Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
20-002192-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:3884, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:117, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 287 Sr; Poging doodslag, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002192-15

Uitspraak : 26 mei 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juli 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-865135-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met inbegrip van de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, doch met uitzondering van de strafoplegging en, in zoverre opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van het bewezen verklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van al hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd en in het verlengde daarvan de afwijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Tevens heeft de verdediging de afwijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met het v.i.-zaaknummer

99-000148-28 bepleit.

Daarnaast heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte verzocht.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich, nadat zijn vordering in eerste aanleg is afgewezen, in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Deze vordering is derhalve niet langer aan de orde. De andere drie benadeelde partijen hebben hun vordering gehandhaafd.

Vonnis waarvan beroep

Weliswaar komt het hof tot eenzelfde bewezenverklaring en kwalificatie als de rechtbank, doch gelet op hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd en in aanmerking nemend dat het hof tot een andere straf komt en op onderdelen tot een andere beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen, zal het hof het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 3 november 2014 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven,

met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) (op betrekkelijk korte afstand)

- op en/of in de richting van die (zich in en/of in de directe nabijheid van een auto bevindende) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft afgevuurd/geschoten en/of

- op en/of in de richting van een auto heeft afgevuurd/geschoten, terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich in en/of in de directe nabijheid van die auto bevonden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:


hij op of omstreeks 3 november 2014 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (aan) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) (op betrekkelijk korte afstand)

- op en/of in de richting van die (zich in en/of in de directe nabijheid van een auto bevindende) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft afgevuurd/geschoten en/of

- op en/of in de richting van een auto heeft afgevuurd/geschoten, terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich in en/of in de directe nabijheid van die auto bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van voorbedachte raad

Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord. Het dossier bevat geen wettig en overtuigend bewijs dat bij verdachte sprake is geweest van de voor een poging tot moord vereiste voorbedachte raad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 3 november 2014 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels op een auto heeft afgevuurd, terwijl die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich in die auto bevonden en [slachtoffer 4] zich in de directe omgeving van die auto bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijs 1

1. De aangifte van [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag gepleegd op 3 november 2014 te Helmond. Ik ben vandaag omstreeks 12:00 uur naar Helmond gegaan. Ik was samen met drie vrienden, [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 2] ), [slachtoffer 3] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 3] ) en [slachtoffer 4] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 4] ) naar Helmond gegaan. Omstreeks 14:00 uur kwamen wij aan bij de woning van [betrokkene] (het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene] ). Wij kwamen de straat inrijden en ik zag dat [slachtoffer 2] de auto parkeerde. Ik zat achter in de auto. Ik zat achter de bestuurder. Ik zag vanuit mijn ooghoeken [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: [verdachte] ) staan. Nadat ik [verdachte] zag staan, keken [verdachte] en ik elkaar aan en ik zag dat [verdachte] een vuurwapen pakte. Ik zag dat hij dit vuurwapen uit zijn jas pakte. Ik riep tegen mijn vrienden, bukken, bukken. Ik hoorde toen zes of zeven schoten. Ik zag dat deze schoten op mij waren gericht. Ik zag dat het raam van het voertuig waar ik zat, werd geraakt.2

2. De aangifte van [slachtoffer 4] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag gepleegd op 3 november 2014 te Helmond. Op 3 november 2014 was ik samen met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer 1] ) en een meisje. Wij zijn vanochtend met de auto van [slachtoffer 2] naar Helmond gekomen. [slachtoffer 2] parkeerde zijn auto en ik stapte vervolgens uit om mijn rug te strekken. Toen ik uit de auto stapte zag ik een jonge man staan met donkere haren. De jongen stond aan de linkerzijde van de auto. Ik stond op dat moment aan de rechterzijde van de auto. Ineens hoorde ik vuurschoten. Ik hoorde volgens mij iets van zes schoten. Vervolgens ben ik achter de rechtervelg van het voorwiel gaan liggen. Ik zag tijdens de vuurschoten dat [slachtoffer 1] uit het rechterachterportier van de auto kwam gekropen.3

3. De aangifte van [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag gepleegd op 3 november 2014 te Helmond. We zijn richting Helmond gereden. Ik zat rechtsvoor in de auto. [slachtoffer 2] reed. [slachtoffer 1] zat achter [slachtoffer 2] en die jongen die bij [slachtoffer 1] was (het hof begrijpt: [slachtoffer 4] ) zat achter mij. We reden in een Volkswagen. We hebben de auto geparkeerd naast (het hof begrijpt: op) een pleintje met parkeervakken. Op het moment dat ik mijn sigaretje uit het raam gooide, stond er ineens een man bij de auto. Hij stond aan de kant van de bestuurder. Ik hoorde [slachtoffer 1] in de auto zeggen: “Dat is hem”. Ineens zag en hoorde ik dat de man schoot. Ik zag dat hij een pistool in zijn hand had. Ik zag dat hij het wapen op onze auto richtte. Op het moment dat die man schoot, toen ik een knal hoorde, ben ik gelijk met mijn gezicht onder het dashboard geschoten en ik heb mijn gezicht naar de andere kant weggedraaid. Ik hoorde klappen, ik hoorde het afvuren van het wapen. Ik was doodsbang en ik wilde schuilen, zorgen dat hij me niet zou raken.

(..)

Ik zag hem zijn pistool richten en ik zag hem op onze auto schieten. Nadat er geschoten was en ik uit de auto was zag ik dat er vooral geschoten was op de plaats waar [slachtoffer 1] zat. Ik zag dat er drie gaten in de auto zaten. Eén gat zat in het raam, één gat een beetje in het midden van de achterdeur en één ook in de achterdeur, maar dan wat meer richting de bestuurder, richting [slachtoffer 2] dus.4

4. De aangifte van [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik wil aangifte doen van poging doodslag gepleegd op 3 november 2014 te Helmond.

Ik ben vandaag met mijn personenauto, merk VW Variant, type 4 Golf, kleur zilvergrijs,

[kenteken 1] , naar Helmond gereden. Ik reed als bestuurder. [slachtoffer 1] zat als passagier achter mij. Mijn vriendin, genaamd [slachtoffer 3] , zat naast mij op de passagiersstoel. Daar achter zat een jongen, genaamd [slachtoffer 4] .

We zijn de Zonnehofstraat ingereden. Ik ben op het parkeerterreintje in die straat gestopt. Ik ben dat parkeervak ingereden. Ik wilde de gordel losmaken toen ik links naast mij een jongen zag staan. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] achter mij zei: “Daar staat hij”. Ik vroeg wie, waarop [slachtoffer 1] zei: “De ex van [betrokkene] .” Ik zat nog in de auto en de portieren waren gesloten. Ik had mijn portierraam open.

Op het moment dat [slachtoffer 1] zijn portier opende en uit wilde stappen zei de ex van [betrokkene] : “Kom dan!”. Direct hierop zag ik dat die jongen in zijn rechterhand een vuistvuurwapen had. Hij hield dit wapen vast met gestrekte arm. Het was een donker, redelijk klein wapen. Hij richtte het wapen in de richting van onze auto. Ik hoorde en zag dat die jongeman gericht richting ons schoot. (..) Ik ben via mijn portier uitgestapt en ben voor de auto langs naar de rechterzijde van de auto gelopen. (..) Ik ben aan de rechterzijde naar mijn vriendin toegegaan. Mijn vriendin had inmiddels wel haar portier geopend. Ik heb de veiligheidsriem bij mijn vriendin losgemaakt en haar naar buiten geleid. Ondertussen zag ik dat [slachtoffer 1] ook weggedoken was en dat hij naar rechts weg kroop uit de auto. Hij kwam de auto uit waarbij hij liggend met de benen op de achterbank op de grond kroop. Ook zag ik dat [slachtoffer 4] uit de auto was gekropen. Hij lag bij het rechtervoorwiel.5

5. Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 3 november 2014, omstreeks 14:15 uur, bevond ik mij in uniform met een opvallend dienstvoertuig op de Zonnehofstraat te Helmond teneinde een bezoek te brengen aan [betrokkene] .

Op mijn aanbellen zag ik dat een manspersoon een gedeelte van het gordijn van de woonkamer optilde. Ik herkende deze man direct als de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] luid roepen: “Kut politie. Niet open doen.” Direct hierna werd het gordijn gesloten. Toen ik kenbaar maakte dat ik kwam om een winkelverbod aan haar (het hof begrijpt: [betrokkene] ) uit te reiken, werd de voordeur door haar geopend. Door de geopende voordeur zag ik dat de achterdeur openstond. Ik vroeg aan [betrokkene] waarom [verdachte] zo snel weg was gevlucht. [betrokkene] gaf aan dat [verdachte] dacht dat ik hem voor een eventuele boete aan zou komen houden.

Vervolgens heb ik [betrokkene] het betreffende winkelverbod uitgereikt. Hierna volgde nog even een kort gesprek. Tijdens dit gesprek keek [betrokkene] in de richting van het Willem Beringsplein.

Ik zag plotseling een hoop angst in het gezicht van [betrokkene] . Ik keek vervolgens in dezelfde richting en zag op de hoek Zonnehofstraat –Willem Beringsplein een tweetal mannen vanaf een grijze personenauto onze kant op komen lopen. Ik zag een jongen met een grijze jas en wit petje en een jongen met een zwart jack en een petje onze richting oplopen. Ik hoorde [betrokkene] roepen: “Kut, kut, kut vuurwapens. Het is mijn ex uit Den Haag. Blijf alstublieft staan. Ik moet [verdachte] bellen.” Ik zag vervolgens dat de twee mannen plotseling omdraaiden en weer terug naar hun auto liepen om hierna weer in te stappen. Inmiddels had [betrokkene] [verdachte] met haar gsm gebeld. Ik hoorde haar vervolgens zeggen: [verdachte] ze zijn er. Ik heb hem gezien. Ze staan in de Zonnehofstraat en zitten in een grijze auto vermoedelijk een Golf. Ben voorzichtig.” Hierna werd de verbinding door [betrokkene] verbroken. Ik vroeg vervolgens aan [betrokkene] wat er nu precies aan de hand was, zeker met haar uitlating over vuurwapens. Ik zag aan [betrokkene] dat zij helemaal in paniek was. Ik hoorde [betrokkene] zeggen: “Ik wil er niet te veel over vertellen. Ik heb problemen met mijn ex. Ik word bedreigd”.

Kort hierna hoorde ik een vijftal schoten afkomstig uit de richting van het Willem Beringsplein. Toen ik in de richting van de eerder genoemde grijze auto keek, zag ik een viertal personen uit de auto vluchten en dekking zoeken achter hun auto. Toen ik in de buurt van de grijze personenauto was zag ik drie jongens en een meisje. Twee betroffen de eerder genoemde jongens die richting de woning van [betrokkene] kwamen gelopen. Ik zag in de linker achterportier van de grijze personenauto een tweetal kogelinslagen.

Kort hierop werd ik aangesproken door de bewoner van de Van Hoofdstraat (het hof begrijpt dat wordt bedoeld: de Van Hoofstraat) [huisnummer] . Deze vertelde dat hij de schutter voorbij had zien rennen en deze herkende als zijnde de eerder genoemde [verdachte] .6

6. De verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zoals afgelegd tijdens het verhoor door de raadsheer-commissaris in dit hof op 1 februari 2016, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik bleef die twee mannen volgen met mijn ogen en zag dat zij in de auto stapten. De auto stond met de neus mijn kant op. Vrij kort nadat het telefoongesprek (het hof begrijpt: tussen [betrokkene] en verdachte) beëindigd was, hoorde ik een vijftal schoten vanuit de richting van het Willem Beringsplein. Ik keek naar de auto en zag de bestuurder hollen via de voorkant van de auto naar de bijrijderskant. De deur van de bijrijder stond open en daar stond iemand gehurkt of gebogen achter. Ik zag dat er ook achter in de auto inzittenden waren, die, voor mij aan de linkerzijde van de auto, uit de deur (het hof begrijpt derhalve: gelet op de positie van verbalisant, vanuit het rechterachterportier van de auto) kwamen rollen.

7. Het proces-verbaal sporenonderzoek, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – de bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Op 3 november 2014 werd door ons, verbalisanten, een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een schietincident gepleegd op 3 november 2014 op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zonnehofstraat te Helmond.

(Blad 2)

SPOREN ONDERZOEK EN ONDERZOEK TER PLAATSE:

Wij, verbalisanten, zagen dat tussen eerder genoemde flauwe bocht naar links in de

Zonnehofstraat en de aftakking naar rechts drie personenauto’s stonden geparkeerd.

Hierbij zagen wij dat deze personenauto’s met de voorzijde geparkeerd stonden in de richting van de Willem Prinzenstraat.

Wij zagen dat als tweede auto een grijze Hyundai Atos-prime geparkeerd stond voorzien van het [kenteken 2] . Aan de achterzijde van deze personenauto zagen wij dat deze linksonder de achterruit beschadigd was, zeer waarschijnlijk, gelet op de putvormige beschadiging, veroorzaakt door een projectiel. (...)

De derde (geparkeerde) personenauto betrof het voertuig waarin de slachtoffers hadden

gezeten en waarop door de dader zou zijn geschoten. Wij zagen dat deze personenauto een

grijze Volkswagen Golf Variant betrof voorzien van het [kenteken 1] . Hierbij zagen

wij dat van deze personenauto het rechter achter- en rechter voorportier open stond en

dat het raam van het rechter achterportier een klein stukje open stond.

Verder zagen wij dat de overige portieren dicht waren en dat het raam van het linker

achterportier bijna geheel openstond. (Foto 11, 12 en 14 t/m 17).

In het linker achterportier zagen wij dat er twee inschotbeschadigingen aanwezig waren. Wij

zagen namelijk dat het metaal van dat portier rondom de inschotbeschadigingen naar binnen

was gedrukt en dat deze beschadigingen ovaal/rond van vorm waren. Staand voor de

linkerzijde van deze personenauto zagen wij dat deze inschotbeschadigingen zich aan de

linkerzijde van dat portier bevonden, aan de scharnierzijde. Na meting bleek ons dat de

meest rechter inschotbeschadiging op een hoogte zat van ongeveer 63 centimeter en de

linker inschotbeschadiging op een hoogte van ongeveer 83 centimeter, gemeten vanaf de

grond. (Foto 18 t/m 20).

Aan de binnenzijde van betreffend portier werden door ons geen uitschotbeschadigingen

aangetroffen. Gelet op het niet aanwezig zijn van uitschotbeschadigingen in dat portier was

het zeer aannemelijk dat de projectielen, die deze inschotbeschadigingen hadden

veroorzaakt, nog in dat portier aanwezig waren. (Foto 21).

(Blad 3)

Vervolgens zagen wij dat in de ruit van het linkerachterportier rechtsboven aan de rand een

doorschotbeschadiging aanwezig was. Aan de binnenzijde van de C-stijl (rechterzijde) van deze personenauto zagen wij dat er een beschadiging aanwezig was van mogelijk een projectiel. Hierbij zagen wij dat deze beschadiging er zodanig uit zag dat het er op leek of dat projectiel langs deze C-stijl was afgeschaafd en dat het zeer waarschijnlijk een schampschot betrof. Gelet op het gegeven dat ons niet duidelijk was in welke stand de ruit van het linkerachterportier had gestaan, op het moment van het schietincident, kon door ons niet worden bepaald of het projectiel dat de doorschot in deze ruit had veroorzaakt hetzelfde projectiel was geweest dat de beschadiging in de rechter C-stijl had veroorzaakt dan wel de schietbeschadiging in de achterruit van de personenauto voorzien van het [kenteken 2] . (Foto 23 en 24). (...)

Op het gedeelte van de Zonnehofstraat dat was afgesloten voor voertuigen werden door ons

op een afstand van ongeveer 21 meter tot 32 meter van de Volkswagen Golf Variant, zijnde

de personenauto van de slachtoffers, zes patroonhulzen aangetroffen. Gezien vanaf de

Willem Beringsstraat en kijkend naar de Volkswagen Golf Variant voorzien van het

[kenteken 1] , werden drie patroonhulzen door ons aangetroffen in het

verlengde van de linkerzijde van deze personenauto. De andere drie hulzen werden door ons

ongeveer drie meter verder naar rechts aangetroffen. De aangetroffen patroonhulzen werden

door ons achtereenvolgens gewaarmerkt met markeringsnummer 1 t/m 6. (Situatietekening

en foto 27 t/m 29). (...)

(Blad 5)

VOERTUIGONDERZOEK

Op 4 november 2014 werd door ons, verbalisanten, de personenauto Volkswagen Golf Variant voorzien van het [kenteken 1] verder onderzocht. Tijdens dat onderzoek bleek ons, aan de hand van een doorschot in het linkerachterportier en een doorschot in de ruit van het linkerachterportier, dat de ruit van het linkerachterportier ten tijde van het schietincident half open had gestaan. Verder bleek ons dat het doorschot rechtsboven in de ruit van het rechterachterportier op een hoogte zat van ongeveer 1.17 meter, gemeten vanaf de grond en in het verlengde van de achterbank. (Foto 50 t/m 54).

Nadat we de binnenbekleding van het linkerachterportier hadden verwijderd werden door ons aan de binnenzijde van dat portier twee projectielen aangetroffen.7

8. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb op 3 november 2014 te Helmond zes keer geschoten. In het vuurwapen zaten 7 patronen. Het vuurwapen was doorgeladen. Ik stond op zo’n 20 á 25 meter van de auto. Eén van de personen stond aan de achterkant van de auto. Ik heb met één arm recht vooruit geschoten.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is - op de gronden zoals genoemd in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd:

  • -

    dat gelet op de onbetrouwbare en ongeloofwaardige verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de daarmee op verschillende punten strijdige verklaring van [verbalisant 1] niet in rechte kan worden vastgesteld of en zo ja, hoeveel aangevers zich in de auto bevonden dan wel in de directe nabijheid daarvan;

  • -

    dat verdachte niet het opzet had om één of meer van de aangevers te doden doch dat hij slechts beoogde de twee, hem op dreigende wijze naderende, mannen af te schrikken door tussen hen door met een vuurwapen op de linkerachterdeur van de auto te schieten en vervolgens een aantal malen in de lucht te schieten.

Het hof overweegt als volgt.

De aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben kort na het schietincident op 3 november 2014, te weten ongeveer een uur later, bij de politie een verklaring afgelegd. Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich, in ieder geval op het moment dat het schieten een aanvang nam, in de auto bevonden. Aangever [slachtoffer 4] heeft destijds bij de politie verklaard dat hij kort voordat verdachte begon te schieten uit de auto was gestapt en aan de rechterzijde van de auto stond. Dat de verklaringen van aangevers onderling niet op alle punten overeenkomen, maakt naar het oordeel van het hof, mede gezien het feit dat het hier een traumatische gebeurtenis betreft die zich in een zeer korte tijd voltrok, niet dat deze verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Ook is niet aannemelijk geworden dat aangevers hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

De aangevers hebben op 26 mei 2015 ten overstaan van de rechter-commissaris met betrekking tot hun eigen positie in of bij de auto ten tijde van het schietincident in gelijkluidende zin als bij de politie verklaard.

De verklaringen van aangevers omtrent de wijze waarop zij zichzelf in veiligheid hebben gebracht, zijn gedetailleerd en worden in grote lijnen ondersteund door hetgeen [verbalisant 1] heeft waargenomen. Deze relateert immers in het door hem diezelfde dag ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat hij, terwijl hij in gesprek is met [betrokkene] , hoort dat er geschoten wordt, dat hij kijkt in de richting van de grijze auto waarin hij eerder twee mannen had zien instappen die daarvoor op de woning van [betrokkene] af waren komen lopen, en dat hij ziet dat vier personen uit de auto vluchten en dekking zoeken achter de auto. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris van dit hof heeft [verbalisant 1] (ongeveer anderhalf jaar later) zijn bevindingen in de kern herhaald.

Het hof acht derhalve de verklaringen van aangevers omtrent de plaats waar zij zich bevonden op het moment dat het schieten een aanvang nam, betrouwbaar en geloofwaardig. Dat aangevers kennelijk niet de waarheid hebben verklaard over het op een eerder moment verlaten hebben van de auto door twee van hen, zoals gerelateerd door [verbalisant 1] , maakt dit oordeel niet anders.

Ook de verklaring van [getuige]8, die in tegenstelling tot aangevers en [verbalisant 1] , heeft verklaard dat alle aangevers op het moment van schieten buiten de auto stonden kan niet tot een ander oordeel leiden. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat meer waarde moet worden gehecht aan de verklaring van verbalisant, tot wiens professie het hoort om feiten waar te nemen en deze te reproduceren. Bovendien is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de verklaring van [getuige] chronologisch niet lijkt te kloppen, nu deze getuige verklaart dat er iemand rechtsachter bij de velg van de auto lag nog voordat er geschoten werd.

Uit het voorgaande volgt dat het door verdachte geschetste scenario dat hij - tussen 2 personen door - op de auto heeft geschoten terwijl zich niemand in de auto bevond, op geen enkele wijze wordt bevestigd.

De verdediging heeft betoogd dat uit het auditief geregistreerde telefonisch gesprek van verdachte met aangever [slachtoffer 1] op 19 december 2014 (om 12.40 uur) vanuit de penitentiaire inrichting, blijkt dat deze laatste niet naar waarheid heeft verklaard bij de politie. Het hof heeft deze geluidsopname ter terechtzitting van 12 mei 2016 beluisterd en vastgesteld dat het gesprek dat wordt gevoerd, overeenstemt met de reeds eerder verbatim uitgewerkte weergave van dit gesprek.9 Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte gedurende het gesprek [slachtoffer 1] woorden in de mond probeert te leggen. Het hof ziet dan ook geen enkele reden om de verklaring van [slachtoffer 1] - dat hij tijdens het schietincident in de auto zat – naar aanleiding van dit telefoongesprek in twijfel te trekken.

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte ten minste driemaal, op een afstand van ca 20 tot 25 meter afstand, met een vuurwapen op de Volkswagen Golf Variant heeft geschoten terwijl [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zich in de auto bevonden en [slachtoffer 4] zich aan de rechterzijde naast de auto bevond.

Het door de raadsman ter terechtzitting op 12 mei 2016 (voorwaardelijk geformuleerde) verzoek tot het gelasten van nader onderzoek door een deskundige naar de snelheid en de gevaren van een - onder de omstandigheden van deze zaak - afgeketste kogel, behoeft gelet op het voorgaande geen beslissing van het hof.

Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel

Verdachte heeft op een afstand van ongeveer 20 tot 25 meter ten minste drie keer op de auto van aangevers geschoten waarbij de auto ook driemaal is geraakt. Dit blijkt uit het feit dat in de linker achterportier twee inschotbeschadigingen zijn aangetroffen en in de ruit van het linker achterportier een doorschotbeschotbeschadiging. Ter plaatse zijn zes hulzen aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij drie keer in de lucht heeft geschoten. Deze stelling, zo deze al van invloed zou zijn op de bewezen verklaring, vindt geen enkele steun in het dossier. Bij aanvullend proces-verbaal hebben [verbalisant 2] en

[verbalisant 3] gerelateerd dat op basis van de positie van de hulzen geen uitspraak kan worden gedaan omtrent de juistheid van de lezing van verdachte.10

Op het moment dat verdachte met schieten begon zaten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de auto en stond [slachtoffer 4] aan de rechterzijde van de auto. Het schieten op een auto terwijl daar personen in zitten of zich in de directe nabijheid van de auto bevinden, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het doden van die personen dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van deze personen bewust heeft aanvaard.

Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal komt het hof tot de conclusie dat verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te doden.

Gelet op al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof hecht, gelet op hetgeen bewezen wordt verklaard, geen geloof aan het door verdachte geschetste scenario dat [slachtoffer 1] - die volgens verdachte “iets van plan was” -samen met één van de andere aangevers op verdachte af kwam lopen en dat hij tussen die twee personen door op de, door de inzittenden verlaten, auto een aantal kogels heeft afgevuurd. De stelling van verdachte dat hij in paniek op de auto heeft geschoten, hetgeen opgevat zou kunnen worden als een beroep op (putatief) noodweer(exces), behoeft derhalve geen nadere bespreking.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof heeft evenals de rechtbank bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van poging tot doodslag, meermalen gepleegd, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft - zo begrijpt het hof - bepleit dat verdachte, mede gelet op een eventuele herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, geen hogere straf zal worden opgelegd dan door de rechtbank opgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking. Verdachte heeft op 3 november 2014 midden op de dag in een woonwijk in Helmond meerdere malen met een vuurwapen op een auto geschoten, terwijl zich in die auto drie personen bevonden en een vierde persoon zich in de directe nabijheid van deze auto bevond. In het portier, waarachter aangever [slachtoffer 1] gezeten was, werden twee inschotbeschadigingen aangetroffen, en bovenin de ruit van dit portier werd een doorschotbeschadiging aangetroffen. Het is die dag bij een poging tot doodslag gebleven, maar een en ander had veel slechter af kunnen lopen voor de inzittenden van de auto en de direct naast de auto staande [slachtoffer 4] . Verdachte heeft door zijn handelwijze de slachtoffers grote angst aangejaagd en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort gewelddadig handelen vaak nog lang psychische problemen ondervinden, hetgeen ook blijkt uit de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij geen vuurwapens of andere wapens bij de aangevers heeft gezien, maar dat hij de schoten heeft afgevuurd omdat hij de situatie onder controle wilde houden. Verdachte deinst er kennelijk niet voor terug om in bepaalde situaties zwaar en levensbedreigend geweld tegen mensen te gebruiken.

Voorts werd een van de kogels die met het door verdachte gehanteerde vuurwapen was afgeschoten aangetroffen in het kozijn van de voordeur van een woning gelegen aan de Kolkmanweg [huisnummer] . De baan van die kogel liep over de speeltoestellen van de ter plaatse aanwezige speeltuin. Verdachte heeft door zijn gedragingen de veiligheid voor omwonenden en voorbijgangers ernstig in gevaar gebracht. Het gewelddadige gedrag van verdachte leidt tot gevoelens van angst en onrust in de maatschappij, temeer nu de schietpartij heeft plaatsgevonden in een woonwijk, op klaarlichte dag en in de nabijheid van een speeltuin.

Het hof betrekt bij het bepalen van de op te leggen straf tevens de inhoud van het verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 maart 2016. Hieruit blijkt dat de strafrechter verdachte eerder onherroepelijk heeft veroordeeld voor het meermalen plegen van een poging tot moord en wel tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar. Verdachte was derhalve een gewaarschuwd man. Desalniettemin heeft verdachte de onderhavige feiten gepleegd gedurende de aan voormelde gevangenisstraf gerelateerde v.i. periode van 730 dagen welke was ingegaan op 1 september 2013. Kennelijk heeft ook de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarde dat men geen strafbaar feit mag plegen, verdachte niet van het plegen van het onderhavige feiten kunnen weerhouden. Het hof ziet dan ook, anders dan de raadsman, geen aanleiding om bij de straftoemeting in het voordeel van de verdachte rekening te houden met de hierna te vermelden beslissing op de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Voorts houdt het hof, evenals de rechtbank, ten aanzien van de persoon van de verdachte rekening met de conclusies van drs. S.J.J. Steketee, klinisch psycholoog/psychotherapeut, d.d. 23 januari 2015 en A.H.A.C. van Bakel, psychiater, d.d. 15 januari 2015 inhoudende dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict in verband met zijn verslavingsproblematiek verminderd toerekeningsvatbaar was.

Ten bezware van verdachte neemt het hof echter in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar spijt heeft betuigd jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en de bewoners van de Helmondse wijk, doch noch immer niet lijkt in te zien welke risico’s het gebruik van een vuurwapen oplevert.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat gelet op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Het hof heeft voor wat betreft de duur van deze straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd.

Alles overziende is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan. Het hof zal verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.536,44, bestaande uit € 6.000, -, aan immateriële schade en € 3.536,44 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.893,44.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.500,- te zake van immateriële schade en € 3.393,44 ter zake van materiële schade (te weten de schade aan de auto). Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente (voor wat betreft de materiële schade ingaande op 16 juni 2015, de dag waarop de vordering is ingediend), zal worden toegewezen. Nu niet is gebleken op welke schade de vordering tot vergoeding van de eigen bijdrage inzake inbeslagname ad € 143,- precies betrekking heeft, zal dit deel van de vordering wegens een gebrek aan onderbouwing worden afgewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft de overige immateriële schade (ad € 4.500,-) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen en kan deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,00, ter zake van immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Anders dan de rechtbank zal het hof dit bedrag niet vermeerderen met de wettelijke rente nu de benadeelde partij deze niet heeft gevorderd.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.518,00, bestaande uit € 6.000,- ter zake van immateriële schade en € 518,- ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.500,- ter zake van immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering tot vergoeding van het eigen risico zorgverzekering (ad € 375,-) en van de overige immateriële schade

(ad € 4.500,- een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu niet is gebleken op welke schade de vordering tot vergoeding van de eigen bijdrage inzake inbeslagname ad € 143,- precies betrekking heeft, zal dit deel van de vordering wegens een gebrek aan onderbouwing worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling

Bij onherroepelijk geworden arrest van 17 september 2010 in de zaak met parketnummer

20-003910-09 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dat arrest in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De verdachte is op 30 augustus 2013 op de voet van het bepaalde in artikel 15 e.v. van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd (van 1 september 2013 tot 30 augustus 2015) niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De officier van justitie heeft bij vordering van 14 november 2014 (v.i. nummer 99-000148-28) gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel wordt herroepen wegens het niet naleven van de daaraan verbonden algemene voorwaarde, nu de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, zoals ten laste gelegd in de dagvaarding met parketnummer 01-865135-14.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende en toegewezen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De verdediging heeft in lijn met de bepleite integrale vrijspraak afwijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling verzocht.

Het hof stelt vast dat de verdachte zich tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarde heeft overtreden. Verdachte heeft binnen 3 maanden nadat hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld van een gevangenisstraf voor de duur van

6 jaren, die hem was opgelegd vanwege poging tot moord, meermalen gepleegd, zich wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten, zoals hiervoor bewezen verklaard.

Het hof acht daarom herroeping van de gehele voorwaardelijke invrijheidsstelling passend en geboden.

Opheffing van de voorlopige hechtenis

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aan verdachte op te leggen straf ziet het hof geen reden om het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis toe te wijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.893,44 (vierduizend achthonderddrieënnegentig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 3.393,44 (drieduizend driehonderddrieënnegentig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 143,00 (honderddrieënveertig euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 4.893,44 (vierduizend achthonderddrieënnegentig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 3.393,44 (drieduizend driehonderddrieënnegentig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 (achtenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 143,00 (honderddrieënveertig euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met het v.i.-zaaknummer 99-000148-28 toe en gelast dat het gedeelte, groot 730 dagen, van de in de strafzaak met het parketnummer 20-003910-09 (arrondissementsparketnummer 01/839335-09) opgelegde vrijheidsstraf, dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer was gelegd, alsnog moet worden ondergaan.

Aldus gewezen door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 26 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F. van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar ambtsedige processen-verbaal van politie en andere bescheiden, opgenomen in het Einddossier van politie Eenheid Oost-Brabant, District recherche Helmond, registratienummer BHV 2014158171, gesloten d.d. 18 december 2014, doorgenummerde pagina’s 1-148.

2 Het ambtsedig proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL2100-2014158146-1, d.d. 3 november 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 5] , aspirant van politie, dossierpagina’s 30-32.

3 Het ambtsedig proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL2100-2014158152-1, d.d. 3 november 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6] , aspirant van politie, en [verbalisant 7] , hoofdagent van politie, dossierpagina’s 36-37.

4 Het ambtsedig proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL2100-2014158171-1, d.d. 3 november 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 8] (op ambtsbelofte), hoofdagent van politie, en [verbalisant 9] , brigadier van politie, dossierpagina’s 40-41.

5 Het ambtsedig proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL2100-2014158165-1, d.d. 3 november 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 10] , brigadier van politie, dossierpagina’s 44-45.

6 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2014158171-3, d.d. 3 november 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , brigadier van politie, dossierpagina’s 28-29.

7 Het ambtsedig proces-verbaal sporenonderzoek politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst regionale recherche, afdeling Forensische opsporing, proces-verbaalnummer PL2100-2014158171-31, met bijlagen (hier in het bijzonder bijlage 1: fotomap en bijlage 2: situatietekening) d.d. 25 februari 2015, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden brigadier van politie.

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , PL2100-2014158171-32 , d.d. 5 november 2015, opgemaakt door [verbalisant 6] , aspirant van politie, dossierpagina’s 130-131.

9 Bijlage 8 bij het proces-verbaal van bevindingen, uitwerken tapgesprekken PI Dordrecht, Districtsrecherche Helmond, documentcode 20150223.1047.80958, d.d. 23 februari 2015 op ambtsbelofte gesloten en ondertekend door [verbalisant 11] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 12] , aspirant van politie.

10 Aanvullend proces-verbaal, Politie Eenheid Oost-Brabant, dienst Regionale recherche, Afdeling specialistische ondersteuning, team forensische opsporing, proces-verbaalnummer PL2100-2014158171-31, d.d. 22 december 2015 ambtsedig opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .