Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2063

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
20-000309-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:204
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:830, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000309-14

Uitspraak : 26 mei 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 21 januari 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-840630-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1943,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, het aan verdachte primair ten laste gelegde feit bewezen zal verklaren en verdachte ter zake zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren alsmede verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal ontzeggen voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De raadsman van verdachte heeft primair integrale vrijspraak en subsidiair vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Uiterst subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 juli 2012 te Helvoirt, gemeente Haaren, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, Margrietweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

rijdende op die Margrietweg is verdachte tegen een voor hem rijdende fietser gereden en/of gebotst en/of is verdachte niet in staat geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, waardoor een ander (te weten die fietser, [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (traumatisch hersenletsel, beschadigde hersenzenuw, en diverse fracturen waar operatief ingrijpen voor nodig was), en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:
hij op of omstreeks 03 juli 2012 te Helvoirt, gemeente Haaren, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Margrietweg, heeft gehandeld als volgt: rijdende op die Margrietweg is verdachte tegen een voor hem rijdende fietser gereden en/of gebotst en/of is verdachte niet in staat geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 3 juli 2012 te Helvoirt, gemeente Haaren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een auto, daarmede rijdende over de Margrietweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig te handelen als volgt:

rijdende op die Margrietweg is verdachte tegen een voor hem rijdende fietser gereden en is verdachte niet in staat geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor een ander (te weten die fietser, [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel (traumatisch hersenletsel en diverse fracturen) werd toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweren ten aanzien van de strafbaarheid

De raadsman van verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat verdachte met zijn auto tegen de fietser is aangereden, geen schuld oplevert in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) noch gevaarzettend of hinder veroorzakend gedrag in de zin van artikel 5 WVW 1994.

Subsidiair, indien het hof tot enige bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van overtreding van artikel 6 WVW 1994 dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van overtreding van artikel 5 WVW 1994, vanwege het ontbreken van schuld in verband met de aan verdachtes epileptische aandoening gerelateerde black-out die dag.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat verdachte op 3 juli 2012 te Helvoirt met de door hem bestuurde auto tegen - de aan de rechterkant van de rijbaan fietsende - [slachtoffer] is aangereden, waardoor deze op de motorkap van de auto van verdachte terecht is gekomen en daarna aan de linkerkant van de rijbaan is beland. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel ondervonden met, zo blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 31 december 2013, grote gevolgen voor haar dagelijks functioneren.

Vast staat dat verdachte de snelheid van zijn voertuig niet zodanig heeft aangepast dan wel zijn voertuig niet op een zodanige afstand van de voor hem fietsende [slachtoffer] tot stilstand heeft gebracht dat een aanrijding kon worden vermeden.

Uit de inhoud van het dossier is niet gebleken van omstandigheden die het zicht op de fietser heeft belemmerd. Het betrof een overzichtelijke verkeerssituatie.

Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of oplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte, als bedoeld in artikel 6 WVW 1994, te wijten is. Dit kan anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk geworden waaruit volgt dat van schuld in hiervoor bedoelde zin niet kan worden gesproken.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte gesteld dat hij geen schuld had aan de aanrijding omdat hij die dag een black-out heeft gehad ten gevolge van een epileptische aanval. Verdachte heeft daartoe in eerste aanleg verklaard: “ Ik weet nog dat ik in Giesbergen en Udenhout ben geweest. Wat er tussenin is gebeurd weet ik niet. Tijdens het bijkomen van de aanval ben ik naar de garage gereden. Ik denk dat ik dat op de automatische piloot heb gedaan. Ik besefte op dat moment niet dat ik een aanval had gehad. Ik vond zelf dat ik wist wat ik deed. Ik wist op dat moment niet dat ik mijn medicatie niet had ingenomen.”

De rechtbank heeft het beroep van verdachte op afwezigheid van schuld verworpen – kort gezegd – omdat de rechtbank het niet aannemelijk achtte dat verdachte na een epileptische aanval (met wegraking) of black-out nog in staat zou zijn om zijn auto naar de garage te rijden.

Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 31 juli 2014 heeft het hof een onderzoek door een deskundige, een neuroloog, gelast ter beantwoording van de hierna weergegeven vragen. De verdachte heeft toestemming gegeven tot inzage van zijn medisch dossier door de deskundige en heeft zich bereid getoond mee te werken aan het onderzoek.

De door de raadsheer-commissaris benoemde deskundige, neuroloog dr. A.J.A. de Louw, heeft op 31 januari 2016 zijn rapport uitgebracht.

Op de vraag of kan worden vastgesteld of verdachte lijdende is aan epilepsie en zo ja, aan welke vorm en hoe die vorm zich uit, antwoordt de deskundige:

“Bij betrokkene werd in het verleden de diagnose epilepsie gesteld, welke diagnose later door verschillende neurologen werd bevestigd. Volgens de beschikbare medische correspondentie is betrokkene bekend met een cryptogene lokalisatie gebonden epilepsie. Deze vorm van epilepsie gaat meestal gepaard met eenvoudig partiële of complex partiële aanvallen. Betrokkene is bekend met complex partiële aanvallen, zich uitend in afwezigheden met een verminderd bewustzijn en nadien verwardheid (post-ictale fase). Uit de correspondentie van neuroloog [naam arts] d.d. 25-04-2007 blijkt dat er tevens sprake is geweest van automatische handelingen tijdens een aanval. De duur van de aanvallen varieert anamnestisch van enkele minuten tot 20 minuten. In de medische correspondentie worden slechts kort durende aanvallen beschreven, waarbij er vóór het ongeval éénmalig een langer durende aanval wordt beschreven.”

Ten aanzien van de medicatie van verdachte ten tijde van het ongeval en de gevolgen van het eenmalig vergeten (na jarenlang gebruik) van de medicatie, merkt de deskundige op:

“De aanvallen die worden gezien bij een cryptogene lokalisatie gebonden epilepsie is bij 60 tot 70 procent van de patiënten goed te behandelen met medicijnen. De resterende 30 procent van de patiënten blijft aanvallen houden ondanks verschillende medicijnen tegen epilepsie. Voor zover te herleiden uit de medische correspondentie heeft betrokkene nooit andere medicijnen dan Tegretol en Rivotril gehad.

Ten tijde van het ongeval gebruikte betrokkene Tegretol en Rivotril als anti-epileptische medicatie. Ondanks de behandeling met Tegretol en Rivotril bleef betrokkene aanvallen houden, zoals blijkt uit de medische correspondentie en uit de op 25 juni 2015 afgenomen anamnese. De ten tijde van het ongeval gebruikte medicatie was derhalve onvoldoende om de epilepsie adequaat te behandelen.

Het vergeten van anti-epileptische medicatie kan een provocerende factor zijn voor het krijgen van een aanval. Dit is onafhankelijk van de duur (jarenlang) van de behandeling.”

Voorts is aan de deskundige de vraag gesteld hoe waarschijnlijk het is dat een epileptische aanval kan leiden tot het door de verdachte gestelde gevolg, te weten het onbewust (van achter) aanrijden van een fietser, het vervolgens onbewust de weg vervolgen terwijl het ongeval heeft geleid tot een verbrijzelde voorruit aan de bijrijderszijde, en het zich niets kunnen herinneren van het rijgedrag op het moment dat men weer bij zijn positieven is.

De deskundige antwoordt hierop:

“In de literatuur is beschreven dat patiënten complexe handelingen kunnen uitvoeren zowel tijdens een epileptische aanval als in de zogenaamde post-ictale periode (periode van verwardheid direct aansluitend aan de daadwerkelijke aanval).

Na een kortdurende epileptische aanval is het mogelijk dat er een meer langdurige (tot uren durende) post-ictale periode volgt. Het niet kunnen herinneren van een aanval wordt regelmatig gezien bij epilepsie. Het is dus niet uitgesloten dat betrokkene tijdens een epileptische aanval en/of post-ictale periode bovenstaande handelingen heeft verricht, waarbij het tevens niet is uitgesloten dat betrokkene geen herinnering heeft aan het gebeurde.”

De deskundige rapporteert ten slotte dat verdachte ten tijde van het ongeval niet aanvalsvrij was, zoals blijkt uit zowel de medische correspondentie als uit de ten behoeve van diens onderzoek verrichte anamnese van verdachte en dat slechts na het ophogen van de medicatie, nadat het ongeval had plaatsgevonden, aanvalsvrijheid ontstond. De deskundige merkt voorts op dat het persisterend optreden van epileptische aanvallen consequenties heeft voor de rijvaardigheid.

Het hof concludeert op grond van de rapportage van de deskundige dat het door verdachte geschetste scenario, dat hij een black-out heeft gehad en zich daarna niet kon herinneren dat hij een aanrijding had gehad, maar wel door heeft kunnen rijden naar de garage om de gebroken ruit van de voorruit van zijn auto te laten repareren, niet kan worden uitgesloten.

Dit zou betekenen dat de toedracht van de aanrijding verklaard moet worden uit de omstandigheid dat verdachte een epileptische aanval heeft gehad. Het hof is van oordeel dat verdachte voor de aanrijding verantwoordelijk kan worden gehouden omdat :

  • -

    hij lijdt aan een epileptische aandoening en hier ook bekend mee was;

  • -

    hij voor het ongeval niet volledig aanvalsvrij was;

  • -

    hij op de dag van het ongeval zijn medicatie, zoals hij ter terechtzitting heeft erkend, niet had ingenomen, hetgeen een aanvalprovocerende werking kan hebben, en

  • -

    deze medicatie, zo blijkt uit de voor een ieder toegankelijke informatie op de website van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, de rijvaardigheid beïnvloedt.

Verdachte heeft gelet op dit alles een aanwijsbaar risico voor de veiligheid van zijn weggebruikers genomen door die dag in de auto te stappen en deel te nemen aan het verkeer.

Verdachte heeft nagelaten om in het belang van de verkeersveiligheid passende maatregelen te nemen. Zo heeft verdachte zich niet aan regelmatige dokterscontroles onderworpen waarbij gecheckt kon worden of er sprake was van voldoende en adequate medicatie. Verdachte heeft kennelijk ook niet de vaste routine om alvorens in de auto te stappen te controleren of hij zijn medicatie heeft ingenomen.

Door dit na te laten en die dag toch als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte als epilepsiepatiënt het risico van een optredende epileptische aanval op de koop toegenomen.

Het verkeersongeval waarbij [slachtoffer] ernstig gewond is geraakt is derhalve aan verdachtes schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 te wijten.

Gelet op de bevindingen van de deskundige, in het bijzonder diens constatering dat verdachte nimmer aanvalsvrij is geweest, treft het verweer van de verdediging dat verdachte de black-out niet kon voorzien, geen doel.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersongeval waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge waarvan het slachtoffer, blijkens haar schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 31 december 2013, ernstige lichamelijke klachten en forse beperkingen in haar dagelijks functioneren heeft ondervonden en deze nog lang, wellicht voor altijd, zal ondervinden.

Bij de strafoplegging heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, het CBR nimmer op de hoogte heeft gesteld van zijn epileptische aandoening, hetgeen - naar het oordeel van het hof gelet op de eigen verantwoordelijkheid van een bestuurder van een motorvoertuig - wel van hem mocht worden verwacht.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard het te betreuren dat hij het slachtoffer heeft aangereden waardoor zij ernstig gewond is geraakt. Het hof begrijpt ook dat verdachte dit niet heeft gewild. Echter, verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar het oordeel van het hof nog immer geen inzicht getoond in de verwijtbaarheid van zijn handelen. Nog immer heeft verdachte naar ’s hofs oordeel geen afdoende maatregelen getroffen om ongelukken als het onderhavige te voorkomen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn medicijnen nog maar zelden vergeet, hetgeen in feite betekent dat er in voorkomende gevallen toch een groot risico is op herhaling van een epileptische aanval bij verdachte in het verkeer. Een dergelijke opmerking boezemt het hof geen vertrouwen in.

Gelet op de ernst van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, is het hof van oordeel dat, in afwijking van de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, een langere taakstraf dan door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden is.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof, eveneens in afwijking van de eerdergenoemde oriëntatiepunten, aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. F. van Es, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 26 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F. van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.