Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2286

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
200.126.937_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1891
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:575
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.126.937/01

arrest van 7 juni 2016

in de zaak van

[beheer] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.J. Mookhram te Roermond,

tegen

[holding 1] Holding [vestigingsnaam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Venlo,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 juni 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/04/100977/HA ZA 10-371 gewezen vonnissen van 15 september 2010, 17 november 2010, 15 juni 2011 en 30 januari 2013 tussen appellante – [beheer] – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde – [holding 1] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 24 juni 2014;

  • -

    de akte overlegging producties ten behoeve van getuigenverhoor van [beheer] van 1 september 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 1 september 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de contra-enquête van 5 november 2014;

  • -

    de memorie na enquête van [holding 1] ;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [beheer] met drie doorgenummerde producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald, dat door omstandigheden meermalen is aangehouden.

6 De verdere beoordeling

in conventie:

6.1.

Bij genoemd tussenarrest is [holding 1] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [beheer] door middel van de overnamebalans een onjuist beeld heeft gegeven van de financiële positie van de [groep] -Groep per 30 november 2009, althans dat [beheer] de bij de koopovereenkomst toegezegde garanties als weergegeven in onderdeel 4.1.3 heeft geschonden.

6.2.

[holding 1] heeft hiertoe vier getuigen in enquête doen horen, te weten de heren [financieel directeuir van de vennootschap] , [projectleider] , [administratie accountant] en [naam 1] .

[beheer] heeft vervolgens in contra-enquête één getuige, de heer [getuige] , doen horen.

6.3.

[holding 1] heeft een memorie na enquête ingediend en daarbij geconcludeerd dat zij in het bewijs is geslaagd, nu kort gezegd door de heer [bestuurder van appellante] het onderhanden werk van [de (dochter)vennootschap] per 30 november 2009 is bepaald op € 273.000,= terwijl hij wist dat op dat moment op het project Friesland Campina al termijnen in rekening waren gebracht – al weet [holding 1] niet precies welke termijnen behoudens de aanbetaling van 40% per respectief project – ; de heer [bestuurder van appellante] wist dat het project aanzienlijk onder de kostprijs was aangenomen en er bovendien sprake was van aanzienlijk meerwerk, ter zake waarvan de heer [bestuurder van appellante] wist dat [getuige] van Friesland Campina niet bereid was ter zake iets te betalen. Aldus komt [holding 1] tot de becijfering dat het onderhanden werk van [de (dochter)vennootschap] maximaal € 43.810,= heeft bedragen. Als de tweede termijn per respectief project ook al zou zijn gefactureerd dan bedroeg het onderhanden werk bij [de (dochter)vennootschap] € 0,= en had een voorziening voor meerkosten moeten getroffen van € 22.590,=, aldus [holding 1] . Voorts heeft [holding 1] gewezen op andere posten, zoals de terugbetalingsplicht ten aanzien van deeltijd WW (ad in totaal € 52.517,55), die niet in de overnamebalans tot uiting zouden zijn gebracht.

6.4

[beheer] heeft in haar antwoordmemorie na enquête gesteld dat het door [holding 1] te leveren bewijs niet is geleverd, waarbij [beheer] zich allereerst heeft beroepen op stukken die niet eerder in het geding zijn gebracht, te weten productie 11 bij antwoordmemorie na enquête (offerte [accountantskantoor] van 3 november 2009) en productie 13 (offerte [naam 3] aan Friesland Campina van 20 juli 2009). [holding 1] heeft nog niet op deze stukken en de daarop door [beheer] gebaseerde standpunten kunnen reageren en zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld.

Tevens zal [holding 1] mogen reageren op de door [beheer] nader betrokken standpunten, mede naar aanleiding van de diverse in enquête en contra-enquête afgelegde verklaringen. Deze standpunten bouwen weliswaar voort op eerdere stellingen van [beheer] , in het bijzonder met betrekking tot de – door [beheer] gestelde – juistheid van de post onderhanden werk bij Friesland Campina en het niet aan de orde zijn van terugbetaling van deeltijd-WW, en dus zijn deze als uitwerkingen te duiden stellingen als zodanig toegestaan. Echter [holding 1] heeft op deze uitwerkingen evenmin kunnen reageren.

Alvorens te komen tot een waardering van hetgeen in enquête en contra-enquête is verklaard, is het noodzakelijk dat [holding 1] in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid wordt gesteld om door middel van een nadere memorie op het bovenstaande in te gaan.

6.5.

Voorts maakt [beheer] in onderdeel 7.6 van haar antwoordmemorie na enquête melding van de mogelijkheid dat tot correctie van de koopprijs had kunnen worden gekomen, als op basis van een gereed zijnde jaarrekening zou zijn gebleken dat een bepaalde post niet juist zou zijn. [beheer] herhaalt dat buiten haar althans de heer [bestuurder van appellante] om het faillissement is aangevraagd. In het licht van hetgeen het hof al voorlopig heeft overwogen in onderdeel 4.8.4 van het tussenarrest van 24 juni 2014 is een reactie van [holding 1] ook op dit punt gewenst.

6.6.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van de hierboven bedoelde nadere memorie door [holding 1] . [beheer] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld een nadere antwoordmemorie in te dienen.

6.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 19 juli 2016 voor nadere memorie aan de zijde van [holding 1] met de hiervoor in 6.4 en 6.5 vermelde doeleinden;

verstaat dat vervolgens [beheer] een termijn van zes weken zal worden geboden voor nadere antwoordmemorie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, R.R.M. de Moor en D.A.E.M. Hulskes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2016.

griffier rolraadsheer