel 10.2 bepaald: “Huurder zal alle door verhuurder noodzakelijk geachte onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan het gehuurde gedogen.”

WonenBreburg heeft medio 2005 geïnventariseerd welke onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan de woning dienen te worden uitgevoerd, van welke inventarisatie zij [appellant] bij brief van 28 juni 2005 in kennis heeft gesteld. Bij brief van 26 oktober 2006 heeft WonenBreburg aan [appellant] meegedeeld dat zij op 1 november 2006 zou starten met de uitvoering van de werkzaamheden.

[appellant] heeft geen medewerking willen verlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden.

3.1.2.

WonenBreburg heeft [appellant] vervolgens gedagvaard voor de kantonrechter in Tilburg. Zij vorderde (samengevat) [appellant] te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden als omschreven in de bijlage bij de brief van WonenBreburg d.d. 28 juni 2005 en van (eventuele) aanvullende werkzaamheden die noodzakelijk blijken te zijn.

3.1.3.

Bij tussenvonnis van 7 november 2007 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, welke comparitie op 12 december 2007 heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, inhoudende (samengevat):

- WonenBreburg stelt voor de opslag van inboedel met ingang van 13 december 2007 aan

[appellant] kosteloos een garageruimte ter beschikking, te weten de garageruimte aan

de [adres 2] te [plaats] (later – met instemming van [appellant] - gewijzigd

in de garageruimte aan de [adres 3] te [plaats] );

- [appellant] zal de door WonenBreburg ingeschakelde aannemer en onderaannemers

met ingang van 1 februari 2008 in de gelegenheid stellen de werkzaamheden genoemd in

de bijlage bij de brief van WonenBreburg d.d. 28 juni 2005 alsmede eventuele andere

noodzakelijk onderhoudswerkzaamheden aan de woning uit te voeren;

- nadat WonenBreburg aan [appellant] heeft meegedeeld dat de werkzaamheden

gereed zijn krijgt [appellant] zes weken de tijd om de garageruimte leeg op te leveren

aan WonenBreburg.

3.1.4.

Bij ‘conclusie na comparitie tevens houdende wijziging van eis’ d.d. 26 november 2008 heeft WonenBreburg gesteld dat – in haar visie – de onderhoudswerkzaamheden aan de woning waren afgerond, maar dat [appellant] weigerde de ter beschikking gestelde garageruimte te ontruimen. Om die reden vorderde zij – bij wijze van eiswijziging - [appellant] te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis de garage te ontruimen en ter beschikking van WonenBreburg te stellen.

3.1.5.

Omdat partijen van mening verschilden over de vraag of alle noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden (correct) waren uitgevoerd (volgens WonenBreburg was dit wel het geval maar volgens [appellant] niet) heeft de kantonrechter een deskundigenbericht gelast teneinde de deugdelijkheid van de uitgevoerde werkzaamheden en de eventuele noodzaak van verdere onderhoudswerkzaamheden te onderzoeken. De tussenvonnissen van 4 maart 2009 en 17 juni 2009 hebben hierop betrekking.

3.1.6.

Na ontvangst van het deskundigenbericht heeft de kantonrechter opnieuw een comparitie van partijen gelast (tussenvonnissen van 2 juni 2010 en 28 maart 2012).

3.1.7.

Bij akte d.d. 3 mei 2012 heeft WonenBreburg, mede naar aanleiding van de bevindingen van de deskundige en omdat [appellant] medewerking aan nieuw geconstateerd noodzakelijk onderhoud weigerde, opnieuw haar eis gewijzigd. Na deze wijziging vorderde zij (samengevat):

- veroordeling van [appellant] om zijn medewerking te verlenen aan het uitvoeren van

de resterende werkzaamheden voortvloeiende uit het deskundigenbericht van 19 mei 2010,

alsmede zijn medewerking te verlenen aan het uitvoeren van spoedeisende

herstelwerkzaamheden aan de balken van het dak aan de achterzijde van de woning en van

(eventuele) aanvullende werkzaamheden die noodzakelijk blijken;

- veroordeling van [appellant] om binnen 8 dagen na betekening van het te wijzen

vonnis de garage aan de [adres 3] te [plaats] te ontruimen en ter beschikking te

stellen aan WonenBreburg.

3.1.8.

[appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Dat bezwaar is door de kantonrechter bij vonnis van 8 augustus 2012 verworpen. De kantonrechter heeft voorts een aanvullend deskundigenonderzoek gelast omdat partijen het oneens waren over de vraag of het dakspant, dat in het kader van de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden was aangebracht, deugdelijk was geplaatst (volgens WonenBreburg waren de werkzaamheden deugdelijk uitgevoerd maar volgens [appellant] niet). De tussenvonnissen van 8 augustus 2012, 19 december 2012, 8 mei 2013 en 31 juli 2013 hebben hierop betrekking.

3.1.9.

De deskundige heeft in zijn aanvullend rapport geconcludeerd dat de werkzaamheden aan het dakspant goed waren uitgevoerd, met dien verstande dat de deskundige adviseerde een extra trekbout aan te brengen. WonenBreburg heeft dit advies van de deskundige willen uitvoeren, maar [appellant] heeft medewerking hieraan geweigerd.

De kantonrechter heeft vervolgens eindvonnis gewezen. Omdat de werkzaamheden aan de woning inmiddels naar tevredenheid van WonenBreburg waren uitgevoerd oordeelde de kantonrechter dat WonenBreburg geen belang meer had bij een veroordeling van [appellant] om medewerking te verlenen aan het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden. De kantonrechter heeft de vordering van WonenBreburg, voor zover betrekking hebben op de ontruiming van de garageruimte toegewezen en voor het overige afgewezen.

De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld in een deel van de proceskosten van WonenBreburg, namelijk tot een bedrag van € 278,82, en de proceskosten voor het overige gecompenseerd. De kosten van het eerste deskundigenonderzoek (€ 3.753,89) heeft de kantonrechter ten laste van WonenBreburg gebracht; de kosten van het aanvullende deskundigenonderzoek (€ 2.000,-) heeft de kantonrechter ten laste van [appellant] gebracht.

3.1.10.

[appellant] kan zich niet verenigen met de uitkomst van de procedure in eerste aanleg en is in hoger beroep gekomen.

3.2.

[appellant] kondigt zowel in zijn appeldagvaarding als in zijn memorie van grieven aan dat hij in hoger beroep komt van zowel het eindvonnis als van de daaraan voorafgaande tussenvonnissen. In de petita van de appeldagvaarding en van de memorie van grieven is het appel echter beperkt tot het eindvonnis. Het hof gaat er daarom van uit dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het eindvonnis van de kantonrechter. Daarvoor bestaat temeer reden omdat geen van de grieven is gericht tegen een beslissing in een van de tussenvonnissen, dit met uitzondering van de beslissing van de kantonrechter (in het tussenvonnis van 8 augustus 2012) op het bezwaar van [appellant] tegen de eiswijziging aan de zijde van WonenBreburg. Grief 1 heeft hierop betrekking. Daarvoor geldt echter dat tegen een beslissing inzake een eiswijziging geen hoger beroep open staat (artikel 130 lid 2 Rv). Dit betekent dat het hoger beroep van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.3.

Bij de grieven 2 en 3 heeft [appellant] geen belang. Die grieven hebben immers betrekking op (de kwaliteit van) de onderhoudswerkzaamheden aan de woning. Hieromtrent was (uitsluitend) door WonenBreburg een vordering ingesteld, namelijk de vordering tot veroordeling van [appellant] om medewerking te verlenen aan het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud. Die vordering is door de kantonrechter afgewezen omdat WonenBreburg geen belang meer had bij toewijzing. De werkzaamheden waren immers uitgevoerd. Een tegenvordering was door [appellant] niet ingesteld.

Het hof merkt nog op dat de enige vordering van WonenBreburg die is toegewezen, betrekking heeft op de ontruiming van de garage. Tegen die beslissing is echter geen grief aangevoerd.

3.4.

De vierde grief van [appellant] heeft betrekking op de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de proceskosten en de kosten van het deskundigenonderzoek.

Wat de proceskosten betreft acht het hof de beslissing van de kantonrechter om [appellant] te veroordelen in een (gering) deel van de kosten aan de zijde van WonenBreburg alleszins redelijk, aangezien op basis van de inhoud van het procesdossier aannemelijk moet worden geacht dat de onderhavige procedure noodzakelijk is geworden doordat [appellant] weigerde medewerking te verlenen aan het verrichten van noodzakelijk onderhoud aan de woning. Weliswaar is in de loop van de procedure gebleken dat [appellant] er terecht op heeft gewezen dat meer en aanvullende werkzaamheden nodig waren, maar dat neemt niet weg dat hij ingevolge artikel 10.2 van de huurovereenkomst en artikel 7:220 lid 1 BW verplicht was medewerking te verlenen aan de uitvoering van noodzakelijk onderhoud, aan welke verplichting hij niet, of in ieder geval niet toereikend heeft voldaan.

Wat betreft de kosten van de deskundige heeft de kantonrechter terecht [appellant] veroordeeld in de kosten van het aanvullende onderzoek, gelet op de uitkomst daarvan. Overigens voert [appellant] geen inhoudelijke bezwaren aan tegen de beslissing van de kantonrechter op dit punt, behoudens dat hij de nota van de deskundige te hoog vindt. Alleen al omdat dit bezwaar onvoldoende is onderbouwd wordt het door het hof verworpen.

Het voorgaande betekent dat ook de vierde grief van [appellant] faalt.

3.5.

De conclusie is dat alle grieven falen, dat [appellant] deels niet-ontvankelijk zal worden verklaard en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de eiswijzigingen van WonenBreburg in eerste aanleg;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van WonenBreburg op € 704,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris van de advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.W. van Rijkom en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2016.

griffier rolraadsheer