Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2135

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
200.169.147_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:5111
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:28
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding huurovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.169.147/01

arrest van 31 mei 2016

in de zaak van

Stichting Woonbedrijf SWS.HHVL,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Woonbedrijf,

advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.J.G. van Strien te Sint-Oedenrode,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 april 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 maart 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen Woonbedrijf als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3600451/ CV EXPL 14-13446)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi gehouden op 3 december 2015, waarbij partijen pleitnotities hebben voorgedragen en waarvan verkort proces-verbaal is opgemaakt;

  • -

    de door Woonbedrijf ter gelegenheid van het pleidooi in het geding gebrachte productie 15;

  • -

    de akte houdende uitlatingen van [geïntimeerde] van 16 februari 2016 en de akte uitlating van Woonbedrijf van dezelfde datum;

  • -

    de antwoord akte uitlating van Woonbedrijf van 22 maart 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

In rov. 2.2 tot en met 2.8 van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de volgende feiten vastgesteld.

‘2.2. Bij overeenkomst van 18 april 2007 heeft Woonbedrijf aan [geïntimeerde] de woning te [plaats] aan de [adres 1] verhuurd.

2.3.

Namens [geïntimeerde] is bij brief van 13 januari 2014 een aanvraag urgentie bij Woonbedrijf ingediend, met het verzoek om vanwege zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid, en de daardoor noodzakelijke verzorging, hem in de nabijheid van zijn ouders/familie te laten wonen. Dit verzoek is door Woonbedrijf gehonoreerd.

2.4.

[geïntimeerde] huurt met ingang van 10 juni 2014 van Woonbedrijf de woning gelegen te [plaats] aan de [adres 2] . Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden woonruimte d.d. 1 november 2004 (hierna: de Algemene Voorwaarden) van toepassing verklaard.

2.5.

Deze Algemene Voorwaarden houden, onder meer en voor zover thans relevant, het

volgende in:

(...) Bescherming woonklimaat

6.7.1.

Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast, hinder of schade wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde en/of de directe woonomgeving of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden. (…)”.

2.6.

Op 18 juli 2014 heeft een incident tussen [geïntimeerde] en een stukadoor plaatsgevonden. De stukadoor heeft het incident gemeld bij Woonbedrijf en aangifte van mishandeling bij de

politie gedaan.

2.7.

Bij brief van 21 juli 2014 heeft Woonbedrijf aan [geïntimeerde] laten weten dat zij bezig zijn met onderzoek, maar dit gedrag, waarbij onder meer sprake is van fors geweld, niet tolereren. De werkzaamheden aan de woning worden opgeschort. Woonbedrijf stelt een contactverbod in en geeft aan zich te beraden op de stappen welke zij jegens [geïntimeerde] zal ondernemen, waarbij wordt vermeld dat deze stappen kunnen leiden tot ontruiming van de woning.

2.8.

Op 5 augustus 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen twee medewerkers van Woonbedrijf, haar raadsman, [geïntimeerde] , de zus van [geïntimeerde] en zijn raadsman.’

3.1.2.

Bij haar eerste grief heeft Woonbedrijf naar voren gebracht dat zij zich niet volledig kan vinden in de vaststelling van de feiten en omstandigheden zoals deze in rov. 2.7 en 2.8 zijn weergegeven. De feitenvaststelling in rov. 2.2 tot en met 2.6 heeft zij niet betwist. In zoverre kan en zal daarvan ook in hoger beroep worden uitgegaan. [geïntimeerde] heeft de door kantonrechter vastgestelde feiten niet betwist.

3.2.1.

In eerste aanleg vorderde Woonbedrijf, beknopt weergegeven:

- primair:

ontbinding van de tussen [geïntimeerde] en Woonbedrijf bestaande huurovereenkomst, ontruiming van de door [geïntimeerde] gehuurde woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres 2] , alsmede veroordeling van [geïntimeerde] om vanaf de datum van ontbinding tot aan het tijdstip van ontruiming een schadevergoeding te betalen van € 503,48 per maand.

- subsidiair:

[geïntimeerde] te veroordelen om met onmiddellijke ingang een einde te maken aan de overlast vanuit het gehuurde, alsmede in en in de nabijheid van de woning de overlast te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 750,00 per dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] in strijd met het te wijzen vonnis handelt;

- primair en subsidiair:

veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure en de nakosten.

3.2.2.

Aan deze vorderingen heeft Woonbedrijf, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] is gelet op het incident dat op 18 juli 2014 heeft plaatsgevonden, ernstig tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens Woonbedrijf om omwonenden en medewerkers van Woonbedrijf niet op enige wijze hinder of overlast aan te doen, althans geen hinder of overlast te veroorzaken en/of omwonenden en medewerkers niet te bedreigen. Deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst, temeer omdat anders de kans op nieuwe overlast blijft bestaan. In aanmerking genomen de (psychische) gevolgen bij het slachtoffer van eerdergenoemd incident en zijn verwanten alsmede de overige omwonenden en het niet bereid zijn van [geïntimeerde] om volledige behandeling te accepteren, maakt dat Woonbedrijf, ook gelet op eerdere incidenten aan de Marseillelaan, geen andere uitweg ziet dan het vorderen van de ontbinding van de huurovereenkomst.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.1.

Bij tussenvonnis van 8 januari 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, welke heeft plaatsgevonden op 19 februari 2015.

3.3.2.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter, kort gezegd, als volgt overwogen. De kantonrechter heeft veronderstellenderwijs aangenomen dat bij het incident op 18 juli 2014 [geïntimeerde] de agressor was en hij zich, buiten de gehuurde woning, schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van de stukadoor, die in opdracht van Woonbedrijf werkzaamheden had verricht aan het gehuurde. Naar het oordeel van de kantonrechter is er in dat geval sprake van een tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel rechtvaardigt. De kantonrechter acht, bij afweging van alle feiten en omstandigheden van dit geval, het beroep van Woonbedrijf op ontbinding van de huurovereenkomst echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij heeft de kantonrechter mede in aanmerking genomen dat indien de door Woonbedrijf gestelde toedracht van het incident op 18 juli 2014 juist is en [geïntimeerde] zich buiten het gehuurde schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van de stukadoor, dit incident dient te worden gezien vanuit de psychische gesteldheid van [geïntimeerde] .

Vervolgens heeft de kantonrechter de vorderingen van Woonbedrijf afgewezen en Woonbedrijf in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

Woonbedrijf heeft in hoger beroep veertien grieven aangevoerd. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. Woonbedrijf heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het toewijzen van haar vorderingen zoals vermeld in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep.

3.5.

Zoals het hof tijdens het pleidooi heeft aangegeven, acht het nadere instructie met het oog op het wijzen van een eindarrest nodig (artikel 22 Rv). Het gaat daarbij in het bijzonder om de volgende onderwerpen die deel uitmaken van het partijdebat: de toedracht van het incident op 18 juli 2014 en de psychische gesteldheid van [geïntimeerde] . In verband met de toedracht van het incident heeft Woonbedrijf naar voren gebracht dat [geïntimeerde] strafrechtelijk wordt vervolgd voor dit incident en heeft zij een deel van het strafdossier (productie 13) alsmede de dagvaarding van [geïntimeerde] (productie 15) in het geding gebracht. Het hof heeft bij het pleidooi de zaak naar de rol verwezen opdat (als eerste) [geïntimeerde] het hof bij akte informeert over de stand van zaken in de strafrechtelijke procedure. Voorts diende [geïntimeerde] zich daarbij uit te laten over de door hem ondernomen stappen om inzicht te krijgen in zijn psychische gesteldheid, de mogelijkheid van begeleiding en zijn woonbelang.

3.6.

In zijn akte houdende uitlatingen van 16 februari 2016 heeft [geïntimeerde] het hof bericht dat de strafzaak is aangehouden voor onbepaalde tijd en dat bij monde van de officier van justitie de ambitie is uitgesproken om de zaak op zitting te krijgen binnen tien weken nadat het reclasseringsonderzoek is afgerond. Ook heeft [geïntimeerde] uiteengezet welke stappen hij heeft ondernomen om inzicht te krijgen in zijn psychische gesteldheid. Er heeft een intakegesprek plaatsgevonden bij de reclassering. [geïntimeerde] is aangemeld bij de GGzE voor verdiepingsdiagnostiek en de onderzoeken stonden gepland op 18 en 19 februari 2016. Verwacht werd dat de onderzoeksresultaten van de GGzE op korte termijn ter beschikking kunnen worden gesteld. [geïntimeerde] heeft het hof verzocht in de gelegenheid te worden gesteld die nadere informatie te verstrekken.

3.7

Woonbedrijf heeft zich bij haar antwoordakte van 22 maart 2016 gemotiveerd tegen verdere aanhouding verzet.

3.8.

Gelet op het onder 3.6 overwogene is binnen afzienbare termijn zowel informatie over het verdere verloop van de strafrechtelijke procedure als het resultaat van de onderzoeken naar de psychische gesteldheid van [geïntimeerde] (reclasseringsrapport, onderzoek GGzE) te verwachten (voor zover niet reeds beschikbaar). Het hof zal de zaak daarom nogmaals naar de rol verwijzen voor akte zijdens [geïntimeerde] om deze gegevens over te leggen en daarbij eventueel een standpuntbepaling te geven. Woonbedrijf zal daarna op de akte van [geïntimeerde] kunnen reageren middels een antwoordakte. Van onredelijke vertraging van de procedure is naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden geen sprake.

3.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 9 augustus 2016 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] als bedoeld in rov. 3.8, waarna Woonbedrijf bij antwoordakte zal kunnen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, J.P. de Haan en Th.J.A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 mei 2016.

griffier rolraadsheer