Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2192

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
20-002216-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:5024, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2547, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de rechtbank veroordeelt het hof de verdachte van een schietpartij op 30 april 2012 in Terneuzen tot 15 jaar gevangenisstraf wegens (medeplegen van) 1. poging tot moord (op zoon), 2. poging tot doodslag (op diens moeder) en 3. voorhanden hebben van een automatisch kogelgeweer. De vorderingen van zoon en moeder zijn toegewezen behoudens de gevorderde shockschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-002216-14

Uitspraak: 6 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-

West-Brabant van 21 juli 2014 in de strafzaak met het parketnummer 02-700077-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

thans verblijvende in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:

  1. primair: het medeplegen van poging tot moord op [slachtoffer 1] ;

  2. primair: het medeplegen van poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , en

  3. het medeplegen van het voorhanden hebben van een machinegeweer,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de rechtbank beslist op de door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1 (slachtoffer 1)] , [benadeelde partij 2 (slachtoffer 2)] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] ingediende vorderingen tot schadevergoeding.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] zijn door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.

In hoger beroep hebben zij zich niet op de voet van art. 421 lid 3 Sv gevoegd, zodat deze vorderingen niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.

In hoger beroep zijn wel aan de orde de vorderingen tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1 (slachtoffer 1)] en [benadeelde partij 2 (slachtoffer 2)] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden, mr. H.M. van Dunsbergen en mr. R.B.M. Poppelaars, advocaten te Breda, aan de orde is gesteld.

Verder heeft het hof kennis genomen van hetgeen door mr. Van Straalen, advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar voren is gebracht in het kader van de uitoefening van het spreekrecht. Tot slot heeft het hof kennisgenomen van de toelichting die mr. Van Straalen heeft gegeven op de vorderingen tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte voor die feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest.

De vordering van de advocaat-generaal behelst voorts dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] integraal zal toewijzen met daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de verdediging is allereerst bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van al hetgeen hem onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd.

Subsidiair, voor het geval het hof de betrokkenheid van de verdachte bij de schietpartij bewezen acht, is door de verdediging bepleit dat dit voor wat betreft het onder 1 en 2 ten laste gelegde ten hoogste kan leiden tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (kort gezegd: medeplegen van zware mishandeling respectievelijk medeplegen van poging tot zware mishandeling).

Voorts heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden, althans dat in ieder geval niet de vordering tot vergoeding van shockschade kan worden toegewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

1.

dat hij op of omstreeks 30 april 2012 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan en, aldaar aangekomen, meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op die [slachtoffer 1] en/of de woning gelegen aan de [A-straat 43] , alwaar die [slachtoffer 1] verbleef, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


dat hij op of omstreeks 30 april 2012 te Terneuzen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer 1] ), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (meerdere schotwonden in/aan het lichaam) heeft toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen te schieten op die [slachtoffer 1] , althans op de woning waar die [slachtoffer 1] op dat moment aanwezig was,

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


dat hij op of omstreeks 30 december 2012 te Terneuzen ter voorbereiding van het al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten overtreding van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, althans een al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk een vuurwapen bestemd voor het al dan niet in vereniging begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.
dat hij op of omstreeks 30 april 2012 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] is gegaan en, aldaar aangekomen, meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op de woning gelegen aan de [A-straat 43] , alwaar die [slachtoffer 2] op dat moment verbleef, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 30 april 2012 te Terneuzen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen heeft geschoten op een woning gelegen aan de [A-straat 43] waar die [slachtoffer 2] op dat moment aanwezig was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


dat hij op of omstreeks 30 december 2012 te Terneuzen ter voorbereiding van het al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten overtreding van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, althans een al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk een vuurwapen bestemd voor het al dan niet in vereniging begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad,

derde subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


dat hij op of omstreeks 30 december 2012 te Terneuzen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend met een vuurwapen heeft geschoten op een persoon (te weten [slachtoffer 2] ), althans op een woning waar die [slachtoffer 2] op dat moment aanwezig was, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.
dat hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 mei 2012 te Terneuzen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie, te weten een enkelloops machine(kogel)geweer (merk Zastava) voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte, die zulks ontkent, betrokken is geweest bij de in de tenlastelegging onder 1 en 2 bedoelde schietpartij. Daartoe is – in de kern – aangevoerd:

  • -

    dat aangever ongeloofwaardig heeft verklaard over een aan de schietpartij voorafgaande incident met een zwarte BMW waar verdachte bij aanwezig zou zijn geweest;

  • -

    dat de verdachte op 30 april 2012 niet aanwezig was bij de beschieting van het woonhuis van de slachtoffers omstreeks 22.03 uur. Aantoonbaar is dat de verdachte reeds vóór 22.00 uur met zijn zus [zus 1] in de auto op weg was naar zijn oom in Haarlem;

  • -

    dat in de uitlatingen die de verdachte op 1 maart 2012 tegenover de politie zou hebben gedaan geen opmaat te zien is dat hij de woning van [slachtoffer 1] zou gaan beschieten;

  • -

    dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de gelegenheid hebben gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen, zodat deze verklaringen met grote behoedzaamheid moeten worden bezien;

  • -

    dat de familie [van de slachtoffers] heeft getracht om getuigen aan te zetten tot het afleggen van valse, voor de verdachte belastende verklaringen;

  • -

    dat het door de getuige [getuige 2] genoemde kenteken van de witte bestelauto niet overeenkomt met het [kenteken 1] van de door [slachtoffer 1] genoemde witte bestelauto van [vader van medeverdachte 4] ;

  • -

    dat het door de getuige [getuige 2] opgegeven signalement van de persoon die na de schietpartij in de witte auto stapte niet overeenkomt met dat van de verdachte;

  • -

    dat geen bewijswaarde toekomt aan het op het machinegeweer aangetroffen DNA-spoor.

Onder meer op grond van hetgeen is betoogd met betrekking tot het DNA-bewijs heeft de verdediging tevens vrijspraak bepleit met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, de volgende feiten en omstandigheden vast.1

Aan de schietpartij voorafgaand incident

Blijkens een tweetal processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] zijn op 30 april 2012, omstreeks 21.50 uur, [slachtoffer 1] en zijn broer [getuige 1] verschenen aan het politiebureau te Terneuzen, waar zij spraken met verbalisant [verbalisant 1] . [getuige 1] meldde dat hij net daarvoor was gebeld door zijn moeder dat [medeverdachte 1] alsmaar door de [A-straat] reed in een zwarte auto. [getuige 1] vertelde dat hij daarom direct naar de woning van zijn moeder was gereden en daar bij de woning van zijn moeder een zwarte BMW met [kenteken 2] door de straat zag rijden. [getuige 1] vertelde dat hij in de deuropening van de woning van zijn moeder stond toen de BMW weer door de straat reed en ter hoogte van de woning van zijn moeder stopte. [medeverdachte 1] had achter het stuur gezeten en naast hem zat [verdachte] . Op dat moment zou [medeverdachte 1] hebben gezegd: “We zijn nog niet klaar met jou”, waarna hij met piepende banden zou zijn weggereden.23

De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] vernamen op 30 april 2012 van [verbalisant 1] , kort nadat [verbalisant 1] op het politiebureau met [slachtoffer 1] en [getuige 1] had gesproken, dat [medeverdachte 1] als bestuurder in de BMW had gereden en dat [verdachte] als bijrijder in de auto zou hebben gezeten.4

[getuige 1] heeft verklaard dat hij en zijn broer [slachtoffer 1] voor de woning van zijn broer en moeder zijn bedreigd door [verdachte] en [medeverdachte 1] , die in een zwarte BMW kwamen aanrijden en onder andere zeiden “We zijn nog niet klaar met jullie” en ”We gaan jullie doodschieten”. Vervolgens is [getuige 1] meteen met zijn broer naar het politiebureau gereden.5

Moeder [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij heeft gezien en gehoord dat haar zoons [slachtoffer 1] en [getuige 1] voor haar woning zijn bedreigd vanuit een zwarte BMW (“Ik maak je dood, ik schiet je dood”) waarin zij als bestuurder zag zitten [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en naast deze [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ). Haar zoons zijn gelijk daarna naar de politie gegaan.6

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij voor zijn woning, terwijl zijn moeder en zijn broer [getuige 1] ook thuis waren, met de dood is bedreigd door [medeverdachte 1] vanuit een zwarte BMW waarin ieder geval [medeverdachte 1] en [verdachte] zaten en dat hij daarna (met zijn broer) naar het politiebureau is gegaan om aangifte van deze bedreiging te doen.7

De schietpartij

Op 30 april 2012 omstreeks 22.06 uur kwamen bij de Gemeenschappelijke Meldkamer Zeeland telefonische meldingen binnen van een schietpartij op het adres [A-straat 43] te Terneuzen, op welk adres de familie [van de slachtoffers] woonachtig is.89 Bij deze schietpartij zou meermalen geschoten zijn en er zouden gewonden zijn.

In de woning aan de [A-straat 43] werden door een politie-eenheid twee gewonden aangetroffen, te weten [slachtoffer 1] en diens moeder [slachtoffer 2] .10

[slachtoffer 1] is met spoed naar het ziekenhuis te Gent (België) gebracht. Bij hem werden meerdere uitwendige en inwendige letsels geconstateerd, veelal laag in de buik en in de bekkenstreek, waarvoor een operatieve ingreep en ziekenhuisopname nodig waren.11 Ten tijde van het opnemen van de letselbeschrijving (28 juni 2012) was het de vraag was of alles uiteindelijk volledig zou herstellen. Uit de aanvullende letselbeschrijving van 29 mei 201312 blijkt dat zich toen nog op diverse plekken in de buikholte diverse kogelfragmentjes bevonden en dat er twee vijf uur durende operaties hebben plaatsgevonden aan de buikholte en aan de penis, waarbij diverse beschadigingen werden geïnspecteerd, gespoeld en gehecht en een kunstmatige omleiding werd aangelegd. Uit de verklaring van de arts Decaestecker uit het UZ te Gent is gebleken dat [slachtoffer 1] na deze operaties nog eens vijf maal is geopereerd.13

Zijn moeder [slachtoffer 2] is overgebracht naar het ziekenhuis in Terneuzen. Door de chirurg aldaar is geconstateerd dat zij twee wonden had, in haar linker bovenbeen en in haar rechter bovenbeen. Uit het rechterbeen is een voorwerp verwijderd, een in het linkerbeen geconstateerd voorwerp heeft men laten zitten. Conclusie: meerdere wonden passend bij het beschreven schietincident die volledig zullen genezen en geen direct levensgevaar hebben opgeleverd.14

Verklaringen van de slachtoffers

[slachtoffer 1]

Op 3 mei 2012 is [slachtoffer 1] in het UZ Gent door de Belgische politie gehoord.15 Hij verklaart onder meer dat hij en zijn broer [getuige 1] op 30 april 2012 na het bezoek aan het politiebureau naar huis zijn gereden [het hof begrijpt: naar de ouderlijke woning van [slachtoffer 1] aan de [A-straat 43] te Terneuzen] en dat zijn broer [getuige 1] is vertrokken. [slachtoffer 1] zag toen door het raam van de woonkamer een witte bestelbus langzaam voorbij de woning rijden. Deze auto reed rondjes in de straat. Nadat hij de auto voor de tweede maal voorbij zag rijden, is hij gaan kijken aan de voordeur. Hij zag de auto stoppen bij de gehandicaptenhuisjes rechts van hem en zag in de auto [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] was de bestuurder. Allen kwamen uit de auto en liepen al schietend naar hem toe. [slachtoffer 1] weet zeker dat iedereen een vuurwapen had en er waren wapens bij waar vuur uitkwam. Hij heeft hen herkend aan hun gezicht. [medeverdachte 1] en [verdachte] liepen naast elkaar. [slachtoffer 1] heeft zich omgedraaid en de voordeur dichtgegooid. Toen hij al binnen was voelde hij dat hij geraakt was. Hij is op zijn moeder gesprongen in de woonkamer om haar te beschermen en hoorde nog steeds schoten door de ramen. Even later sprong zijn moeder op en schreeuwde buiten om hulp. Zij was in haar benen geraakt.

Desgevraagd noemt [slachtoffer 1] de achternamen van [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 3] .16 Hij verklaart tenslotte nog: “ [verdachte] was duidelijk bij de raid. Hij zat in de zwarte BMW en beiden bedreigden ze mij door te zeggen ‘Ik ga je doodschieten’ ”.17

[slachtoffer 2]

Op 4 mei 2012 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan.18 Zij verklaart onder meer als volgt.

Zij was op 30 april 2012 in de avond in haar woning boven aan het opruimen toen zij [slachtoffer 1] hoorde roepen: ”De zwarten zijn hier” en “ [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn hier”. Zij keek naar buiten en zag [verdachte] en [medeverdachte 1] in de struiken bij een zwarte BMW staan, die zij herkende als de auto van [medeverdachte 1] . Zij kent beide jongens goed omdat haar zoons haar voor hen hebben gewaarschuwd. Zij zag vervolgens [medeverdachte 1] achter het stuur zitten en [verdachte] ernaast, ze reden langs de woning. Zij is naar beneden gegaan, zij hebben [getuige 1] gebeld met het verzoek te komen. Zij heeft gezegd dat [slachtoffer 1] en [getuige 1] naar de politie moesten gaan om het voorval door te geven. Zij stond bij de voordeur en [slachtoffer 1] en [getuige 1] gingen naar buiten. Op dat moment kwam de zwarte BMW van [medeverdachte 1] weer langsrijden en stond even stil. Zij zag dat [medeverdachte 1] achter het stuur zat en [verdachte] naast hem. Zij zag ook mensen achterin zitten. Zij hoorde twee stemmen vanaf de voorkant van de auto roepen: “Ik maak je dood, ik schiet je dood”. De BMW vertrok weer. [slachtoffer 1] en [getuige 1] zijn toen direct daarna naar de politie gegaan. Na ongeveer 10 minuten kwamen ze terug. [slachtoffer 1] stapte uit de auto, [getuige 1] reed weg. In de woonkamer vertelde [slachtoffer 1] over het bezoek aan de politie, hij was op zijn hoede, keek uit het raam aan de voorzijde. Zij ging ook naar het raam en keek naar buiten. Daar zag zij een witte hoge auto, een klein busje, vanuit links langzaam langs de woning rijden. Zij kon de auto goed zien, zij keek in de auto en zag dat het daar druk was, dat er ook mensen achterin zaten. Zij zag zwarte koppen maar kon niet duidelijk zien wie er zaten. Zij zag een chauffeur en iemand naast hem zitten en daarachter koppen. [slachtoffer 1] liep naar de voordeur en deed die open. Op het moment dat hij naar buiten liep, hoorde zij schieten, dat waren een heleboel knallen, het klonk als vuurwerk. Zij hoorde [slachtoffer 1] roepen dat hij geraakt was. Hij kwam naar binnen, en deed de deur meteen achter zich dicht. Hij kwam de woonkamer binnen, zij voelde haar benen branden. [slachtoffer 1] sprong op haar, zij vielen beiden op de grond. [slachtoffer 1] lag bovenop. De schoten waren in één keer achter elkaar. [slachtoffer 1] kon niet meer staan. Zij heeft de buitendeur open gedaan en om hulp geroepen. Zij zag dat [verdachte] en [medeverdachte 1] wegrenden. Zij stond toen in de deuropening en deed een stap naar buiten. Zij herkende [verdachte] aan zijn grote bos haar, hij heeft een grof postuur. Zij herkende [medeverdachte 1] aan zijn lichaamsbouw. Zij zag dat die twee renden in de richting van een witte auto en dat er een groepje voor hen uit rende ook in de richting van die auto. Het waren er meer dan vijf. Zij weet niet of zij in die auto zijn gestapt.

Aanhouding kort na het schietincident van enkele verdachten

Na de melding van de schietpartij om 22.06 uur reden [verbalisant 2] en [verbalisant 3] naar de [A-straat] .19 Zij hadden van de meldkamer meegekregen dat er een BMW, voorzien van het [kenteken 2] was gezien. Het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat die auto op naam stond van [naam kentekenhouder] en dat [medeverdachte 1] er gebruik van maakte. Toen de verbalisanten over de [B-straat] in Terneuzen reden, zagen zij ter hoogte van nummer 22 een zwarte BMW met het [kenteken 2] staan. De auto stond schuin ingeparkeerd met zowel voor- als achterlichten aan. De verbalisanten zagen voorts dat schuin voor de woning aan de [B-straat 22] een groep van zes à zeven Antilliaanse personen stond en dat twee of drie personen uit die groep door de geopende voordeur van de woning nummer 22 naar binnen renden en de deur dichtklapten. Deze personen werden door de verbalisanten niet herkend. Wel herkenden zij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . De verbalisanten hoorden dat [medeverdachte 1] meermalen riep: “Ik heb er niets mee te maken”. De verbalisanten zagen even later dat de voordeur van de woning aan de [B-straat 22] weer open ging en dat [medeverdachte 4] naar buiten kwam. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] werden op 30 april 2012 omstreeks 22.15 uur ter plaatse door de politie aangehouden.20

Het hof stelt vast dat, volgens de ANWB Routeplanner, de afstand per auto tussen [A-straat 43] (plaats delict) en [B-straat 22] (locatie aanhoudingen) ongeveer 620 meter bedraagt, af te leggen in ongeveer vier minuten.

Forensisch sporenonderzoek

Bij het forensisch sporenonderzoek21 werden aan de voorzijde van de woning aan de [A-straat 43] te Terneuzen inschotbeschadigingen aangetroffen in het enkel glas van de voordeur alsmede in de dubbele beglazing van de ramen en in het raamkozijn. In de ruiten aan de achterzijde van de woonkamer zaten diverse uitschotbeschadigingen. In de woonkamer en de keuken werden meerdere fragmenten van kogelprojectielen aangetroffen. In het glas van de deur van de gang naar de woonkamer zaten rondvormige beschadigingen en ook in een muur van de woonkamer, in een vitrinekast, de zitbanken, de kussens en een radiator werden beschadigingen aangetroffen. Deze beschadigingen zijn zeer waarschijnlijk schotbeschadigingen c.q. ricochetwerking van afgevuurde kogelprojectielen. De beschadigingen in de voordeur bevonden zich op een hoogte tussen 92 en 127 centimeter en de beschadiging in de voorgevel tussen 86 en 136 centimeter.

Wapen en munitie

Bij het sporenonderzoek werden op de openbare weg vóór de woning [A-straat 43]

15 patroonhulzen aangetroffen van het kaliber 7.62. In en tussen de tuinbeplanting aan de voorkant van de woning lagen nog 3 soortgelijke hulzen.22

Op 11 mei 2012 werd onder [getuige 4] een automatisch vuurwapen, voorzien van het serienummer 53966/B-53966, aangetroffen en in beslag genomen.23 Het is een enkelloops machine(kogel)geweer van het merk Zastava, model M70AB2, kaliber 7.62, met het serienummer B-53966. Dit is de Joegoslavische uitvoering van het Russische origineel AK47, systeem Kalashnikov.24

Met het kogelgeweer is een aantal proefschoten gelost, waarbij gebruik is gemaakt van munitie uit eigen bestand van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie. Daarbij is vastgesteld dat het kogelgeweer naar behoren functioneerde.

Bij het vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen in vier van de achttien nabij de woning aan de [A-straat 43] te Terneuzen aangetroffen patroonhulzen en die in de proefhulzen uit het kogelgeweer is vastgesteld dat de vier hulzen waarschijnlijk zijn verschoten met het onder [getuige 4] aangetroffen en in beslag genomen kogelgeweer.25

[getuige 4] heeft verklaard dat hij het betreffende wapen op 30 april 2012 tussen 22.00 uur en 23.00 uur heeft aangetroffen in de bosjes nabij de woning van zijn vriendin aan de [C-straat 18] te Terneuzen. De loop van het wapen was op dat moment nog gloeiend heet, het wapen stond niet op veilig en er zat geen patroon meer in.26

Uit de ANWB-routeplanner blijkt dat de loopafstand tussen de [A-straat 43] respectievelijk de [B-straat 22] en de [C-straat 18] Terneuzen 1,1 kilometer respectievelijk 500 meter bedraagt.

Verklaringen van getuigen

[getuige 1]

heeft op 2 mei 2012 tegenover de politie verklaard27 dat hij een dag eerder

met zijn broertje [het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ] had gesproken. [getuige 1] had hem gevraagd

wat er was gebeurd, waarop [slachtoffer 1] onder meer vertelde dat hij had gezien dat er een wit

busje enkele keren langs zijn huis was gereden. [slachtoffer 1] had hiernaar gekeken en zag toen dat dit busje rechts van zijn huis stond met de neus in de richting van [D-straat] . [getuige 1] verklaarde dat [slachtoffer 1] hem had gezegd dat hij de voordeur had geopend en dat er vijf mannen op hem af kwamen, maar dat het er ook meer konden zijn, dat er toen al op hem, [slachtoffer 1] , was geschoten en hij toen al was geraakt, dat hij nog net op tijd de deur dicht kon doen en dat er vervolgens werd geschoten op de woning, dat [slachtoffer 1] nog in de gang was en daar ook werd geraakt, dat [slachtoffer 1] toen vanuit de gang de woonkamer in is gesprongen naar zijn moeder en dat hij had gezien dat zij ook was geraakt. [getuige 1] verklaarde verder dat [slachtoffer 1] de namen noemde van degenen die hij had herkend: de voorsten waren [medeverdachte 1] en [verdachte] . Zij stonden op de voorgrond bij het afvuren. De anderen waren [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en nog een jongen, van wie [getuige 1] zich op dat moment de naam niet kon herinneren. Hij dacht [pseudoniem van medeverdachte 4] , de grootste zoon van [vader van medeverdachte 4] [het hof begrijpt dat bedoeld wordt: [medeverdachte 4] , zoon van [vader van medeverdachte 4] ].

Buurtbewoners

Diverse buurtbewoners - [buurtbewoner 1]28, [buurtbewoner 2]29, [buurtbewoner 3]30, [buurtbewoner 4]31, [buurtbewoner 5]32, [buurtbewoner 6]33, [buurtbewoner 7]34 en [getuige 2]35 - hebben verklaard dat zij die avond opgeschrikt werden door schoten en dat zij een witte bestelauto hebben zien wegrijden.

[getuige 2]

De getuige [getuige 2]36 was die avond werkzaam als woonbegeleidster van Stichting [naam stichting] . Deze Stichting heeft de woningen aan de [A-straat 12-16] . Deze woningen worden door omwonenden kennelijk ook wel “de invalidenwoningen” genoemd. Deze woningen liggen, bezien vanuit de woning aan de [A-straat 43] in een rechte hoek direct links van [A-straat 43] . [getuige 2] verklaarde dat zij ten tijde van de schietpartij achterin de woonkamer van [A-straat 16] achter haar computer zat. Nadat ze omstreeks 22.03 uur (dit tijdstip zag ze op haar computer) heel veel geweerschoten hoorde, keek zij door het raam naar buiten. Zij zag een witte Opel Combo stilstaan voor [A-straat 14] en zag een man uit de richting van de woning aan de [A-straat 43] aan komen lopen. Zij zag die man instappen aan de passagierskant van de Opel Combo. Zij heeft de volgende beschrijving van hem gegeven: hij had een donkere muts op waar rastahaar onder vandaan kwam. Hij had een donkere huidskleur en een mager en ingevallen gezicht. Hij was niet zo groot, zo’n 1.70 à 1,75 m., en had een tenger/normaal postuur. [getuige 2] heeft de man zo rond de 20 jaar oud geschat en vermoedde dat hij van Antilliaanse afkomst was.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Met betrekking tot het beweerde alibi van de verdachte

De verdachte heeft op 24 mei 2012 tegenover de politie verklaard (p. 402 e.v. dossier I) dat hij op 30 april 2012, nadat hij met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met de zwarte BMW van [medeverdachte 1] naar de Koninginnedag viering in Vlissingen was geweest, bij terugkeer in Terneuzen ’s avonds tussen 21.00 en 21.30 uur direct door [medeverdachte 1] is afgezet op het adres van zijn, verdachtes, ouders aan de [B-straat 42] . De verdachte zegt dronken te zijn geweest en door zijn zus [zus 1] met de auto naar zijn oom [oom van verdachte] in Haarlem te zijn gebracht; de volgende ochtend moest hij immers weer op zijn stageadres in Noord-Holland zijn. Volgens [zus 1] (p. 246 e.v. dossier I) is verdachte omstreeks 21.30 à 21.45 uur dronken thuisgekomen en is zij met de verdachte als passagier in de auto van haar moeder reeds vóór 22.00 uur weggereden uit Terneuzen en zijn zij rond 1.00 uur in Haarlem aangekomen.

Volgens de verdachte wordt zijn alibi bevestigd door zijn vader (voor wat betreft de aankomst van verdachte thuis en het vertrek naar zijn oom in Haarlem), de oom van de verdachte (voor wat betreft aankomst verdachte in Haarlem) en een neef van de verdachte, [neef 1] . Laatstgenoemde heeft verklaard dat hij de verdachte en zijn zus nog vóór 22.00 uur in de auto heeft zien rijden bij de rotonde bij de Kwik-Fit in Terneuzen, waarbij er kort contact tussen hen is geweest. Hierover verklaart ook [zus 1] .

Ten aanzien van de geloofwaardigheid van al deze verklaringen overweegt het hof het volgende.

Volgens de verdachte37 bedraagt de reistijd per auto van Terneuzen naar Haarlem zo’n twee tot twee-en-een-half uur. Uitgaande van het zowel door [zus 1] als door [oom van verdachte] genoemde tijdstip van aankomst in Haarlem (rond 01.00 uur), welk tijdstip ook aansluit bij de verklaring van de verdachte dat hij bij zijn oom in Haarlem omstreeks 01.15 uur de wekker heeft gezet38, is aannemelijk dat [zus 1] en de verdachte eerst (enige tijd) ná 22.00 uur, in ieder geval na het tijdstip van de schietpartij (waarvan om 22.06 uur via 112 melding is gedaan), vanuit Terneuzen vertrokken zijn.

De verklaring van [zus 1] , dat zij en de verdachte reeds tussen 21.30 uur en 21.45 uur zijn vertrokken uit Terneuzen acht het hof, gezien de door de verdachte genoemde gebruikelijke reistijd, bovendien niet aannemelijk omdat dit zou betekenen dat de reistijd - in de nachtelijke uren van 30 april 2012 op 1 mei 2012 - drie uur en 15 – 30 minuten zou hebben bedragen, terwijl die normaal gesproken niet meer dan twee-en-een-half uur bedraagt. Ook dit is reden om aan te nemen dat de werkelijke vertrektijd in Terneuzen later lag dan de tijden die [zus 1] en haar vader hebben genoemd.

De verklaring van [neef 1] is hiermee eveneens ongeloofwaardig, waarbij het hof voorts in aanmerking neemt dat voornoemde verklaring van [neef 1] wordt weersproken door [vriend van neef 1] (pagina 253-254, proces-verbaal I)) die op dat moment bij [neef 1] achterop de fiets zat en die heeft verklaard dat ze onderweg geen bekenden zijn tegengekomen bij de rotonde of daarna.

Met betrekking tot de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte overweegt het hof dat de verdachte heeft gelogen waar hij verklaart dat hij niet betrokken is geweest bij het bedreigingsincident dat aan de schietpartij vooraf is gegaan.

De verklaring van de verdachte dat hij na terugkeer in Terneuzen vanuit Vlissingen tussen 21.00 en 21.30 uur direct door [medeverdachte 1] is afgezet bij de woning van zijn, verdachtes, ouders aan de [B-straat 42] , wordt immers door vier getuigenverklaringen weerlegd, om te beginnen door de hierboven weergegeven verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daarnaast heeft ook [getuige 1] verklaard39 dat hij op de avond van 30 april 2012 van zijn broer [slachtoffer 1] een berichtje had ontvangen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] met de auto voor de deur hadden gestaan, waarop hij direct naar de woning van zijn moeder en broer was gereden, en vanuit de deuropening zag dat de BMW met het [kenteken 2] stopte, dat [medeverdachte 1] achter het stuur zat, dat [verdachte] naast hem zat en dat er nog meer mensen achterin zaten. Ook uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat hij toen hoorde dat [verdachte] riep: “We zijn nog niet klaar met jullie” en voorts dat hij hoorde dat [medeverdachte 1] en [verdachte] vervolgens door elkaar heen tegen hen begonnen te praten, waarbij zij zeiden dat zij hen gingen doodschieten.

Voorts heeft de getuige [getuige 3] tegenover de politie verklaard40 dat zij vanuit haar woning [A-straat 21] had gezien dat de verdachte en [medeverdachte 1] op 30 april 2012 omstreeks 21.30 uur op de [A-straat] te Terneuzen uit de BMW van [medeverdachte 1] stapten en in de buurt van de auto bleven staan. [getuige 3] verklaart dat zij hen al jaren kent en met hen in Terneuzen is opgegroeid. De getuige [getuige 3] heeft voorts verklaard dat zij vijf à tien minuten later hoorde dat de portieren van een auto werden dichtgeslagen en dat een auto werd gestart. Zij zag vervolgens de BMW van [medeverdachte 1] voor haar woning langs in de richting van de woning van [slachtoffer 1] rijden.

Behalve in de hiervoor bedoelde getuigenverklaringen, vindt het aan de schietpartij voorafgaande incident ook bevestiging in het gegeven dat [slachtoffer 1] en [getuige 1] 30 april 2012 omstreeks 21.50 uur op het politiebureau in Terneuzen daarvan melding hebben gemaakt, waarbij zij de namen van [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben genoemd. Dit was vóór het schietincident dat omstreeks 22.03 uur plaatsvond.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachte bij dat bedreigingsincident aanwezig was en pas na het schietincident uit Terneuzen vertrokken is. Dit betekent dat verdachte een leugenachtig alibi heeft verstrekt.

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het schietincident

Anders dan de verdediging acht het hof de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

over de schietpartij zelf betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit de verklaring die [getuige 1] op 2 mei 2012 bij de politie heeft afgelegd, volgt dat hij [slachtoffer 1] reeds op 1 mei 2012, daags na de schietpartij, heeft gesproken waarbij [slachtoffer 1] zich tegenover hem, [getuige 1] , heeft uitgelaten over de betrokkenen bij de schietpartij. Bij zijn verhoor op 3 mei 2012 heeft [slachtoffer 1] in gelijke zin verklaard tegenover de politie. Bovendien wordt die opgave in grote lijnen bevestigd in de verklaring die zijn moeder, [slachtoffer 2] , op 4 mei 2012 heeft afgelegd.

Daarnaast vinden de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] steun in objectieve feiten en omstandigheden. Het hof merkt in dit verband in de eerste plaats op dat verschillende getuigen hebben verklaard dat zij kort voor en na de schietpartij in de [A-straat] te Terneuzen een witte bestelauto langzaam hebben zien rondrijden of stilstaan.

Voorts stelt het hof vast dat de politie enkele minuten na de melding van de schietpartij (melding om 22.06 uur) op de [B-straat] te Terneuzen - op betrekkelijk korte afstand van de plaats delict, ruim 600 meter – vier van de vijf personen die volgens [slachtoffer 1] bij de schietpartij aanwezig waren heeft aangetroffen en aangehouden (tijdstip aanhouding 22.15 uur). Dit betekent dat deze personen vlak in de buurt van de schietpartij waren én in de samenstelling die [slachtoffer 1] heeft genoemd. Alleen de verdachte ontbrak in die groep. Hierbij merkt het hof op dat bij aankomst van de politie kort na de melding in de [B-straat] voor de woning aan de [B-straat 22] een groep van zes à zeven Antilliaanse personen stond en dat twee of drie personen uit die groep door de geopende voordeur van de woning nummer 22 naar binnen renden en de deur dichtklapten en later niet meer door de politie zijn aangetroffen.

Opvallend gegeven hierbij is tevens dat [medeverdachte 1] - een van degenen die volgens [slachtoffer 1] bij de schietpartij aanwezig waren - bij zijn aanhouding herhaaldelijk riep: ‘Ik heb er niets mee te maken’ en dat hij ook bij zijn voorgeleiding heeft gezegd dat hij niets met een schietpartij te maken had. Dit suggereert dat [medeverdachte 1] kennis had van de schietpartij, maar in zijn verhoor op 2 mei 2012 verklaarde [medeverdachte 1] echter dat hij helemaal niet wist dat er geschoten was en dat hij verbaasd was dat hij werd aangehouden.

Opmerkelijk acht het hof voorts dat ook [medeverdachte 4] - eveneens een van degenen die, aldus [slachtoffer 1] , bij de schietpartij aanwezig waren – een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd over de avond van 30 april 2012. Volgens [medeverdachte 4] hebben zijn ouders die avond na thuiskomst van de Koninginnedag viering in buurthuis De Kameleon na het avondeten visite ontvangen. De visite bestond volgens [medeverdachte 4] uit zijn oom [vader van verdachte] , zijn tante [moeder van verdachte] en zijn nichtjes [zus 1] en [zus 2] [hof: de ouders respectievelijk de zussen van de verdachte]. Zij zaten volgens [medeverdachte 4] in de woonkamer en de vader van [medeverdachte 4] zat op de bank. [medeverdachte 4] zelf heeft zich die avond naar zijn zeggen aan de computer in de woonkamer bezig gehouden met zijn schoolwerk. Op een gegeven moment - rond 21.00 uur à 21.30 uur - is de visite weggegaan en zijn ouders naar boven gegaan, aldus [medeverdachte 4] . Circa tien minuten later zag hij lichten voor de woning waarop hij naar de voordeur is gelopen en de voordeur heeft geopend. [medeverdachte 4] zag toen een aantal agenten staan met getrokken wapens. Hij heeft verder niemand de woning binnen zien komen.

De verklaring van [medeverdachte 4] , dat er tot 21.00 uur à 21.30 uur visite bij zijn ouders thuis is geweest, vindt echter geen bevestiging in de verklaring die de moeder van [medeverdachte 4] , de getuige [moeder van medeverdachte 4] , op 1 mei 2012 tegenover de politie heeft afgelegd. Zij verklaart in het geheel niet over visite op de avond van 30 april 2012. In tegendeel: volgens de getuige [moeder van medeverdachte 4] is haar man [hof: [betrokkene 2] ] na thuiskomst van de Koninginnedag viering in De Kameleon in bed gaan liggen omdat hij dronken was.

Ook uit de verklaring die de getuige [zus 1] [hof: de zus van de verdachte] tegenover de politie heeft afgelegd, blijkt niets van een op de avond van 30 april 2012 afgelegd familiebezoek aan huize [familie medeverdachte 4] .

Voorts wordt ook de verklaring van [medeverdachte 4] dat hij niemand de woning heeft zien binnenkomen, weersproken door het feit dat verbalisanten die avond even na tien uur ’s avonds twee of drie personen de woning aan de [B-straat 22] hebben zien inrennen terwijl [medeverdachte 4] kort daarop door diezelfde deur naar buiten kwam.

Derhalve moet het er naar het oordeel van het hof voor gehouden worden dat [medeverdachte 4] leugenachtig heeft verklaard teneinde zichzelf een alibi te verschaffen voor zijn aanwezigheid bij de schietpartij in de [A-straat] .

De verdediging heeft nog betoogd dat het door de getuige [getuige 2] opgegeven signalement van degene die zij na de schietpartij aan de passagierszijde van de witte auto zag instappen, niet past bij dat van de verdachte. Daarmee is dat signalement tevens in tegenspraak met het signalement van de verdachte, dat door [slachtoffer 2] is opgegeven.

Uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat hij onder meer heeft gezien dat de verdachte met een vuurwapen op hem schoot. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij [medeverdachte 1] en de verdachte na de schietpartij heeft zien wegrennen in de richting van een witte bestelauto en dat voor hen uit nog een vijftal anderen in de richting van die auto renden. Zij heeft niemand in de auto zien instappen. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij één manspersoon aan de passagierszijde van de witte auto heeft zien instappen.

Nog daargelaten de mogelijkheid dat getuige [getuige 2] , die maar één persoon heeft zien instappen, een ander dan de verdachte heeft gezien, is het hof van oordeel dat het door de getuige [getuige 2] van de manspersoon opgegeven signalement verdachte niet uitsluit. Dat het postuur en de lengte van die manspersoon, waarover zij heeft verklaard, niet volkomen in overeenstemming zijn met het postuur en de lengte van de verdachte maakt dat niet anders. De getuige heeft de manspersoon immers slechts korte tijd kunnen waarnemen en in die tijd was de manspersoon bovendien steeds in beweging (hij liep naar de auto en stapte in), waardoor kenmerken zoals de lengte van een persoon zich moeilijk eenduidig laat beschrijven. Dat de geschatte leeftijd niet overeenstemt met die van verdachte bevreemdt niet, nu leeftijd moeilijk is te schatten. Zo heeft [verbalisant 4] in een proces-verbaal gerelateerd dat hij, toen hij [oom van verdachte] , de oom van de verdachte, ging horen in diens woning in Haarlem, een andere manspersoon tegenkwam in de woonkamer. Dit was een jongere persoon van ongeveer 20 jaar oud. Tijdens het verhoor werd de verbalisant er door de oom op gewezen dat deze persoon de verdachte was.41

Ten slotte overweegt het hof dat zowel verdachte, zijn zus [zus 1] als zijn oom [oom van verdachte] hebben verklaard dat verdachte op 1 mei 2012 om circa 01.00 uur ’s nachts in de woning van [oom van verdachte] in Haarlem is aangekomen. Zoals reeds is opgemerkt, is dit tijdstip verenigbaar met verdachtes deelname aan het schietincident om circa 22.06 uur in de avond van 30 april 2012. De reistijd per auto van Terneuzen via Antwerpen (de route volgens de zus van verdachte) naar Haarlem bedraagt immers circa tweeëneenhalf uur (p. 424 proces-verbaal I).

Medeplegen

Door de verdediging is betoogd dat op grond van het forensisch sporenonderzoek slechts bewijs voorhanden is dat er één vuurwapen is gebruikt en dat uit de eerste verklaring die [slachtoffer 1] heeft afgelegd volgt dat hij zag dat vuur uit het wapen van [medeverdachte 1] kwam en dat hij voelde dat hij aan zijn linkerzijde werd geraakt. De verdediging heeft er in dit verband voorts op gewezen dat [slachtoffer 1] pas ten overstaan van de raadsheer-commissaris, wanneer hij in staat is geweest kennis te nemen van alle in deze zaak afgelegde verklaringen, heeft verklaard dat de verdachte en [medeverdachte 1] tegelijkertijd op hem hebben geschoten.

Het hof overweegt als volgt.

[slachtoffer 1] heeft reeds bij zijn verhoor op 3 mei 2012 tegenover de Belgische politie vijf namen genoemd van personen die hij bij de schietpartij had herkend. Een van die namen is ‘ [verdachte] ’. Ook heeft [slachtoffer 1] toen verklaard dat deze vijf personen ( [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ) uit de witte bestelbus kwamen en al schietend naar hem toe kwamen; iedereen had een vuurwapen en er waren wapens (hof: meervoud) waar vuur uit kwam.

Het gegeven dat op de openbare weg voor de woning aan de [A-straat 43] te Terneuzen en tussen de tuinbeplanting van die woning achttien patroonhulzen zijn aangetroffen die waarschijnlijk alle met één vuurwapen zijn verschoten, staat niet in de weg aan de mogelijkheid dat er meer dan één vuurwapen is gebruikt, zoals bijvoorbeeld een vuurwapen dat geen patroonhulzen uitwerpt. Ook het gegeven dat bij de op de [B-straat] (op 30 april 2012 om 22.15 uur) aangehouden personen zogenoemde ‘schiethanden’ zijn afgenomen, waarbij geen relevante sporen van schotresten zijn aangetroffen, staat er niet aan in de weg dat mogelijk door meer personen op [slachtoffer 1] is geschoten. De mogelijkheid bestaat immers dat de schutter of schutters handschoenen hebben gedragen tijdens het vuurwapengebruik.

Maar wat daarvan ook zij: op grond van het voorhanden bewijsmateriaal staat genoegzaam vast dat i) [slachtoffer 1] omstreeks 21.30 uur door [medeverdachte 1] en verdachte is bedreigd met doodschieten en met de woorden “we zijn nog niet klaar met jullie”, en ii) omstreeks 22.03 uur een witte bestelauto voorbij de woning van [slachtoffer 1] en diens moeder komt rijden, waaruit vijf personen – onder wie [medeverdachte 1] en de verdachte - met wapens springen die zonder enige aanleiding op [slachtoffer 1] aflopen, waarna op [slachtoffer 1] en, als deze naar binnen is gevlucht, op de woning wordt geschoten, in ieder geval met een automatisch vuurwapen (minstens 18 patronen verschoten), waarna meerdere, zo niet alle personen met de witte bestelauto weer wegrijden.

Deze gang van zaken rechtvaardigt de conclusie dat de verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde misdrijf heeft begaan. Ook indien verdachte niet zelf zou hebben geschoten, is sprake van medeplegen.

Voorbedachte raad?

Uit het gegeven dat verdachte en zijn mededader [medeverdachte 1] circa een half uur vóór het schietincident tegen [slachtoffer 1] hebben gezegd hem te zullen doodschieten en zij vervolgens deze aankondiging een half uur later kracht hebben bijgezet door met een aantal anderen op [slachtoffer 1] en de woning waarin deze verbleef met tenminste één vuurwapen, te weten een machinegeweer, op lichaamshoogte een salvo schoten af te vuren, is de poging om [slachtoffer 1] met voorbedachte raad van het leven te beroven wettig en overtuigend bewezen.

In het licht van het voorgaande acht het hof het veelzeggend dat de verdachte42 op 1 maart 2012 omstreeks 16.15 uur op het politiebureau in Terneuzen onder andere de volgende woorden heeft gebezigd: dat als hij een wapen zou hebben hij dit nooit thuis of bij zijn familie zou achterlaten, de politie zou dit wapen nooit vinden, dat [slachtoffer 1] als kind al zei dat hij ooit een zwarte dood zou maken en dat hij dit nu nog steeds roept, dat zijn neef [medeverdachte 1] nog steeds wordt lastiggevallen en voor zichzelf moet leren opkomen en zich als een man moet leren gedragen, dat hij niet voor zichzelf instaat als hij in het nauw gedreven wordt, dat dit niet leuk gaat worden, voor niemand niet en dat Terneuzen niet meer hetzelfde zal zijn, dat hij ze zal laten zien hoe een echte man handelt als ze in zijn buurt komen en dat hij ze dan op Colombiaanse wijze zal aanpakken.

Kwalificatie feiten 1 en 2

Door de verdediging is betoogd dat de schutter, door op heuphoogte te schieten, slechts het opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat ten hoogste het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen kan worden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen staat vast dat met een automatisch kogelgeweer van zwaar kaliber is geschoten, eerst op het lichaam van [slachtoffer 1] die in de voordeur stond, en vervolgens op de woning waarin die [slachtoffer 1] en zijn moeder verbleven. De inschotbeschadingen die aan en in de woning zijn aangetroffen bereikten een hoogte van 127 cm in de voordeur en van 136 cm in de voorgevel. Uit foto nummer 1943 blijkt van een inschotbeschadiging in de woonkamer van tenminste op borsthoogte van een gemiddelde volwassen persoon. [slachtoffer 1] heeft door deze schoten vele verwondingen opgelopen, veelal laag in de buik en in de bekkenstreek. Het hof is van oordeel dat de schutter, door met een dergelijk wapen op heup- en borsthoogte te schieten op [slachtoffer 1] en/of de woning waarin deze verbleef, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die [slachtoffer 1] door die kogels zouden worden gedood. Gelet op het feit dat het hier om een gezinswoning ging en verdachte en zijn mededader [medeverdachte 1] bovendien een half uur eerder in die woning naast [slachtoffer 1] nog een andere persoon aantroffen, kan het niet anders dan dat verdachte en zijn mededader(s) zich bewust zijn geweest van tenminste de aanmerkelijke kans dat zich naast [slachtoffer 1] nog een andere persoon op schootshoogte in die woning bevond en hebben ze door de woning op voormelde wijze met kogels te doorzeven, deze kans ook aanvaard.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 3

Ook indien de verdachte op 30 april 2012 niet met het wapen heeft geschoten, moet op grond van dezelfde overwegingen die meebrengen dat met betrekking tot de feiten 1 en 2 sprake is van medeplegen door de verdachte (kort gezegd: het opereren als groep met voorbedachte raad om [slachtoffer 1] neer te schieten), worden aangenomen dat verdachte het wapen tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad.

Aangezien het hof het DNA-spoor op het wapen, waarschijnlijk afkomstig van verdachte, niet tot bewijs zal bezigen – nu niet blijkt dat dit spoor delict-gerelateerd is - zal het hof niet ingaan op de verschillende verweren die door de verdediging omtrent dit DNA-spoor zijn aangevoerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht - op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij op 30 april 2012 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan en, aldaar aangekomen, meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op die Goktas en de woning gelegen aan de [A-straat 43] , alwaar die [slachtoffer 1] verbleef, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
dat hij op 30 april 2012 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk

[slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet naar de woning van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is gegaan en, aldaar aangekomen, meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op de woning gelegen aan de [A-straat 43] , alwaar die [slachtoffer 2] op dat moment verbleef, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
dat hij op 30 april 2012 te Terneuzen tezamen en in vereniging met een ander of anderen een wapen van categorie II, zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie, te weten een enkelloops machine(kogel)geweer (merk Zastava), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot moord.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 3. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bewezen verklaard is dat de verdachte zich, samen met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord, een poging tot doodslag en het bezit van automatisch vuurwapen.

De rechtbank, die dezelfde feiten bewezen achtte, heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft zich achter die strafoplegging geschaard.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte is samen met enkele anderen naar de woning van [slachtoffer 1] gekomen om uitvoering te geven aan een korte tijd voordien geuite doodsbedreiging aan het adres van [slachtoffer 1] . De verdachte en de mededaders waren op dat moment in ieder geval, maar wellicht daartoe niet beperkt, in het bezit van een automatisch machine(kogel)geweer, type Kalashnikov. De verdachte en zijn mededaders hebben de woning van [slachtoffer 1] gedurende enige tijd geobserveerd en de omgeving verkend door langzaam rond te rijden en stil te staan in de straat waar de woning van [slachtoffer 1] zich bevindt. Toen [slachtoffer 1] via de voordeur naar buiten kwam, is met het automatisch machine(kogel)geweer bewust op [slachtoffer 1] en, nadat deze naar binnen was gevlucht, op de voorkant van de woning geschoten, waarbij ten minste 18 kogelpatronen zijn afgevuurd. Zowel [slachtoffer 1] als zijn moeder, [slachtoffer 2] , werden door de kogelregen getroffen en beiden liepen daarbij ernstige verwondingen op. Met name voor [slachtoffer 1] zijn de gevolgen enorm.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het gebeuren niet anders kan worden betiteld dan als een brute moordaanslag, gepleegd op de openbare weg midden in een woonwijk.

Moord en doodslag behoren tot de meest ernstige misdrijven. Het opzettelijk (en in geval van moord met voorbedachte raad) benemen van iemands leven, waar het opzet van de verdachte en de zijnen gezien hun handelwijze onmiskenbaar op gericht was, is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed: het recht op leven. Het mag een wonder genoemd worden dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het er levend hebben afgebracht.

De gevolgen voor beide slachtoffers zijn enorm. [slachtoffer 1] is zeer ernstig gewond geraakt. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] die de advocaat van [slachtoffer 1] namens hem ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgelezen blijkt dat [slachtoffer 1] tot op de dag van vandaag de lichamelijke consequenties ondervindt van de opgelopen verwondingen: zijn fysiek is mogelijk blijvend aangetast, hij is inmiddels tientallen keren geopereerd en hij moet nog steeds meerdere keren per maand voor controle en/of behandeling naar het ziekenhuis. Verder is hij grotendeels bedlegerig en zeer beperkt in zijn lichaamsfuncties en mogelijkheden. Daarnaast is [slachtoffer 1] geestelijk voor het leven getekend.

Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter terechtzitting in hoger blijkt dat zij weliswaar lichamelijk is genezen van de opgelopen schotwonden, maar dat niettemin het verdriet over de aanslag op het leven van haar en haar zoon en de ernstige gevolgen daarvan met name voor haar zoon [slachtoffer 1] , dagelijks gevoed door de zorgtaak voor [slachtoffer 1] , en de spanning en de vrees voor vervolgacties haar leven tekenen.

Behalve voor de slachtoffers en hun naasten zorgen feiten als de onderhavige ook in de maatschappij voor ernstige gevoelens van onrust en onveiligheid.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten bezware van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij, zoals blijkt uit het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 14 maart 2016, reeds vele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van onder meer geweldsdelicten alsmede voor overtreding van de wapenwetgeving. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden de onderhavige feiten te plegen, hetgeen met zich brengt dat thans aan het belang van bescherming van de samenleving, mede gelet op het nietsontziende karakter van de handelwijze van de verdachte, een zwaar gewicht moet worden toegekend.

Voor moord acht het hof doorgaans een gevangenisstraf voor een duur van ten minste 12 jaren passend. Voor doodslag is dat een gevangenisstraf van ten minste 8 jaren. Bij de straftoemeting zal het evenwel op de voet van het bepaalde in artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht rekening houden met het gegeven dat het in deze zaak telkens om onvoltooide delicten gaat.

Naast de hiervoor genoemde levensdelicten heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen. Op grond van de binnen de rechterlijke macht ontwikkelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting wordt enkel voor dit feit een gevangenisstraf van negen maanden als passend beschouwd.

Alles overziend acht het hof, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren passend en geboden.

Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd

en een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van

€ 59.258,08. Dit bedrag bestaat uit:

  1. een bedrag van € 11.758,08 ter zake van materiële schade,

  2. een bedrag van € 40.000,00 bij wijze van voorschot ter zake van immateriële schade en

  3. een bedrag van € 7.500,00 bij wijze van voorschot ter zake van shockschade.

Ter terechtzitting van de rechtbank van 7 juli 2014 heeft de advocaat van [slachtoffer 1] tevens gevorderd dat de hoofdsom ad € 59.258,08 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 30 april 2012.

De rechtbank heeft de onderdelen a en b van de vordering toegewezen, met bepaling dat het bedrag van € 11.758,08 ter zake van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2014 en dat het bedrag van € 40.000,00 ter zake van immateriële schade zal worden vermeerderd vanaf 30 april 2012.

Met betrekking tot onderdeel c (shockschade) heeft de rechtbank [slachtoffer 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat hij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 32.500,00. Dit bedrag bestaat uit:

  1. een bedrag van € 7.500,00 bij wijze van voorschot ter zake van immateriële schade en

  2. een bedrag van € 25.000,00 bij wijze van voorschot ter zake van shockschade.

Ter terechtzitting van de rechtbank van 7 juli 2014 heeft de advocaat van [slachtoffer 2] tevens gevorderd dat de hoofdsom ad € 32.500,00 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 30 april 2012.

De rechtbank heeft onderdeel a van de vordering toegewezen, met bepaling dat het bedrag van € 7.500,00 ter zake van immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2012.

Met betrekking tot onderdeel b (shockschade) heeft de rechtbank [slachtoffer 2] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat zij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen, nu beiden zich bij monde van hun advocaat ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd voor zover hun vorderingen door de rechtbank niet waren toegewezen. Daarbij heeft de advocaat met betrekking tot onderdeel c van de oorspronkelijke vordering van [slachtoffer 1] , met verwijzing naar een ter terechtzitting overgelegd samenvattend verslag van L. de Smedt, behandelend psychiater van [slachtoffer 1] , d.d. 19 oktober 2015, betoogd dat bij [slachtoffer 1] sprake is van een posttraumatische stress-stoornis na en door de aanslag van 30 april 2012, waarbij het trauma geactualiseerd blijft door het aanslepende proces, door de somatische gevolgen en door de druk van de omgeving.

Met betrekking tot onderdeel b van de oorspronkelijke vordering van [slachtoffer 2] heeft de advocaat, met verwijzing naar een ter terechtzitting in hoger beroep overgelegd samenvattend verslag van L. de Smedt en J.M.L.T. Meij-Oey, behandelend psychiater respectievelijk arts van [slachtoffer 2] , d.d. 5 november 2015 betoogd dat bij haar sprake is een ernstige en herhaalde depressie en een posttraumatische stressstoornis. Deze mentale toestand leidt tot hartproblemen, aldus de advocaat: zij heeft een hartinfarct gehad en, onder invloed van haar mentale toestand, een eenzijdig ongeluk. De advocaat heeft er voorts op gewezen dat de almaar voortdurende zorgbehoefte van [slachtoffer 1] , waaraan zij primair invulling geeft, mede van invloed is op de geestelijke gezondheidstoestand van [slachtoffer 2] . Bij haar draait het om een samenloop van de gebeurtenissen: zij heeft haar zoon voor haar ogen neergemaaid zien worden met een machinepistool, zij heeft gezien en gevoeld hoe hij desondanks voor haar bescherming bovenop haar is gaan liggen en daardoor nog vaker werd geraakt;. Ook zij is daarbij door kogels geraakt en zij wordt thans al meer dan vier jaar lang door de uitvoering van haar zorgtaak dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van deze zaak voor haar zoon.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met inbegrip van de gevorderde shockschade toegewezen kunnen worden.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in hun vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden op grond van de bepleite vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging verweer gevoerd tegen de gevorderde shockschade.

Met betrekking tot de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderde shockschade overweegt het hof als volgt.

Shockschade is psychische schade die is ontstaan door een directe confrontatie met een schokkende gebeurtenis, zoals een ernstig misdrijf of de gevolgen daarvan. Een vordering tot het vergoeden van dergelijke schade is gebaseerd op artikel 51f, eerste lid, Sv. Een dergelijke vordering ziet daarmee op rechtstreekse schade van het strafbare feit, geleden door een ander slachtoffer dan het primaire slachtoffer (degene ten opzichte van wie het feit is begaan). Voor toewijzing is vereist dat er sprake is van een directe confrontatie met het delict of de gevolgen ervan en dat als gevolg van die confrontatie geestelijk letsel is ontstaan, hetgeen met name voorstelbaar is indien de desbetreffende persoon in een nauwe affectieve relatie stond tot het primaire slachtoffer. Een laatste vereiste is dat er sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Hoewel aan de hand van de door de advocaat van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] overgelegde verslagen van hun behandelend psychiater kan worden vastgesteld dat beiden kampen met een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten een posttraumatische stressstoornis, acht het hof de gevorderde shockschade binnen het bestek van deze strafzaak niet toewijsbaar. Het hof beschikt niet over een rapport waarin op grond van onderzoek door een psycholoog of psychiater een onderbouwde diagnose wordt gesteld waarin onder meer de relatie tussen de onderzoeksbevindingen en de diagnose aannemelijk wordt gemaakt.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat uit de verslagen van de psychiater niet duidelijk wordt of c.q. in hoeverre de psychische schade veroorzaakt is doordat de benadeelde partijen zelf slachtoffer zijn geworden dan wel doordat zij hebben moeten ervaren wat hun naaste is overkomen. Beantwoording van deze vraag levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafproces op, zodat de benadeelde partijen hun vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Het hof overweegt met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 1] voorts als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Nu de hoogte van de gevorderde vergoedingen voor de materiële en immateriële schade niet is betwist, zal de vordering in zoverre toegewezen worden, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Evenals de rechtbank zal het hof de wettelijke rente over de immateriële schade toewijzen vanaf 30 april 2012 en over de materiële schade vanaf 7 juli 2014, zijnde de datum van indiening van de vordering.

Het hof overweegt met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 2] voorts als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Nu de hoogte van de gevorderde vergoeding voor de immateriële schade niet is betwist, zal de vordering in zoverre toegewezen worden, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet, evenals de rechtbank, aanleiding om ten behoeve van beide slachtoffers de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als hierna te melden.

De verdachte (en zijn mededader of mededaders) is/zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof merkt hierbij nog het volgende op.

De rechtbank heeft ten behoeve van [slachtoffer 1] ter zake van materiële en immateriële schade de schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot een totaalbedrag van € 51.758,08. Daarbij heeft de rechtbank – in afwijking van de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] bepaald dat genoemd bedrag ‘vanwege de ondeelbaarheid van de vordering’ zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

7 juli 2014.

Anders dan de rechtbank zal het hof ook in het kader van de schadevergoedingsmaatregel de wettelijke rente over de immateriële schade toewijzen vanaf 30 april 2012 en over de materiële schade vanaf 7 juli 2014.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 60a, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde toe tot een bedrag van € 51.758,08 (eenenvijftig-duizend zevenhonderdachtenvijftig euro en acht cent), bestaande uit een bedrag van

€ 11.758,08 (elfduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en acht cent) aan materiële schade en een bedrag van € 40.000,00 (veertigduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader of mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander of anderen daarvan in zoverre zal/zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte de verplichting op om ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , aan de Staat te betalen een bedrag van € 51.758,08 (eenenvijftigduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en acht cent), bestaande uit een bedrag van € 11.758,08 (elfduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en acht cent) aan materiële schade en een bedrag van € 40.000,00 (veertigduizend euro)

aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

290 (tweehonderdnegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat voor de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer eveneens komt te vervallen indien en voor zover door zijn mededader of mededaders is voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde toe tot een bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader of mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander of anderen daarvan in zoverre zal/zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde

ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , aan de Staat te betalen

een bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (tweeën-zeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat voor de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] eveneens komt te vervallen indien en voor zover door zijn mededader of mededaders is voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 6 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de verwijzingen wordt bedoeld met proces-verbaal I: het procesdossier met het nummer PL1900-2012031329 d.d. 20 augustus 2013 van de regiopolitie Zeeland, rechercheteam 3 opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 1 t/m 517; proces-verbaal II: het eindproces-verbaal met dossiernummer 2012033937 d.d. 10 juli 2012 van politie Zeeland, rechercheteam 3, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 78; proces-verbaal III: het eindproces-verbaal met dossiernummer PL1900-2012031329 van politie Zeeland, rechercheteam 3, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 32; proces-verbaal IV: het eindproces-verbaal met dossiernummer PL1900-2012031329-164 van politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, divisie recherche, recherche team 3 ZVL, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, niet doorgenummerd.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 25 van proces-verbaal I.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 26 van proces-verbaal I.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 33 van proces-verbaal I.

5 Verklaring als getuige, pagina 47 van proces-verbaal I.

6 Verklaring als getuige, pagina 56 van proces-verbaal I.

7 Verklaring als getuige, pagina 105-106 van proces-verbaal I.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 27 van proces-verbaal I.

9 Proces-verbaal relaas, pagina 7 van proces-verbaal I.

10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 28 van proces-verbaal I.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een GGD-letselbeschrijving d.d. 28 juni 2012 opgemaakt door forensisch geneeskundige J. Vrencken, pagina 85 en 86 van proces-verbaal I.

12 Een schriftelijk bescheid, te weten een aanvullende GGD-letselbeschrijving d.d. 29 mei 2013 opgemaakt door forensisch geneeskundige J. Vrencken, pagina 87 en 88 van proces-verbaal I.

13 Proces-verbaal van getuigenverhoor K. Decaestecker, pagina 133 van proces-verbaal I.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een GGD-letselbeschrijving d.d. 7 juni 2012 opgemaakt door forensisch geneeskundige J. Vrencken, pagina 75 van proces-verbaal I.

15 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1] door de federale gerechtelijke politie Gent, pagina’s 103-109 van proces-verbaal I.

16 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1] door de federale gerechtelijke politie Gent, pagina 108 van proces-verbaal I.

17 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1] door de federale gerechtelijke politie Gent, pagina 109 van proces-verbaal I.

18 Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] , pagina’s 55-57 van proces-verbaal I.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 33 en 34 van proces-verbaal I.

20 Proces-verbaal relaas, pagina 8 van proces-verbaal I, en de processen-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 1] (pagina 431), [medeverdachte 3] (pagina 461), [medeverdachte 2] (pagina 479) en [medeverdachte 4] (pagina 495).

21 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina’s 277-281 van proces-verbaal I.

22 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 280 van proces-verbaal I.

23 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 9 van dossier II.

24 Proces-verbaal onderzoek voorwerp m.b.t. Wet Wapens en Munitie, pagina 323 en 324 van proces-verbaal I.

25 Proces-verbaal onderzoek vuurwapens en munitie, pagina’s 321-322 van proces-verbaal I.

26 Verhoor verdachte [getuige 4] , pagina’s 31-32 en 35-36 van proces-verbaal II.

27 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , pagina’s 49-51 van proces-verbaal I.

28 Proces-verbaal getuigenverhoor [buurtbewoner 1] , pagina’s 144 en 145 van proces-verbaal I.

29 Proces-verbaal getuigenverhoor [buurtbewoner 2] , pagina’s 149 en 150.

30 Proces-verbaal getuigenverhoor [buurtbewoner 3] , pagina 153 van proces-verbaal I.

31 Proces-verbaal getuigenverhoor [buurtbewoner 4] , pagina 167 van proces-verbaal I.

32 Proces-verbaal getuigenverhoor [buurtbewoner 5] , pagina 180 van proces-verbaal I.

33 Proces-verbaal getuigenverhoor [buurtbewoner 6] , pagina 182 van proces-verbaal I.

34 Proces-verbaal getuigenverhoor [buurtbewoner 7] , pagina 184 van proces-verbaal I.

35 Proces-verbaal getuigenverhoor [getuige 2] , pagina 189 van proces-verbaal I.

36 Proces-verbaal getuigenverhoor [getuige 2] , pagina 190-191 van proces-verbaal I.

37 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , pagina 407 van proces-verbaal I.

38 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , pagina 406 van proces-verbaal I.

39 Proces-verbaal verhoor getuige, pagina’s 47-48 van proces-verbaal I

40 Proces-verbaal verhoor getuige, pagina’s 215-216 van proces-verbaal I.

41 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 273 van proces-verbaal I.

42 Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 1 maart 2012, op ambtsbelofte opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , proces-verbaalnummer. PL193E 2012015385-2, dat als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2014 van verbalisant [verbalisant 7] , proces-verbaalnummer PL1900-2012031329-164.

43 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina’s 281 en 298 van proces-verbaal I.