Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2022

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
200.178.372/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 19 mei 2016

Zaaknummer: 200.178.372/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/290796 / FA RK 15-1167

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. I. Wudka,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Colgecen-Senol.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2015, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn inleidend verzoek tot (herstel van) omgang tussen hem en de hierna nader te noemen [minderjarige] alsnog toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 november 2015, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. P.J.M. Bongaarts namens mr. Wudka;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Colgecen-Senol;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 25 juni 2015;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde memo van Kentalis d.d. 15 juni 2015 en, met instemming van de vader, de memo van Kentalis van 12 februari 2016.

2.4.1.

Volgens afspraak is na de mondelinge behandeling (op 25 april 2016) ingekomen de brief met bijlagen van de raad d.d. 22 april 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze verbroken relatie van partijen is op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend.

De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] woont bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 4 februari 2014 heeft de rechtbank Oost-Brabant de vader het recht op omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd ontzegd.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot (herstel van) omgang tussen hem en [minderjarige] afgewezen.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat het volgende aan.

De vader is veranderd; hij is rustiger geworden en wil het verleden achter zich laten. Hij realiseert zich dat de voorvallen en zijn gedrag in het verleden tot het verbreken van de omgang met [minderjarige] hebben geleid en hij heeft daar spijt van. Hij wil zich op een positieve en gemotiveerde wijze inzetten voor een goede omgang met [minderjarige] , niet alleen in zijn eigen belang, maar vooral ook in het belang van [minderjarige] , die immers het meest gebaat is bij een goede omgang met beide ouders. Professionele hulp ten behoeve van het in dit kader gewenste veranderingsproces ligt buiten het bereik van de vader omdat hij - zonder verblijfsvergunning - geen Nederlandse ziektekostenverzekering kan afsluiten die de kosten daarvan dekt. Of de vader gewerkt heeft aan het ontwikkelen van zijn inlevingsvermogen en daarbij resultaten heeft geboekt zou in het kader van een onderzoek door de raad kunnen worden geconstateerd.

De vraag is of de moeder heeft gewerkt aan haar angsten in verband met het verleden van partijen om zo wellicht alsnog de weg voor [minderjarige] vrij te maken om belangstelling voor de vader te ontwikkelen. Een negatief beeld van de vader bij de moeder roept ook bij [minderjarige] een negatief vaderbeeld op. De enige manier om dit te doorbreken is om [minderjarige] middels een geleidelijk herstel van de contacten met de vader te laten ondervinden dat het beeld dat hij van de vader heeft niet klopt.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De vader stelt enkel dat hij zijn gedrag heeft aangepast, maar maakt niet duidelijk op welke wijze hij zijn agressie onder controle heeft gekregen. Bij een in het verleden geïnitieerd raadsonderzoek is de vader niet op de afspraak verschenen. De vader scheldt de moeder uit wanneer hij haar tegenkomt in de rechtbank. Hij vertoont agressief gedrag jegens haar.

De moeder heeft op advies van de rechtbank gesprekken gevoerd met een psycholoog. Deze heeft aangegeven dat een vervolgbehandeling niet nodig is alsook te begrijpen waarom er geen omgang is tussen de vader en [minderjarige] .

Omgang met de vader is niet in het belang van [minderjarige] . Telkens wanneer de vader een verzoek daartoe indient, is [minderjarige] van slag en vertoont hij gedrag dat hij normaal niet vertoont. Toen partijen nog bij elkaar waren, stotterde [minderjarige] veel, ging het emotioneel slecht met hem en had hij moeite met de omgang met anderen. [minderjarige] is door de vader mishandeld. Thans gaat het beter met hem. Hij is onder behandeling bij Kentalis en hij heeft naschoolse ondersteuning.

Het is niet bekend of de thuissituatie van de vader veilig is voor [minderjarige] . De vriend van de vader, met wie hij heeft samengewoond, heeft zijn schoonmoeder en zijn vriendin vermoord.

3.7.

De raad heeft ter zitting geadviseerd om, gelet op de bevindingen van de raad in het verleden, allereerst onderzoek te laten verrichten naar de geschiktheid en mogelijkheden van de vader tot omgang met [minderjarige] , zonder [minderjarige] daarbij te betrekken.

3.8.

Ter zitting is met partijen besproken dat het hof zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht acht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Partijen hebben desgevraagd ingestemd met het advies van de raad om een onderzoek te laten verrichten naar de geschiktheid en de mogelijkheden van de vader tot (herstel van) omgang met [minderjarige] , waarbij [minderjarige] buiten dit onderzoek wordt gehouden. Het hof zal de raad dan ook verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en te adviseren omtrent het in artikel 1:377a lid 3 aanhef en sub d van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de ouder opgenomen criterium voor omgang, resulterend in de volgende onderzoeksvragen:

- is er sprake van omstandigheden die de vader kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat maken tot omgang?

- indien de vader geschikt of in staat mag worden geacht tot omgang, hoe dient [minderjarige] hier bij betrokken te worden; hoe kan vervolgens een omgangsregeling op gang worden gebracht en dienen hieraan dan voorwaarden te worden verbonden en zo ja, welke?

3.9.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak drie maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen drie weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad, waarna het hof zal beslissen over de verdere voortgang van de zaak.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.8. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 19 augustus 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.