Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2033

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
200.150.999_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1348
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

A koopt grond en B bouwt op die grond een huis; B betaalt alle lasten en woont ruim 20 jaar in het huis; A revindiceert; is er sprake van inbezitneming van de grond door B? (artikelen 3:107 BW e.v.) Is er sprake van verjaring van de vordering tot beëindiging van bezit? (artikelen 3:105 en 3:306 BW; zie ook HR 09-09-2011, LJN BQ5989)

Comparitie gelast voor nadere feitelijke informatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 107
Burgerlijk Wetboek Boek 3 105
Burgerlijk Wetboek Boek 3 306
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/296
RVR 2016/76
Prg. 2016/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.150.999/01

arrest van 24 mei 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.A.M. van Dooren te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. Y.J.H. van Griensven te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 juni 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 mei 2014, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/272896/HA ZA 13-885)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 5 februari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met eiswijziging;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) [appellant] heeft een perceel bouwterrein in [woonplaats] gekocht van Aannemersbedrijf [aannemersbedrijf] B.V. (hierna: [aannemersbedrijf] ), die dit perceel op haar beurt heeft gekocht van de gemeente [gemeente] .

b) Bij notariële akte van 25 juni 1979 is de eigendom van voormeld perceel door de gemeente [gemeente] (direct) aan [appellant] overgedragen.

c) [appellant] kocht het perceel (mede) om het zijn zuster [zus van appellant] , echtgenote van [geïntimeerde] , en haar gezin mogelijk te maken naar [woonplaats] te verhuizen. [geïntimeerde] had een nieuwe baan in [plaats] gekregen. De gemeente stelde voor verwerving van het perceel bouwterrein de eis van economische gebondenheid aan [woonplaats] . [geïntimeerde] voldeed niet aan die eis en [appellant] wel.

d) Ten behoeve van de realisering van een nieuwbouwwoning op het perceel voor [geïntimeerde] en diens gezin heeft de naamloze vennootschap Westland-Utrecht Hypotheekbank (hierna: de WUB) een geldlening van fl 132.000,-- verstrekt aan [appellant] , [geïntimeerde] en diens echtgenote. De schuldenaren waren hoofdelijk verbonden. Door [appellant] , [geïntimeerde] en diens echtgenote is tot zekerheid van de aflossing van die lening aan de WUB een recht van hypotheek verleend op het perceel.

e) Na de bouw en oplevering van de woning hebben [geïntimeerde] en zijn echtgenote daarin in 1980 hun intrek genomen.

f) In 2007 heeft [geïntimeerde] in verband met zijn ziekte en die van zijn vrouw bouwkundige aanpassingen aan de woning laten verrichten, waarbij onder meer een lift in de woning is geplaatst en de badkamer en keuken zijn gerenoveerd. Ook zijn toen schilderwerkzaamheden uitgevoerd.

g) Ter financiering van de onder f) genoemde werkzaamheden heeft WUB opnieuw (onder hoofdelijke verbondenheid van die schuldenaren) een hypothecaire geldlening verstrekt aan [appellant] , [geïntimeerde] en diens echtgenote en wel ter hoogte van € 65.000,--. Met het geleende bedrag is de onder d) genoemde lening afgelost en is het tot zekerheid van die aflossing gevestigde hypotheekrecht doorgehaald.

h) In 2011 is de echtgenote van [geïntimeerde] overleden.

i. i) Vanaf de datum van oplevering van de woning heeft [geïntimeerde] steeds alle vaste lasten betaald, zoals de kosten van gas, water en elektra en de onroerendezaakbelasting. Tevens heeft [geïntimeerde] steeds de rente- en aflossingstermijnen van de onder g) genoemde geldlening aan WUB betaald. Ter zake heeft [geïntimeerde] fiscale aftrek genoten.

j) Bij brief van 27 maart 2013 is namens [appellant] aan [geïntimeerde] meegedeeld dat [appellant] , vanwege zijn financiële omstandigheden, de woning moet verkopen en dat hij bereid is die woning tegen de reële marktwaarde aan [geïntimeerde] te verkopen.

k) Namens [geïntimeerde] is dat voorstel bij brief van 18 juni 2013 afgewezen en is aanspraak gemaakt op overdracht (om niet) van de juridische eigendom van de woning aan [geïntimeerde] .

l) Bij brief van 25 juli 2013 is namens [appellant] aan [geïntimeerde] gevraagd medewerking te verlenen aan verkoop van de woning aan een derde, hetgeen [geïntimeerde] heeft geweigerd.

m) Op 25 oktober 2013 heeft [geïntimeerde] conservatoir beslag doen leggen op de woning.

n) Tot op heden woont [geïntimeerde] in voormelde woning.

3.2.

[geïntimeerde] heeft [appellant] in rechte betrokken en gevorderd:
1. primair een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] door verkrijgende verjaring eigenaar is van, kort gezegd, het perceel grond met de woning,
subsidiair een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] in zijn rechtsverhouding tot [appellant] economisch eigenaar is van het perceel grond met de woning, waaronder onder meer doch niet uitsluitend moet worden begrepen het recht van [geïntimeerde] op de waarde van die onroerende zaak en de eventuele verkoopopbrengst daarvan,
met veroordeling van [appellant] tot medewerking aan de levering om niet aan [geïntimeerde] van de juridische eigendom van het perceel en de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
meer subsidiair [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van de door [geïntimeerde] aan [appellant] geleende bedragen van f 132.000,-- en € 65.000,-- en
2. [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.1.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.

De rechtbank heeft bij het tussenvonnis van 5 februari 2014 een comparitie gelast. De comparitie heeft blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal plaatsgevonden op 10 april 2014. Bij het eindvonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vordering 1. primair toegewezen. De rechtbank overwoog daartoe, samengevat, dat op de voet van de artikelen 3:105 lid 1 BW en 3:306 BW beoordeeld moest worden of [geïntimeerde] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van het perceel grond met daarop de woning en dat voor dat oordeel van belang is of [geïntimeerde] die onroerende zaak in bezit had. Naar het oordeel van de rechtbank had [geïntimeerde] vanaf diens inbezitneming in 1980 het bezit van perceel en woning. De vordering van [appellant] tot beëindiging van dat bezit is op grond van artikel 3:306 BW na twintig jaren verjaard, zodat [geïntimeerde] op dat moment eigenaar van de onroerende zaak was, aldus de rechtbank.

3.4.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd.
Hij vordert thans onder 1. primair te verklaren voor recht dat de rechtsvordering van [appellant] strekkende tot beëindiging van het bezit en tot revindicatie van de grond met woning op grond van artikel 3:306 BW is verjaard en dat [geïntimeerde] in aansluiting op deze bevrijdende verjaring op grond van artikel 3:105 BW de eigendom heeft verkregen van grond en woning. De subsidiaire vordering is ongewijzigd gebleven.
Meer subsidiair vordert [geïntimeerde] thans [appellant] te veroordelen tot betaling van de door [geïntimeerde] geleden schade uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, op te maken bij staat.
Meer meer subsidiair vordert [geïntimeerde] [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van de geleende gelden ad f 132.000,-- en € 65.000,--.
Uiterst subsidiair vordert [geïntimeerde] thans [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van de helft van de door [geïntimeerde] aan WUB van februari 1980 tot en met de datum van dit arrest betaalde rente- en aflossingstermijnen uit hoofde van de hypothecaire geldleningsovereenkomsten genoemd onder 3.1.d en 3.1.g. te vermeerderen met wettelijke rente.
Tevens vordert [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.5.

Met grief I betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte voor recht heeft verklaard dat [geïntimeerde] door bevrijdende verjaring eigenaar is van het perceel grond met de woning. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] zich slechts beroepen op verkrijgende verjaring en was het de rechtbank niet toegestaan ambtshalve dat beroep “om te zetten” in een beroep op bevrijdende verjaring.

3.5.1.

De grief faalt. Voorop stelt het hof dat [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding (sub 16) heeft gesteld dat hij de juridische eigendom van de woning heeft verkregen door verkrijgende verjaring, omdat hij de woning in 1980 in bezit heeft genomen en dit bezit gedurende een periode van meer dan twintig jaar heeft gecontinueerd. Met de rechtbank leest het hof in die stelling een beroep op eigendomsverkrijging doordat de verjaringstermijn van de vordering van [appellant] tot beëindiging van het bezit van [geïntimeerde] op grond van artikel 3:306 BW na twintig jaren is voltooid. Op grond van artikel 3:105 BW werd [geïntimeerde] daardoor, zo leest ook het hof diens standpunt, eigenaar van de onroerende zaak. Dit is de vorm van verkrijgende verjaring die aansluit op de extinctieve (bevrijdende) verjaring van voormelde vordering tot beëindiging van het bezit. Dat de rechtbank in het dictum van het vonnis waarvan beroep spreekt over “bevrijdende” verjaring doet hier niet aan af.

3.5.2.

Ten overvloede wijst het hof erop dat de rechter ambtshalve de verkrijgende verjaring kan toepassen (MvA II, PG. 3, pagina 419, 415-416), terwijl voorts heeft te gelden dat [geïntimeerde] de gronden van de vordering in hoger beroep heeft aangevuld en zich alsnog uitdrukkelijk op voormelde wetsartikelen heeft beroepen.

3.5.3.

Grief II heeft naast grief I geen zelfstandige betekenis en deelt daarom het lot van die grief.

3.6.

Met de grieven III tot en met VII (waarvan de grieven V en VI deels gelijkluidend zijn) betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de feitelijke bewoning door [geïntimeerde] van de op het perceel gebouwde woning vanaf 1980 als inbezitneming moet worden gekwalificeerd, dat [geïntimeerde] op grond van artikel 3:107 BW bezitter van die zaak is geworden en vervolgens op grond van artikel 3:105 lid 1 BW eigenaar.

3.6.1.

De grieven slagen, waartoe het hof overweegt als volgt.
[geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding gesteld (sub 2 en 15) dat aan zijn vordering ten grondslag ligt een tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst, die inhield dat het perceel grond op naam van [appellant] werd gezet (zodat [appellant] juridisch eigenaar werd) en dat [geïntimeerde] de economische eigendom van de grond en de daarop te bouwen woning verkreeg, in die zin dat de lusten en lasten van die woning voor rekening van [geïntimeerde] kwamen. Voorts hield de overeenkomst volgens [geïntimeerde] in dat [appellant] , zodra dit mogelijk was, op eerste verzoek van [geïntimeerde] om niet de juridische eigendom van de grond en de woning aan [geïntimeerde] zou leveren, waarbij [geïntimeerde] de kosten van de overdracht zou dragen. Het hof begrijpt dit standpunt van [geïntimeerde] aldus dat de op het perceel gebouwde woning naar diens stellingen door natrekking eigendom van [appellant] is geworden.

3.6.2.

Uit het hiervoor weergegeven standpunt van [geïntimeerde] volgt dat [geïntimeerde] naar zijn eigen stellingen, tot de overdracht van de grond en de woning aan hem door [appellant] , een verbintenisrechtelijke aanspraak jegens [appellant] had op die overdracht. Deze aanspraak hield, zo begrijpt het hof, in dat [geïntimeerde] recht had op levering wanneer de wetgeving die de verwerving van de eigendom (van grond en woning) aan voorwaarden verbond zou worden afgeschaft, dan wel [geïntimeerde] aan die voorwaarden zou gaan voldoen. [geïntimeerde] erkent hiermee de eigendomsrechten van [appellant] . Of [geïntimeerde] zijn recht op levering daadwerkelijk op enig moment kon inroepen is dus in de eigen visie van [geïntimeerde] onzeker. Gesteld noch gebleken is dat aan de voorwaarden is voldaan. Onder deze omstandigheden kan de enkele instemming van [appellant] met de ingebruikname in 1980 van de grond (en de woning) door [geïntimeerde] niet leiden tot de conclusie dat sprake is van inbezitneming door [geïntimeerde] . Veeleer moet de conclusie luiden dat [geïntimeerde] houder is voor [appellant] op grond van een overeenkomst tussen partijen.
Dat [geïntimeerde] pretendeert economisch eigenaar te zijn van de grond en de woning maakt dit oordeel niet anders. Ook het bouwen en bewonen van de woning alsmede het dragen van de lusten en lasten met betrekking tot de woning (waar [geïntimeerde] zijn stelling op baseert) vinden immers hun grondslag in de overeenkomst met [appellant] .
Gesteld noch gebleken is voorts dat in de feitelijke situatie sinds 1980 enigerlei wijziging is opgetreden, zodat op grond van artikel 3:111 BW evenmin wijziging van het houderschap van [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden.

3.6.3.

De conclusie luidt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] bezitter was ten tijde van de voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering van [appellant] tot beëindiging van dat bezit. De primaire vordering van [geïntimeerde] , zoals in hoger beroep gewijzigd, zal afgewezen worden.

3.7

Nu het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, brengt de devolutieve werking van het appel met zich dat de in eerste aanleg niet behandelde vorderingen en verweren alsnog door het hof beoordeeld dienen te worden, met inachtneming van de wijziging van de eis in hoger beroep.

3.8.

De meer subsidiaire vordering in hoger beroep baseert [geïntimeerde] op ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] . [geïntimeerde] stelt dat [appellant] ongerechtvaardigd verrijkt is omdat [appellant] zonder enige inspanning te verrichten de eigendom van een woning heeft verkregen en dat [geïntimeerde] verarmd is doordat hij de grond en de bouw, renovatie en onderhoud van de woning volledig heeft gefinancierd.

3.8.1.

Op grond van artikel 6:212 BW is hij, die ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van een ander, verplicht voor zover dit redelijk is, de schade van die ander te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

3.8.2.

[appellant] heeft ontkend dat [geïntimeerde] verarmd is en heeft zijn betwisting onderbouwd door te stellen dat [geïntimeerde] sinds 1980 fiscaal voordeel heeft genoten van de betaling van hypothecaire rente, dat [geïntimeerde] sinds 1980 zeer lage woonlasten heeft en dat een normale huur voor de woning € 850,-- per maand zou hebben bedragen.
Op deze stellingen van [appellant] is [geïntimeerde] in hoger beroep niet ingegaan. Evenmin heeft hij zijn vordering nader onderbouwd. Het hof zal de vordering op deze grondslag daarom bij gebreke van voldoende feitelijke onderbouwing afwijzen.

3.9.

Meer meer subsidiair vordert [geïntimeerde] terugbetaling door [appellant] van de door [geïntimeerde] naar diens stellingen aan [appellant] geleende bedragen van in totaal ( fl. 132.000,-- en € 65.000,-- = ) € 124.898,99. [appellant] heeft het bestaan van (een) geldleningsovereenkomst(en) tussen partijen ontkend.

3.9.1.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] deze vordering volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat [geïntimeerde] (zoals deze bij de inleidende dagvaarding sub 22 stelt) “koopkracht voor [appellant] heeft gegenereerd door uit zijn vermogen een geldsom naar het vermogen van [appellant] over te hevelen” wijst op generlei wijze in de richting van een overeenkomst van geldlening. Deze vordering zal worden afgewezen.

3.10.

Uiterst subsidiair vordert [geïntimeerde] in hoger beroep betaling door [appellant] van de helft van de door [geïntimeerde] in de periode februari 1980 tot en met de datum van de beslissing van het hof aan WUB betaalde rente- en aflossingstermijnen van de hypothecaire geldleningen. [geïntimeerde] stelt daartoe dat [appellant] hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening gesloten tussen enerzijds WUB en anderzijds [geïntimeerde] , diens echtgenote en [appellant] , maar dat [geïntimeerde] alle schulden geheel heeft gedragen. [geïntimeerde] grondt de vordering op een regresverplichting van [appellant] .

3.10.1.

Nog daargelaten dat [geïntimeerde] niet stelt om welk bedrag het bij deze vordering gaat, hetgeen wel op zijn weg had gelegen nu hij de desbetreffende bedragen heeft betaald, heeft het volgende te gelden.
Krachtens artikel 6:10 lid 1 BW zijn hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, gehouden in de schuld bij te dragen. [geïntimeerde] heeft zich in de procedure op het standpunt gesteld dat hij op grond van een overeenkomst met [appellant] alle hypothecaire lasten draagt en heeft gedragen. Uit de eigen stellingen van [geïntimeerde] kan daarom niet volgen dat [appellant] , in de onderlinge verhouding tussen partijen, tot enige bijdrage in de schuld gehouden is. Voor zijn regresvordering heeft [geïntimeerde] dus geen genoegzame feiten gesteld, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.

3.11.

Alvorens tot beoordeling van de subsidiaire vordering over te gaan zal het hof een comparitie van partijen gelasten teneinde nadere inlichtingen te verkrijgen en een schikking te beproeven. Het hof wenst onder meer geïnformeerd te worden op de navolgende punten:
- wie van partijen heeft in 1979 de koopsom voor het perceel grond betaald aan de verkoper?
Partijen dienen er zorg voor te dragen dat bewijsstukken van die betaling uiterlijk twee weken voor de zitting in het bezit van het hof en de wederpartij zijn. Het hof wijst er op dat [appellant] , aan wie het perceel geleverd is (zie productie 1 inleidende dagvaarding), voorshands de aangewezen partij is om de notariële nota van afrekening in het geding te brengen, alsmede eventuele bankafschriften met betrekking tot die betaling. [geïntimeerde] dient, indien hij de koopsom (al dan niet via [appellant] ) betaalde, duidelijk aan te geven (bijvoorbeeld door middel van bankafschriften uit die periode) op welke wijze die koopsom “ten laste van zijn vermogen is gekomen” (inleidende dagvaarding 15 en 18);
- wanneer, waar en in wiens aanwezigheid is de overeenkomst die [geïntimeerde] aan de subsidiaire vordering ten grondslag legt gesloten? Wat is daarbij tussen de aanwezigen besproken?
- wat is tussen partijen besproken ten tijde van het aangaan van de hypothecaire leningen bij WUB genoemd in 3.1. d. en 3.1.g.?
- welke bedragen heeft [geïntimeerde] sinds 1979/1980 afgelost op de hypothecaire leningen en hoeveel rente heeft hij in die periode over die leningen betaald? Partijen dienen bewijstukken van de hoogte van de betalingen door [geïntimeerde] en de hoogte van de thans nog resterende hypothecaire schuld ter zitting mee te brengen.
- wat is de huidige waarde van de woning met het perceel grond?

3.12.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon, vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. Verhoeven als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 7 juni 2016 voor opgave van de verhinderdata van de verschenen partij(en), hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de verschijning zal vaststellen;

beveelt partijen om de hiervoor in r.o. 3.11. (eerste liggende streepje) genoemde stukken uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.W.T. Vriezen en J.J. Verhoeven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 mei 2016.

griffier rolraadsheer