Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2210

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
200.188.288/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging beëindiging schuldsaneringsregeling zonder toekenning van schone lei onder een verlenging van de looptijd voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 2 juni 2016

Zaaknummer : 200.188.288/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/04/13/87 R en C/04/13/88 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante]

en

[appellant] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellante] respectievelijk [appellant]

advocaat: mr. A. Karacelik te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 maart 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 maart 2016, hebben [appellante] en [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te oordelen dat hun schuldsaneringsregelingen worden beëindigd met toekenning van de schone lei.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] en [appellant] , bijgestaan door mr. Karacelik;

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 maart 2016;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] en [appellant] d.d. 8 april 2016;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 26 april 2016;

- een pakket stukken van eerste aanleg als door het hof ontvangen op 4 mei 2016;

- een (na de zitting van 25 mei 2016 door het hof ontvangen) indieningsformulier met bijlage d.d. 25 mei 2016 (16:12 uur).

3. De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 5 maart 2013 is ten aanzien van [appellante] en [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellante] en [appellant] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellante] en [appellant] geen “schone lei” is verleend. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Naar het oordeel van de rechtbank hebben de schuldenaren niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van de voor de goede afwikkeling van de schuldsaneringsregeling benodigde informatie niet aan hen kan worden toegerekend. Schuldenaren hebben immers op de pro forma eindzitting van 3 maart 2016, de bewindvoerder niet geïnformeerd over de (nieuwe) schuld bij de Belastingdienst. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de omstandigheden dat de dochter van de schuldenaren de belastingschuld van de schuldenaren niet (tijdig) heeft afgelost voor rekening en risico van de schuldenaren komt, nu de auto op hun naam staat. Bovendien gaat de rechtbank voorbij aan de blote betwisting dat zij de aanslagen van de Belastingdienst niet zouden hebben ontvangen.”

3.4.

[appellante] en [appellant] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] en [appellant] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] en [appellant] zijn van mening dat alleen de toerekenbaarheid van de nieuwe belastingschuld dient te worden besproken. De kwestie met betrekking tot de auto was immers al in 2014 bij zowel de rechter-commissaris als de bewindvoerder bekend en hieraan zijn nimmer sancties verbonden. De bewindvoerder vond deze tekortkoming klaarblijkelijk niet zo ernstig dat deze aan een schone lei in de weg zou moeten staan. Door nu de kwestie met de auto alsnog aan te voeren als een toerekenbare tekortkoming schaadt de bewindvoerder het gerechtvaardigde vertrouwen dat bij [appellante] en [appellant] was gewekt, meer in het bijzonder in de vorm van het positieve advies zoals verwoord in haar aanvankelijke eindverslag. Ten aanzien van de nieuwe belastingschuld merken [appellante] en [appellant] op dat zij in de veronderstelling leefden dat de motorrijtuigenbelasting werd voldaan door hun dochter. Daarbij komt dat de Belastingdienst inzake deze nieuwe schuld nimmer een brief aan [appellante] en [appellant] zou hebben verzonden, doch uitsluitend aan de bewindvoerder. Pas toen de bewindvoerder op 4 maart 2016 deze brief van de Belastingdienst aan [appellante] en [appellant] doorzond raakten zij naar eigen zeggen van het bestaan van deze nieuwe schuld op de hoogte. Tot slot merken [appellante] en [appellant] op dat zij de gehele belastingschuld inmiddels hebben voldaan en dat het toekennen van de schone lei derhalve op zijn plaats is.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] en [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] en [appellant] verklaren dat hun dochter hen op enig moment te verstaan zou hebben gegeven dat zij de motorrijtuigenbelasting voor de auto die op naam van [appellante] geregistreerd stond steeds tijdig en volledig zou hebben voldaan. [appellante] en [appellant] hebben hier naar eigen zegen ook gerechtvaardigd op vertrouwd. Daarbij benadrukken [appellante] en [appellant] dat zij, ondanks het feit dat de auto op naam van [appellante] was geregistreerd, nimmer enige acceptgiro van de Belastingdienst inzake de motorrijtuigenbelasting hebben ontvangen. Met betrekking tot de door de bewindvoerder gestelde nieuwe schuld aan het VGZ merken [appellante] en [appellant] op dat zij met deze schuld niet bekend zijn, maar dat zij zeer wel in staat zijn om deze schuld ineens, althans op zeer korte termijn, geheel te voldoen. Ook de motorrijtuigenbelasting voor het eerste kwartaal van 2016 zou één dag voor de mondelinge behandeling in hoger beroep geheel zijn voldaan. Een betalingsbewijs hiervan hebben [appellante] en [appellant] evenwel niet voorhanden. Tot slot geven [appellante] en [appellant] aan dat zij hun voormalige auto hebben ingeruild tegen een, belastingtechnisch gezien, duurdere dieselauto omdat zij voornemens waren om met deze auto een reis naar Marokko te ondernemen en een dieselauto in dat geval minder brandstofkosten zou betekenen. [appellante] en [appellant] zien (subsidiair) mogelijkheden tot voldoende aflossingen binnen een verlenging.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 26 april 2016 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De bewindvoerder heeft vastgesteld dat er gedurende de schuldsaneringsregeling, zonder toestemming van de bewindvoerder, achtereen ten minste drie auto’s op naam van [appellante] zijn geregistreerd welke kennelijk allemaal (ook) door de dochter werden gebruikt. De verklaring van [appellante] en [appellant] , dat zij niet op de hoogte waren van de nieuwe belastingschuld, is op zijn minst onwaarschijnlijk, acceptgiro’s ter zake van motorrijtuigenbelasting worden immers gericht aan degene op wiens naam een auto staat geregistreerd, in dit geval [appellante] . Indien het al zo was dat de dochter de motorrijtuigenbelasting diende te betalen, lag het op de weg van [appellante] om hierop toe te zien. De dochter beschikte immers niet over enig inkomen, Bovendien heeft de Belastingdienst telefonisch verklaard [appellante] vanaf 2014 tot tienmaal toe een naheffingsaanslag te hebben gezonden. Bovendien blijkt dat de wel betaalde motorrijtuigenbelasting door de Belastingdienst middels een automatische incasso op naam van [appellante] is geïncasseerd. Met het tot driemaal toe registreren van een auto op naam van [appellante] zonder de bewindvoerder hiervan op de hoogte te stellen verzwegen [appellante] en [appellant] welbewust essentiële informatie voor de bewindvoerder. Daarbij benadrukt de bewindvoerder dat de nakoming van de informatieplicht gedurende de hele schuldsanering in zijn algemeenheid ook al bijzonder stroef verliep. Daarnaast is er nog een andere nieuwe schuld ontstaan, en wel een schuld aan het VGZ van € 771,93. Tevens is de schuld aan de Belastingdienst inzake de motorrijtuigenbelasting, anders dan door [appellante] en [appellant] wordt gesteld, ook nog niet geheel voldaan, er staat immers nog steeds een bedrag van € 619,00 open. De bewindvoerder is dan ook van mening dat het vonnis waarvan beroep streng is, maar recht doet aan de door haar vastgestelde ernstige en verwijtbare tekortkomingen.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder benadrukt dat [appellante] en [appellant] haar nimmer hebben geïnformeerd ten aanzien van de diverse auto’s die gedurende de schuldsaneringsregeling op naam van [appellante] werden geregistreerd. Een en ander klemt des temeer nu [appellante] en [appellant] op enig moment zijn overgegaan tot de aanschaf van een dieselauto, hetgeen een verhoging van de motorrijtuigenbelasting met zich meebracht, terwijl zij op dat moment de aanzienlijk lagere motorrijtuigenbelasting voor hun toenmalige auto al niet konden voldoen. Voorts herhaalt de bewindvoerder haar stelling dathet wel zeer onwaarschijnlijk is dat [appellante] inzake de motorrijtuigenbelasting nimmer enige acceptgiro van de Belastingdienst zou hebben ontvangen terwijl de betreffende auto’s steeds op haar naam waren geregistreerd en er in het verleden met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting bovendien automatisch incasso’s vanaf de rekening van [appellante] en [appellant] hebben plaatsgevonden. Tot slot benadrukt de bewindvoerder dat zij nimmer enig betaalbewijs heeft gezien van de betalingen van de nieuwe schulden zoals die door [appellante] en [appellant] worden gesteld. De bewindvoerder heeft haar primaire verzoek om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei dan ook gemotiveerd gehandhaafd. Desgevraagd geeft de bewindvoerder aan dat zij zich subsidiair op het standpunt stelt dat een eventuele verlenging een maximale verlenging van de schuldsaneringsregeling betreft, waarbij alle uit bedoelde regeling voortvloeiende verplichtingen onverkort van kracht blijven en dat zij verzoekt dat de postblokkade alsdan voor de volledige duur van de verlenging zal worden hersteld.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.8.2.

Vast staat, temeer nu zij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk en bij herhaling hebben erkend, dat [appellante] en [appellant] de bewindvoerder niet uit eigen beweging hebben geïnformeerd met betrekking tot de diverse auto’s welke gedurende het verloop van de schuldsaneringsregeling op naam van [appellante] werden geregistreerd. Een en ander klemt naar het oordeel van het hof des temeer nu er reeds op 23 april 2014 een verhoor bij de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden waarbij de kwestie met betrekking tot de destijds op naam van [appellante] geregistreerde auto nadrukkelijk besproken is. [appellante] en [appellant] hadden derhalve dienen te beseffen dat het wederom op naam van [appellante] zetten van een andere, en belastingtechnisch bovendien duurdere, auto spontaan en terstond aan de bewindvoerder had dienen te worden gemeld, hetgeen evenwel niet is geschied. Hiermee zijn [appellante] en [appellant] verwijtbaar tekort geschoten in de naleving van de voor hen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende (spontane) informatieplicht.

3.8.3.

Daar komt bij dat er met betrekking tot de in successie op naam van [appellante] geregistreerde auto’s ook nieuwe schulden zijn ontstaan, bestaande uit niet (tijdig) betaalde motorrijtuigenbelasting. Het hof acht de lezing der feiten van [appellante] en [appellant] hieromtrent daarbij uiterst onwaarschijnlijk. Niet valt in te zien waarom de Belastingdienst, zoals door [appellante] en [appellant] wordt gesteld, met betrekking tot de inning van de motorrijtuigenbelasting geen acceptgiro’s zou zenden naar de persoon op wiens naam de auto’s stonden geregistreerd, in casu [appellante] , maar naar de dochter van [appellante] en [appellant] , die volgens [appellante] en [appellant] zou hebben toegezegd voor betaling van voornoemde motorrijtuigenbelasting zorg te dragen. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat het , ongeacht de strekking van de klaarblijkelijk met de dochter gemaakte afspraken, nadrukkelijk op de weg van [appellante] en [appellant] heeft gelegen om zich nauwgezetter van de betaling van de motorrijtuigenbelasting te vergewissen nu het uitblijven van een dergelijke betaling in het kader van de schuldsaneringsregeling immers zou leiden tot een nieuwe schuld, met alle mogelijke, uiterst ingrijpende gevolgen voor [appellante] en [appellant] van dien. Gelet op al het vorengaande is het hof dan ook van oordeel dat van het verlenen van een schone lei op dit moment geen enkele sprake kan zijn, het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellante] en [appellant] niet kunnen worden toegerekend als bedoeld in artikel 354 lid 1 Fw en evenmin dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 354 lid 2 Fw.

3.8.4.

Daar staat evenwel tegenover dat [appellante] en [appellant] de overige voor hen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen wel naar behoren zijn nagekomen, althans dat (vooralsnog) niet is gebleken dat zulks niet het geval zou zijn. Ook hebben [appellante] en [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat er op dit moment geen schulden met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting meer bestaan en dat de nieuwe schuld aan het VGZ van circa

€ 770,00 direct, althans op zeer korte termijn, door hen zal worden voldaan. Na de zitting is bij het hof ingekomen een overschrijvingsafschrift van 25-5-2016 ten bedrage van € 680,00 onder vermelding ‘naam: VGZ’. Hoewel [appellante] en [appellant] ter adstructie van de door laatste nieuwe schuld aan VGZ in hoger beroep nog geen verificatoire bescheiden hebben overgelegd/hebben kunnen overleggen acht het hof het, gelet op de hoogte van de inkomsten van [appellante] en [appellant] , evenwel realistisch dat de nieuwe schulden binnen afzienbare tijd geheel door hen kunnen worden afgelost.

3.8.5.

Het hof acht in dit specifieke geval dan ook termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling voor de duur van zes maanden te verlengen, teneinde [appellante] en [appellant] daarmee een allerlaatste kans te geven gedurende deze verlenging alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen, waaronder met name ook de (spontane) informatieverplichting, alsnog naar behoren na te komen en hun nieuwe schulden geheel af te lossen.

3.8.6.

Wat betreft de duur van de verlenging overweegt het hof het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarom de termijn van artikel 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarom onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. Nu het hof van oordeel is dat een verlenging van zes maanden geïndiceerd is, zal de verlenging thans – gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw - duren tot 11 december 2016, nu in de periode 5 maart 2016 tot en met 10 juni 2016 gezien de uitspraak van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2935) de verplichtingen uit hoofde van afdeling II van de derde titel van de Faillissementswet voor [appellante] en [appellant] in ieder geval niet gelden. Het hof zal aldus de thans aan de orde zijnde einddatum bepalen.

3.8.7.

Het hof zal derhalve beslissen dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, en de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden verlengd tot 11 december 2016, waarbij uitdrukkelijk álle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, meer in het bijzonder doch niet uitsluitend de informatieplicht, door [appellante] en [appellant] onverkort, tijdig en in voorkomend geval spontaan dienen te worden nagekomen. Hierbij merkt het hof tot slot op dat het verzoek van de bewindvoerder om gedurende een verlenging van de schuldsaneringsregeling de postblokkade opnieuw in te voeren niet zal worden gehonoreerd.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet;

verlengt de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling met zes maanden na het eerste moment waarop dit arrest onherroepelijk kan worden, derhalve tot 11 december 2016;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts A.P. Zweers-van Vollenhoven en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2016.