Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2002

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
10/00626-GHK en 10/00633-GHK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 8:42 Awb. Art. 8:29 Awb. Art. 67 AWR. BZN (Bank Zonder Naam). Tussenuitspraak geheimhoudingskamer.

- Applicatie ‘BZN’ is een op de zaak betrekking hebbend stuk. Met betrekking tot de uit hoofde van art. 8:42 van de Awb voortvloeiende verplichting van de Inspecteur om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen heeft de Inspecteur voldaan door de werking te tonen ter zitting. Voor het overige conform Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944.

- Zonder kennisneming van de ongeschoonde inhoud van stukken kan de belastingrechter niet beoordelen of stukken al dan niet op de zaak betrekking hebben (Hoge Raad 15 november 2013, 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129 en Hoge Raad 10 april 2015, 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874).

- Verschil tussen geheimhouding en beperkte kennisneming. Bij geheimhouding mogen de rechter, die de hoofdzaak beslist, en belanghebbende geen kennis nemen van de ongeschoonde (delen van de) stukken en blijven deze (delen van de) stukken bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing. Bij beperkte kennisneming neemt de rechter, die de hoofdzaak beslist, met toestemming van belanghebbende (artikel 8:29, lid 5 van de Awb) bij de beoordeling van het geschil wel kennis van die stukken (in ongeschoonde vorm), maar belanghebbende niet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1827
V-N 2016/47.4 met annotatie van Redactie
FutD 2016-1430 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/2183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Vijfde enkelvoudige belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’

Kenmerken: 10/00626-GHK en 10/00633-GHK

Tussenuitspraak ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de hoger beroepen van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

(hierna: belanghebbende),

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

(hierna: de Inspecteur),

en in de incidentele hoger beroepen van

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda, thans: de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank), van 19 juli 2010, nummer AWB 08/4813, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2002, met aanslagnummer [aanslagnummer] H27, alsmede de daarbij opgelegde boetebeschikking en de beschikking heffingsrente.

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 december 2007 de hiervoor genoemde navorderingsaanslag ten bedrage van € 19.563 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.605, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 72.605 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 140.971. Tegelijkertijd is aan belanghebbende, in één geschrift met de navorderingsaanslag verenigd, bij beschikking een boete van € 19.563 opgelegd, alsmede bij beschikking een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 3.424.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen op 9 januari 2008 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij brief van 14 maart 2008 aan belanghebbende meegedeeld niet binnen de gestelde termijn na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak te kunnen doen. Belanghebbende heeft ingestemd met een verlenging van de termijn van het doen van uitspraak op bezwaar. Bij brief van 17 november 2008 heeft belanghebbende deze instemming ingetrokken. De Inspecteur heeft belanghebbende daarop in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke standpunt mondeling toe te lichten. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt tijdens een op 12 januari 2009 gehouden hoorzitting. Belanghebbende heeft toen inzage gehad in enkele zich in het dossier van de Inspecteur bevindende stukken.

1.3.

Belanghebbende is vóór 17 november 2008 (de datum van het intrekken van de instemming met de termijnverlenging), bij schrijven van 16 oktober 2008, in beroep gekomen bij de Rechtbank. Belanghebbende heeft de gronden van zijn beroep op 11 december 2008 ingediend. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank geen griffierecht van belanghebbende geheven. In beroep is belanghebbende onder meer opgekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en de weigering van de Inspecteur om door belanghebbende gevraagde gegevens te verstrekken.

1.4.

Het verweerschrift is op 16 februari 2009 ingekomen bij de Rechtbank. In het verweerschrift stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat sprake is van een voortijdig ingediend beroepschrift, nu het beroepschrift (op 16 oktober 2008) is ingediend vóórdat belanghebbende zijn toestemming voor verlenging van de uitspraaktermijn (op 17 november 2008) had ingetrokken.

1.5.

Op 10 april 2009 heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.6.

Bij brief van 17 april 2009 heeft belanghebbende de Inspecteur er op gewezen dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur aan belanghebbende zijn overgelegd. De Inspecteur heeft bij brief van 27 mei 2009 op deze brief van belanghebbende gereageerd. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BA3823) heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld te motiveren welke concrete stukken hij wenst te ontvangen.

1.7.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer van de Rechtbank heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010 te Breda. Voorafgaand aan deze zitting heeft belanghebbende stukken in het kader van artikel 8:58 van de Awb aan de Rechtbank doen toekomen, welke stukken aan de wederpartij zijn doorgezonden. De beroepen, met Rechtbank-kenmerken AWB 08/4812 tot en met AWB 08/4814, zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] , en namens de Inspecteur, de heren [B] , [C] en [D] .

1.8.

De Rechtbank heeft bij de in de aanhef genoemde uitspraak van 19 juli 2010 de volgende – inhoudelijke – beslissing genomen. Het beroep is gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar zijn vernietigd, de navorderingsaanslag is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 114.970 met handhaving van de overige elementen van de navorderingsaanslag, de boete is verminderd tot een bedrag van € 14.529, de heffingsrente is verminderd overeenkomstig de navorderingsaanslag en de Inspecteur is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644.

1.9.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld (Hof-kenmerk: 10/00626) en heeft zijn hoger beroep bij schrijven van 21 oktober 2010 gemotiveerd. Belanghebbende heeft bij schrijven van 14 december 2010 zijn verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.10.

Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank (Hof-kenmerk: 10/00633) en heeft zijn hoger beroep bij schrijven van 30 september 2010 gemotiveerd. De Inspecteur heeft bij schrijven van 26 april 2011 een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft vervolgens bij schrijven van 8 juni 2011 gereageerd op het verweerschrift van belanghebbende van 14 december 2010 in de procedure met kenmerk 10/00626 alsmede (nogmaals op) het hoger beroep van belanghebbende in de procedure met kenmerk 10/00633.

1.11.

Nu beide partijen hoger beroep hebben ingesteld en beide partijen daarin concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en beide, naar het Hof verstaat, in hun verweerschriften inzake het door hun wederpartij ingediende hoger beroep logischerwijs ook concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, volgt daaruit dat partijen eveneens incidenteel hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft de Inspecteur in de gelegenheid gesteld het incidentele hoger beroep van belanghebbende te beantwoorden. Het Hof heeft belanghebbende evenwel niet in de gelegenheid gesteld het incidentele hoger beroep van de Inspecteur schriftelijk te beantwoorden, zoals is voorgeschreven in artikel 27m van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Algemene wet inzake rijksbelastingen; hier in de tekst tot 1 juli 2013).

1.12.

Bij brief van 24 oktober 2011 heeft het Hof aan partijen medegedeeld dat een meervoudige kamer van het Hof hun beroepen ter zitting van 8 december 2011 zal behandelen. Aan partijen is vervolgens bij brief van 30 november 2011 kenbaar gemaakt dat het Hof voornemens is om op deze zitting de zaken te verwijzen naar de geheimhoudingskamer van het Hof. Er zou dan geen inhoudelijk onderzoek ter zitting plaatsvinden.

1.13.

Op 8 december 2011 heeft het onderzoek ter zitting van het Hof plaatsgehad. Ter dezer zitting zijn de procedures met de kenmerken 10/00626, 10/00633, 10/00634 en 10/00635 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting uiteengezet welke stukken hij tot de stukken van het geding, als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, rekent en welke stukken hij in dat kader van de Inspecteur nog wil ontvangen. Het betreft:

A. de ongeschoonde versie van bijlagen B.1 tot en met B.12 van de Belgische aanbiedingsbrief en de bijbehorende Nota;

B. het ongeschoonde draaiboek, dus zonder anonimisering van de namen van de ambtenaren;

C. de interne instructies/e-mails, voor zover die niet in het draaiboek zijn opgenomen;

D. e-mails met betrekking tot het geval van de [belanghebbende] .

De Inspecteur heeft zich er ter zitting over uitgelaten of deze stukken volgens hem tot de stukken van het geding behoren. Afgesproken is dat de Inspecteur er naar zal streven om binnen acht weken na de zitting de gevraagde stukken te overleggen en zijn standpunt over eventuele geheimhouding van deze stukken, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, kenbaar te maken. Gelet hierop heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst.

1.14.1.

Bij brief van 18 januari 2012 heeft het Hof het proces-verbaal van de zitting van 8 december 2011 aan partijen gestuurd. Dit proces-verbaal heeft de Inspecteur aanleiding gegeven tot een aantal opmerkingen, zoals verwoord in zijn brief van 8 februari 2012. Ten aanzien van de interne instructies (als genoemd onder C) stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat alle werkinstructies in het draaiboek Bank Zonder Naam zijn opgenomen en dat er geen andere werkinstructies dan deze zijn. Verder neemt de Inspecteur het nadrukkelijke standpunt in dat de e-mails met betrekking tot het geval van belanghebbende (als genoemd onder D) niet tot de stukken van het geding behoren. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur ook onvoldoende concreet aangegeven welke
e-mails het betreft en waarom deze e-mails van belang konden zijn geweest in de zaak van belanghebbende.

1.14.2.

Bij de brief van 8 februari 2012 van de Inspecteur zijn drie geschoonde bijlagen gevoegd, namelijk een

e-mail van 20 november 2006 van de projectleider Bank Zonder Naam, waarin wordt verzocht de verzending van de vragenbrieven aan de rekeninghouders op te schorten (als bedoeld onder C), een e-mail van 5 december 2006 van de projectleider, waarin de regio’s worden geïnformeerd over de data van het verzenden van de vragenbrieven (als bedoeld onder C), en, ten slotte, een verzameling van e-mails uit belanghebbendes dossier (als bedoeld onder D).

1.15.

De Inspecteur heeft separaat van zijn brief van 8 februari 2012 een ongeschoonde versie van de stukken als genoemd onder A en B aan de geheimhoudingskamer van het Hof verzonden. Ten aanzien van deze stukken heeft de Inspecteur een beroep op geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, gedaan. Van de e-mails, als genoemd onder D, heeft de Inspecteur eveneens per separate post de ongeschoonde versie overgelegd.

1.16.

Bij brief van 7 maart 2012 heeft het Hof de brief van de Inspecteur van 8 februari 2012, met de geschoonde bijlagen, doorgestuurd naar belanghebbende, met het verzoek aan belanghebbende om op de opmerkingen bij het proces-verbaal, zoals opgenomen in deze brief, te reageren.

1.17.1.

In zijn op 8 maart 2012 ingekomen reactie, geeft belanghebbende aan dat het proces-verbaal van de zitting van 8 december 2011 volgens hem een juiste weergave is van hetgeen ter zitting is besproken.

1.17.2.

Ten aanzien van de interne instructies (als genoemd onder C) stelt belanghebbende zich op het standpunt dat er wel degelijk nadere instructies zijn die de Inspecteur had behoren in te brengen.

1.17.3.

Ten aanzien van de e-mails (als genoemd onder D) stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de Inspecteur niet alle e-mails heeft overgelegd die van belang zouden kunnen zijn geweest voor de besluitvorming in belanghebbendes zaak. Belanghebbende verzoekt het Hof de Inspecteur op te dragen om alsnog de niet ingebrachte e-mails in te brengen, alsmede de pdf-bestanden, waarnaar in de door hem overgelegde

e-mails is verwezen, alsmede de overige stukken waarnaar in de e-mail van 5 december 2006 is verwezen, alsmede een overzicht van de door de Inspecteur gebruikte applicatie, waarnaar in de e-mails wordt verwezen.

1.18.

Vervolgens heeft het Hof op 15 maart 2012 de dossiers met alle processtukken overgedragen aan de Derde Meervoudige Belastingkamer, optredende als geheimhoudingskamer. Nadien is de behandeling van het geheimhoudingsverzoek stil komen te liggen door een wijziging in de organisatiestructuur van het Hof, waarbij de (toenmalige) meervoudige (belasting)Kamers zijn opgeheven. In het najaar van 2014 is de (verdere) behandeling van het geheimhoudingsverzoek in handen gesteld van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, thans optredende als geheimhoudingskamer. Vervolgens is een brief, gedateerd 2 maart 2015, aan de Inspecteur gestuurd. In deze brief heeft de geheimhoudingskamer de Inspecteur gewezen op de (als bijlage bijgevoegde) brief van belanghebbende van 8 maart 2012 en heeft de geheimhoudingskamer een aantal verzoeken aan de Inspecteur gedaan:

Ten aanzien van de stukken genoemd onder A en B:

Deze stukken zijn in ongeschoonde vorm reeds aan de geheimhoudingskamer overgelegd. De geheimhoudingskamer verzoekt de Inspecteur deze stukken eveneens in geschoonde vorm te overleggen. Verder verzoekt de geheimhoudingskamer de Inspecteur zijn verzoek om geheimhouding van deze stukken gemotiveerd te onderbouwen, in die zin dat hij uiteenzet welke gewichtige redenen er aan in de weg staan om de inhoud van deze stukken aan belanghebbende kenbaar te maken.

Ten aanzien van de e-mails van de projectleider:

De e-mails van de projectleider zijn in geschoonde vorm overgelegd. De geheimhoudingskamer verzoekt de Inspecteur deze
e-mails eveneens in niet geschoonde vorm te overleggen.

Verder verzoekt de geheimhoudingskamer de Inspecteur zijn verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming van deze stukken gemotiveerd te onderbouwen, in die zin dat hij uiteenzet welke gewichtige redenen er aan in de weg staan om de inhoud van deze e-mails aan belanghebbende kenbaar te maken.

Ten aanzien van de e-mails uit het dossier van belanghebbende:

De e-mails uit het dossier van belanghebbende zijn zowel in geschoonde als niet geschoonde vorm aan de geheimhoudingskamer overgelegd. Ten aanzien van deze e-mails verzoekt de geheimhoudingskamer de Inspecteur zijn verzoek om geheimhouding van deze stukken gemotiveerd te onderbouwen, in die zin dat hij uiteenzet welke gewichtige redenen er aan in de weg staan om de inhoud van deze e-mails of gedeelten daarvan aan belanghebbende kenbaar te maken.

Ten aanzien van de niet overgelegde e-mails met betrekking tot de zaak van belanghebbende, heeft de geheimhoudingskamer de Inspecteur in de gelegenheid gesteld om alsnog de niet geschoonde versie van deze stukken aan de geheimhoudingskamer over te leggen en daarbij aan te geven ten aanzien van welke e-mails of gedeelten daarvan hij zich beroept op geheimhouding of beperking van de kennisneming van deze e-mails. Verder verzoekt de geheimhoudingskamer de Inspecteur gemotiveerd aan te geven welke gewichtige redenen er aan in de weg staan die e-mails of gedeelten daarvan aan belanghebbende ter beschikking te stellen.

De geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur verder in de gelegenheid gesteld om de volgende niet overgelegde stukken in ongeschoonde vorm in te dienen:

Twee bestanden, waarnaar in de e-mail van 5 december 2006 wordt verwezen (een ‘applicatie’ en een niet overgelegde bijlage, genaamd ‘checklist project Bank Zonder Naam.doc’).

Overige tot de stukken van het geding behorende e-mails en de bij de e-mails uit het dossier van belanghebbende behorende pdf-bestanden. Ten aanzien van al deze stukken dient de Inspecteur aan te geven ten aanzien van welke stukken of gedeelten daarvan hij zich beroep op geheimhouding of beperking van de kennisneming. Verder heeft de geheimhoudingskamer de Inspecteur verzocht om gemotiveerd te onderbouwen welke gewichtige redenen er aan in de weg staan die stukken of gedeelten van stukken aan belanghebbende ter beschikking te stellen.

De geheimhoudingskamer heeft aan de Inspecteur verzocht om in zijn reactie in te gaan op de brief van belanghebbende van
8 maart 2012. Specifiek is aan de Inspecteur verzocht om in te gaan op onderdeel 4 van de reactie van belanghebbende (het terugzenden van het e-mailbericht van 20 november 2006).

1.19.1.

Bij brief van 16 april 2015 heeft de Inspecteur aangegeven ten aanzien van bepaalde stukken een beroep op artikel 8:29 van de Awb te doen. Het betreft de stukken:

I. De bij de aanbiedingsbrief behorende Nota

Beroep op artikel 8:29 Awb

Geanonimiseerd zijn de namen, plaatsen en andere gegevens die betrekking hebben op het Belgische strafrechtelijke onderzoek, alsmede de namen, telefoonnummers en e-mail adressen van Belgische belastingambtenaren. De naam van de onderzoeksrechter is vrijgegeven

II. De bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten) en B.9 (de adressenlijst)

Beroep op artikel 8:29 Awb

De rekeningstandenlijsten zijn geschoond van de namen en rekeningnummers van derden

III. De overige bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10, B.11 en B.12

Beroep op artikel 8:29 Awb

Op bijlage B.10 zijn de namen op organigram geschoond. B.12 is in zijn geheel vrijgegeven. Bij de rest van de bijlagen geldt dat de cijfermatige informatie geheim is gehouden (enkel de kopteksten zijn verstrekt, de rest van de bijlagen is geanonimiseerd)

IV. Het Draaiboek ‘Bank Zonder Naam’

Beroep op artikel 8:29 Awb

Namen, telefoonnummers en andere gegevens die betrekking hebben op de belastingambtenaren, andere dan de projectleiders en persvoorlichter, zijn geanonimiseerd. De rest(onder andere de naam van de bank) is vrijgegeven

V. De e-mails uit het dossier van belanghebbende

Beroep op artikel 8:29 Awb

Alle persoonsgegevens, waaronder begrepen contactgegevens (adressen, plaatsnamen, telefoon- en faxnummers en

e-mailadressen) van belastingambtenaren, behalve voor zover deze behandelaars van belanghebbendes dossier zijn, zijn geschoond

VI. De twee e-mails van de projectleider van

20 november 2006 en

5 december 2006

Beroep op artikel 8:29 Awb

De namen van de belastingambtenaren, met uitzondering van de naam van de projectleider, zijn weggelaten, alsmede telefoonnummers van de projectleider

VII. Overige
e-mails/stukken met betrekking tot de zaak van belanghebbende

Beroep op artikel 8:29 Awb voor wat betreft e-mail hercheck

Geen beroep op artikel 8:29 Awb voor wat betreft de aanbiedingsbrief

In de bij de brief van 16 april 2015 overgelegde e-mail, die ziet op de hercheck die in de zomer van 2008 is uitgevoerd naar de juistheid van de identificatie, zijn een persoonsgegeven en een telefoonnummer en in de bijlage zijn de persoonsgegevens weggelaten.

De Inspecteur heeft verder bij zijn brief van 16 april 2015 de aanbiedingsbrief die is gebruikt in de Kort Geding procedure bijgevoegd. Die brief is ongeschoond overgelegd.

VIII. De bij de e-mails uit het dossier behorende pdf-bestanden

Geen beroep op artikel 8:29 Awb

IX. Twee bestanden, waarnaar in de e-mail van 5 december 2006 wordt verwezen (een ‘applicatie’ en een niet overgelegde bijlage, genaamd ‘checklist project Bank Zonder Naam.doc’).

De applicatie is geen stuk als bedoeld in artikel 8:42 Awb, maar een computer-programma ter ondersteuning van de kantoor-behandelaars.

De checklist is niet meer te achterhalen door de Inspecteur. Ten aanzien van deze ‘stukken’ blijft een beroep op artikel 8:29 Awb achterwege.

1.19.2.

Bij de brief van de Inspecteur van 16 april 2015 zijn de versies van de stukken I tot en met IV overgelegd, geschoond overeenkomstig Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944. De ongeschoonde versie van de stukken genoemd onder V is reeds in het bezit van de geheimhoudingskamer.

Van de twee e-mails van de projectleider (VI) is bij de brief van 16 april 2015 (nog) geen ongeschoonde versie overgelegd, omdat de Inspecteur daarover (nog) niet beschikte.

De e-mail onder VII is bij de brief van 16 april 2015 enkel in geschoonde vorm overgelegd. De Inspecteur heeft aangegeven niet over meer e-mails te beschikken.

Ten aanzien van de stukken onder VIII heeft de Inspecteur gesteld dat deze reeds (in ongeschoonde vorm) onderdeel uitmaken van het procesdossier. Op basis van de door de Inspecteur verstrekte gegevens over de pdf-bestanden, was door de geheimhoudingskamer echter niet vast te stellen of dit het geval is (zie hierna onder 1.21.1).

De ‘stukken’ onder IX zijn niet overgelegd.

1.19.3.

Ten aanzien van de stukken I tot en met IV heeft de Inspecteur als redenen voor geheimhouding opgeworpen dat de geschoonde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Verder wijst de Inspecteur op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (bij natuurlijke personen) alsmede op het eveneens in het algemeen zwaarwegende belang van bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen. De Inspecteur verwijst daarbij naar de uitspraak van de geheimhoudingskamer van 26 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944 (r.o. 3.61 en 3.67).

Ten aanzien van de bij de Nota behorende bijlagen B.1 tot en met B.11 beroept de Inspecteur zich verder op controle-strategische overwegingen en ook hiervoor verwijst hij naar de voornoemde uitspraak van de geheimhoudingskamer van 26 juni 2014 (onderdeel D).

Ten aanzien van de stukken genoemd onder V heeft de Inspecteur als redenen voor geheimhouding opgeworpen dat de geschoonde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Verder wijst de Inspecteur op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Ten aanzien van de stukken genoemd onder VI verwijst de Inspecteur wederom naar de uitspraak van de geheimhoudingskamer van 26 juni 2014 (r.o. 3.85).

Voor de geheimhouding van delen van de stukken onder VII wijst de Inspecteur op de eerder door hem genoemde twee redenen (geen direct belang, eerbiediging persoonlijke levenssfeer).

Ten aanzien van de applicatie (IX) heeft de Inspecteur uiteengezet dat dit geen ‘stuk’ is, maar een onderdeel van het computersysteem. De applicatie bevat geen nieuwe of andere informatie dan die al deel uitmaakt van het procesdossier.

De checklist (IX) is niet meer te achterhalen en daarom niet overgelegd door de Inspecteur. Ten aanzien van deze ‘stukken’ blijft een beroep op geheimhouding dan ook achterwege.

Ten slotte heeft de Inspecteur naar aanleiding van de vraag van belanghebbende over het terugzenden van het
e-mailbericht van 20 november 2006 aangegeven dat het belang van de beantwoording van deze vraag hem ontgaat en dat het voor hem ook niet meer mogelijk is de gang van zaken rondom het verzenden van deze e-mail te achterhalen.

1.19.4.

Bij brief van 30 april 2015 heeft de Inspecteur alsnog de ongeschoonde versie van de e-mails van 20 november 2006 en 5 december 2006 aan de geheimhoudingskamer overgelegd (VI).

1.20.1.

Bij brief van 17 juli 2015 heeft de geheimhoudingskamer een brief aan de Inspecteur gestuurd, waarin onder meer is gevraagd om te duiden waar de bij de brief van 8 februari 2012 genoemde bijlagen bij de e-mails zich in het dossier bevinden.

1.20.2.

Aan de Inspecteur is tevens verzocht de in zijn brief van 16 april 2015, pagina 2, vierde alinea van onderen, bedoelde applicatie ter beoordeling van zijn verzoek om geheimhouding aan de geheimhoudingskamer te overleggen.

1.21.1.

De Inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 17 augustus 2015, waarbij de tekst van de betreffende pdf’s is overgelegd. Ten aanzien van de pdf [nummer] heeft de Inspecteur aangegeven deze niet (meer) te kunnen overleggen, maar dat de e-mail waar de pdf bij hoort (gedateerd 5 maart 2010) verband houdt met de behandeling van de zaak bij de Rechtbank.

1.21.2.

De Inspecteur heeft bij dezelfde brief van 17 augustus 2015 een gesloten envelop gevoegd. In deze envelop bevindt zich het antwoord van de applicatiebeheerder van de Belastingdienst op de vraag van de geheimhoudingskamer om de applicatie aan te leveren. De applicatiebeheerder geeft aan dat aanlevering op USB-stick of DVD weliswaar mogelijk is, maar dat de applicatie op die manier niet gaat werken en dat inzage in de gegevens niet mogelijk is. De applicatie zoekt zijn database op een share in het netwerk van de Belastingdienst en is enkel toegankelijk voor geautoriseerde medewerkers binnen het domein van de Belastingdienst. De Inspecteur draagt als alternatieve oplossing aan om de geheimhoudingskamer de gelegenheid te bieden om via een (mobiele) computer van de Belastingdienst kennis te nemen van de inhoud van de applicatie.

1.22.

De geheimhoudingskamer heeft vervolgens partijen opgeroepen om inlichtingen te verschaffen (art. 8:44 van de Awb). In overleg met partijen is daartoe een datum bepaald op 21 april 2016. Op die datum heeft de geheimhoudingskamer in het kader van het vooronderzoek een zitting gehouden om partijen inlichtingen te verschaffen over de (voornoemde) applicatie, waarnaar in een door de Inspecteur overgelegde e-mail van 5 december 2006 wordt verwezen. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] , en namens de Inspecteur, de heren [E] en [D] . Van het verstrekken van inlichtingen is een proces-verbaal opgemaakt (art. 8:44, lid 2 van de Awb), dat in afschrift aan partijen is verzonden. Partijen hebben verklaard dat de uitspraak van de geheimhoudingskamer in deze zaken ook geldt voor de andere aanhangige zaken van belanghebbende.

2 Verzoek

Het verzoek van de Inspecteur betreft de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de hiervoor genoemde bijlagen (in ongeschoonde vorm) te overleggen aan de Kamer die in de hoofdzaak zal beslissen en aan belanghebbende.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1.

Om daarover een oordeel te kunnen geven heeft de geheimhoudingskamer kennis genomen van de gehele procesdossiers, inclusief de separaat door de Inspecteur overgelegde ongeschoonde stukken.

I. Algemeen juridisch kader

3.2.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868 en van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129, volgt dat dit stukken zijn die in zijn zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur dan wel (zie Hof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205) die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

3.3.

De geheimhoudingskamer stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de stukken I tot en met VIII behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De geheimhoudingskamer volgt partijen hierin en rekent deze stukken tot de stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.

3.4.

De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend het Hof kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).

3.5.

Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt:

a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de Inspecteur worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in lid 1 van art. 8:29 van de Awb door de Inspecteur om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen is gerechtvaardigd.)

b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).

In art. 8:29, lid 5, Awb is bepaald, dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van een belanghebbende. (Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944.)

3.6.

Nu uit de stukken niet blijkt dat belanghebbende deze in art. 8:29, lid 5, Awb bedoelde toestemming heeft verleend of nog zal (willen) verlenen neemt de geheimhoudingskamer, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, aan dat de Inspecteur verzoekt om toepassing van variant a.

3.7.

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag met boete opgelegd. Zo dit al niet voortvloeit uit de artikelen 8:42 en 8:29 van de Awb, brengt in ieder geval het (vanwege de opgelegde boete) van toepassing zijn van het reeds door belanghebbende genoemde artikel 6, eerste lid, van het EVRM mee dat bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken voor de Kamer die de hoofdzaak beslist en voor belanghebbende de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht.

3.8.

Beslissend bij de vraag of de Inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken - dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm - is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

3.9.

De omstandigheid dat in dezen mede sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM leidt niet tot een ander oordeel. Het recht op kennisneming van de stukken dat besloten ligt in het in voormeld artikellid verwoorde recht op een eerlijke behandeling, is immers geen absoluut recht. In zijn arrest van 16 februari 2000, nr. 28901/95, BNB 2000/259, overwoog het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM):

‘(…) the entitlement to disclosure (…) is not an absolute right (…) there may be competing interests (…) which must be weighed against the right of the accused (…). In some cases it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest.’

3.10.

Geheimhouding van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van gewichtige redenen is niet in strijd met het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende recht op een eerlijk proces, omdat een eerlijke behandeling en berechting door de regeling in artikel 8:29 van de Awb voldoende is gewaarborgd. Zo al sprake is van een inbreuk op een door belanghebbende aan het EVRM te ontlenen recht door (het toelaten van) de geheimhouding, is die inbreuk dan ook gerechtvaardigd.

3.11.

De geheimhoudingskamer wijst er in dit verband voorts nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de rechter toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd (vgl. het hiervoor aangehaalde arrest van het EHRM, paragraaf 61:

‘(…) any difficulties caused to the defence by a limitation on its rights must be sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities’)

Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

3.12.

De onder 3.8 verwoorde belangenafweging moet plaats vinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van het gehele dossier.

II. De beoordeling van het verzoek om geheimhouding door de Rechtbank.

3.13.

Uit hetgeen onder 4.3.2 en 4.3.3 van de uitspraak van de Rechtbank is overwogen volgt dat de Rechtbank alleen kennis heeft genomen van de geschoonde stukken en op basis daarvan tot de conclusie is gekomen dat hij geen aanleiding ziet voor een procedure als bedoeld in art. 8:29 van de Awb. Voorts heeft de Rechtbank in 4.3.8 van zijn uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht.

3.14.

Belanghebbende heeft in de motivering van zijn hoger beroep van 30 september 2010 het oordeel van de Rechtbank, zoals vermeld onder 3.13, bestreden.

3.15.

De Rechtbank heeft geen kennis genomen van de ongeschoonde stukken en derhalve kon de Rechtbank niet beoordelen welke gegevens de Inspecteur heeft geschoond. Aldus kon de Rechtbank niet komen tot het oordeel, dat de Inspecteur gegevens op grond van gewichtige redenen terecht heeft geschoond (arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129, r.o. 3.2.3 en Hoge Raad 10 april 2015, 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874).

3.16.

Bovendien heeft de Rechtbank nagelaten te motiveren welke gevolgen zijn verbonden aan de omstandigheid, dat belanghebbende geen kennis heeft kunnen nemen van de geschoonde gegevens. Voor zover belanghebbende door het schonen van gegevens de gelegenheid is ontnomen verklaringen of ander bewijs te verifiëren of te doen verifiëren volgt uit hetgeen is overwogen onder 3.11 en tevens Hoge Raad 3 april 2009, 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184, dat de Rechtbank had moet motiveren welke gevolgen (processueel, bewijsrechtelijk of anderszins) de Rechtbank heeft verbonden aan de omstandigheid dat belanghebbende deze gelegenheid niet heeft gekregen.

III. Geschoonde gegevens.

3.17.

De geheimhoudingskamer heeft de ongeschoonde stukken vergeleken met de geschoonde stukken. Daaruit blijkt het volgende:

I. De bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota.

3.18.

De Inspecteur heeft de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota geschoond van de volgende gegevens:

a. de in het strafrechtelijk onderzoek voorkomende namen van de betrokken personen;

b. plaatsnamen en bedrijfsgegevens, die betrekking hebben op het strafrechtelijk onderzoek;

c. de naam van de persoon aan wie de brief genoemd als bijlage B.11 is gericht; en

d. de naam van de betrokken ambtenaar van de bijzondere Belastinginspectie alsmede zijn directe telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres.

De naam van de (Belgische) onderzoeksrechter is niet geschoond.

II. De bijlagen B.1, B.2, B.6 en B.9 bij de Nota: de rekeningstandenlijsten en de adressenlijsten.

3.19.

De Inspecteur heeft in de bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten) de volgende gegevens geschoond:

- de rekeningnummers; en

- de namen van de rekeninghouders.

3.20.

Uit een vergelijking van de ongeschoonde en de geschoonde versie van de bijlage B.9 (de adressenlijsten), blijkt dat de Inspecteur de volgende gegevens heeft geschoond:

- tenaamstelling van de rekening (op sommige bladen onder ‘CLAD01’en ‘CLAD02’) en rekeningnummer;

- ‘ benificial owner’;

- adres (op sommige bladen onder ‘CLAD03’), plaatsnaam (op sommige bladen onder ‘CLAD04’en ‘CLAD05’), telefoonnummer en faxnummer;

- naam van de ‘advisor’ (‘fiscalist’) en diens telefoonnummer.

III. De overige bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10, B.11 en B.12.

3.21.

De Inspecteur heeft bijlage B.3 geschoond van de volgende gegevens:

- namen (van natuurlijke personen en rechtspersonen);

- rekeningnummers;

- ‘ volume’; en

- ‘ management Fees’.

Na het schonen resteert alleen een koptekst.

3.22.

De Inspecteur heeft bijlage B.4 geschoond van de volgende gegevens:

- datum (start);

- namen (van natuurlijke personen en rechtspersonen);

- rekeningnummers;

- fees;

- een kolom met het opschrift MO;

- hoeveelheden (naar de geheimhoudingskamer begrijpt: participaties); en

- saldi (in guldens).

Na het schonen resteert alleen een koptekst met de kolomteksten: ‘START’, ‘NAME’, NUMBER’, ‘VOL (NLG)’, ‘FEE (%S/A)’, ‘FEE (S/A)’, ‘MO’, ‘VAT’, ‘AMOUNT’ EN ‘TOTAL (NLG)’.

3.23.

Bijlage B.5 bevat het opschrift ‘FVL clients’. De Inspecteur heeft bijlage B.5 geschoond van de volgende gegevens:

- hoeveelheden (naar de geheimhoudingskamer begrijpt: participaties);

- overige cijfermatige informatie.

Na het schonen resteren alleen vier kopteksten met de kolomteksten van de kolommen: (1)‘AMOUNT’, ‘NUMBER OF CLIENTS’, ‘CASH/DEPOSITS’, ‘BONDS’, ‘SHARES’ AND ‘TOTAL’;
(2) ‘AMOUNT’, ‘NUMBER OF CLIENTS’, ‘ONLY CASH’, ‘AMOUNT’, ‘NUMBER OF CLIENTS’ AND ‘ONLY DEPOSITS’; (3)‘AMOUNT’, ‘NUMBER OF CLIENTS’, ‘BONDS’, ‘ONLY SECURITIES SHARES’, ‘TOTAL’; (4) ‘AMOUNT’, ‘NUMBER OF CLIENTS’, ‘CASH/DEPOSITS’, ‘CASH/DEPOSITS BONDS’, ‘PLUS SECURITIES SHARES’ AND ‘TOTAL’.

3.24.

De Inspecteur heeft bijlage B.7 geschoond van de volgende gegevens:

- namen (van natuurlijke personen en rechtspersonen);

- cijfermatige informatie; en

- codes, kenmerken en cijfers.

Na het schonen resteert alleen een koptekst met de kolomteksten: ‘VAPORT’, VANOMC’, ‘VADATT’, ‘VACODE, ‘VAGRE’, ‘VACACURY’, ‘VADATO’, ‘VADATM’, ‘VABACA’, ‘VAQTY’, ‘VAAMT’, ‘VARTIT’, ‘VANOMT’, ‘VARATE’, ‘VAGTI’, ‘VASEC’, ‘VATX’, ‘VAMTB’, ‘VACRB3’, ‘VATITS’, ‘WEI30’ EN ‘WEI40’.

3.25.

De Inspecteur heeft bijlage B.8 geschoond van de volgende gegevens:

- namen (van natuurlijke personen en rechtspersonen);

- ( rekening)nummers;

- rekeningtegoeden;

- maximum limieten en overschrijding daarvan; en

- overige cijfermatige informatie.

Na het schonen resteert alleen een koptekst met de kolomteksten: ‘AUG 96’, ‘CLIENT NAME’, ‘DOM2’, ‘C PH’, ‘CCY’, ‘ACCT BAL’, ‘LIMIT MORT’, ‘LIMIT EXCESS’, ‘AMOUNT DUE-LUR’, ‘SEC BY’, ‘SEC SHS’, ‘CLIENT NAME’, ‘DEPOSITS’, ‘COV BDS’, ‘MORTG’, ‘DTH SEC’, ‘UNSECURED PORTION’, ‘CREDITS NOT USED’ EN ‘CCY’.

3.26.

Bijlage B.10 bevat een organigram van een board of directors. De Inspecteur heeft bijlage B.10 geschoond van de volgende gegevens:

- namen van natuurlijke personen.

3.27.

Bijlage B.11 betreft een brief van 4 september 1996. De Inspecteur heeft bijlage B.11 geschoond van de volgende gegevens:

- adressering, bevattende een bedrijfsnaam, een naam van een natuurlijk persoon en een postadres;

- referentienummer en naam van een natuurlijk persoon.

3.28.

Bijlage B.12 betreft de brief van de Procureur–generaal aan de Gewestelijk Directeur Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Antwerpen van 3 januari 2002.

IV. Het Draaiboek Bank Zonder Naam.

3.29.

Onder 1.5.3 in het Draaiboek zijn geschoond:

- namen van belastingambtenaren, met uitzondering van de namen [F] , [G] en [H] , en de naam van desbetreffende onderdelen van de rijksbelastingdienst;

- het telefoonnummer van de landelijke contactambtenaar AWR;

- de naam van de officier van justitie.

3.30.

Onder 2.3.2 in het Draaiboek zijn geschoond:

- namen van belastingambtenaren, met uitzondering van de naam [G] , en de naam van desbetreffende onderdelen van de rijksbelastingdienst;

- contactgegevens, zoals postadres en (mobiele) telefoonnummers.

V. De e-mails uit het dossier van belanghebbende.

3.31.

Alle persoonsgegevens, waaronder begrepen contactgegevens (adressen, plaatsnamen, telefoon- en faxnummers en e-mailadressen) van belastingambtenaren, zijn geschoond.

VI. Twee e-mailberichten projectleider van 20 november 2006 en van 5 december 2006.

3.32.

In deze stukken zijn geschoond:

- namen van belastingambtenaren (merendeels in de
e-mailadressering), met uitzondering van de naam van [G] ;

- ( mobiele) telefoonnummers van de projectleider.

VII. Overige e-mails/stukken met betrekking tot de zaak van belanghebbende.

3.33.

In de e-mail hercheck van 9 juni 2008 is de naam van een bijlage en een telefoonnummer geschoond. De aanbiedingsbrief die is gebruikt in de Kort Geding procedure is ongeschoond overgelegd.

VIII. De bij de e-mails uit het dossier behorende pdf-bestanden.

3.34.

Hiervan heeft de Inspecteur gesteld dat deze zich (ongeschoond) in het procesdossier bevinden. De Inspecteur heeft dit standpunt toegelicht bij brief van 17 augustus 2015. Bij die brief is ook de tekst van de bedoelde pdf-bestanden overgelegd, met uitzondering van pdf [nummer] .

IX. Twee bestanden, waarnaar in de e-mail van 5 december 2006 wordt verwezen (een ‘applicatie’ en een niet overgelegde bijlage, genaamd ‘checklist project Bank Zonder Naam.doc’).

3.35.

Deze bestanden zijn niet overgelegd door de Inspecteur. De Inspecteur geeft aan niet meer over ‘checklist project Bank Zonder Naam.doc’ te beschikken.

IV. De door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding.

3.36.

De Inspecteur verwijst in de eerste plaats naar Hof
’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944. De Inspecteur heeft voor het geheimhouden van diverse gegevens als reden aangevoerd:

- het zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (bescherming persoonsgegevens) van derden (natuurlijke personen) alsmede het zwaarwegende belang van bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen. De Inspecteur verwijst daarbij naar de voornoemde uitspraak van de geheimhoudingskamer van 26 juni 2014 (r.o. 3.61 en 3.67).

- controle-strategische overwegingen. De Inspecteur verwijst daarbij naar genoemde uitspraak van de geheimhoudingskamer van 26 juni 2014 (onderdeel D).

Daarnaast heeft de Inspecteur gesteld dat belanghebbende geen direct belang heeft bij openbaarmaking van de geschoonde gegevens.

Bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen.

3.37.

De Inspecteur heeft zich voor het geheimhouden van, hierboven vermelde,:

- namen van Belgische ambtenaren;

- namen van ambtenaren van de rijksbelastingdienst;

- namen van officieren van justitie;

- namen van rekeninghouders;

- namen van andere natuurlijke personen/derden;

- hun overige persoonsgegevens, zoals telefoon- en faxnummers, e-mailadressen, plaatsnaam, adres, BSN-nummers;

beroepen op de bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De Inspecteur is van mening, dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft, namelijk het zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken.

3.38.

De Inspecteur acht de bescherming van persoonsgegevens een gerechtvaardigd belang voor het geheimhouden van (delen van) de stukken I tot en met VII.

3.39.

Belanghebbende is van mening, dat hij kennis moet kunnen nemen van de ongeschoonde stukken, nu deze stukken tot de stukken van het geding behoren en de Inspecteur openheid van zaken dient te geven.

3.40.

De geheimhoudingskamer is met betrekking tot de onder 3.8 bedoelde belangenafweging, na kennisneming van het gehele dossier, van oordeel dat de in dit kader door de Inspecteur geschoonde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet hierop, mede gelet op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en mede gelet op de uit de Wet bescherming persoonsgegevens en uit de Richtlijn van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, 95/46/EG, PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31 voortvloeiende verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht haar (processuele) standpunt te bepalen.

3.41.

Hieruit volgt dat de Inspecteur in de stukken I tot en met VII de genoemde persoonsgegevens van natuurlijke personen op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen, zoals hij heeft gedaan.

Bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen.

3.42.

De Inspecteur heeft zich voor het geheimhouden van, hierboven vermelde:

- namen van rechtspersonen en bedrijfsnamen;

- namen en/of kantoornummers van onderdelen van de rijksbelastingdienst;

- plaatsnamen;

- ( overige) bedrijfsgegevens, waaronder contactgegevens,

beroepen op de bescherming van persoonsgegevens. Naar de geheimhoudingskamer begrijpt is de Inspecteur van mening, dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft, namelijk het zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken.

3.43.

De geheimhoudingskamer stelt voorop, dat aan de bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen weliswaar een minder vergaande bescherming toekomt dan aan de bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, maar de bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen, waaronder bedrijfsgegevens, zoals bedrijfsnamen en contactgegevens e.d., is ook zeer zwaarwegend. De geheimhoudingskamer is met betrekking tot de onder 3.8 bedoelde belangenafweging, na kennisneming van het gehele dossier en mede gelet op het deels door belanghebbende onderschreven belang van bescherming van persoonsgegevens, waaronder begrepen contactgegevens (zoals adres, plaatsnaam, telefoon- en faxnummers, e-mailadressen), van oordeel dat de door de Inspecteur geschoonde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet hierop is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht haar (processuele) standpunt te bepalen.

3.44.

Hieruit volgt, dat de Inspecteur in de stukken I tot en met VII de genoemde persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen van, zoals hij heeft gedaan.

Controle-strategische overwegingen.

II. De bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994) en bijlage B.9 (de adressenlijsten).

3.45.

Met betrekking tot deze stukken heeft de Inspecteur als reden voor geheimhouding aangevoerd: controle-strategische overwegingen. De geheimhoudingskamer verstaat deze reden zo, dat de Inspecteur stelt dat potentiële belastingplichtigen die (nog) niet als rekeninghouder zijn geïdentificeerd de geschoonde gegevens zouden kunnen gebruiken om te controleren of zij al dan niet op de lijsten voorkomen en hiermee zouden kunnen afwegen of zij al dan niet moeten inkeren.

3.46.

Belanghebbende heeft, onder meer in zijn verweer van 14 december 2010, aangevoerd, dat hij aan de hand van de rekeningstandenlijsten wil nagaan of de Inspecteur een redelijke schatting van het saldo van belanghebbende heeft gemaakt. Volgens belanghebbende is de Inspecteur bij het tot stand komen van deze schatting manipulerend te werk gegaan. Belanghebbende heeft geen bezwaar tegen het schonen van de namen van de (andere) rekeninghouders op deze lijsten.

3.47.

De geheimhoudingskamer deelt de opvatting van de Inspecteur dat het aan belanghebbende bekend maken van genoemde geschoonde gegevens ertoe zou kunnen leiden dat derden die gegevens zouden kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren. Het belang van de Inspecteur bij een effectieve controle en een effectieve controle-strategie is in dit geval dan ook zwaarwegend en aanzienlijk. Nu belanghebbende zelf heeft berust in het schonen van de namen van de andere rekeninghouders op de lijsten en niet heeft gesteld belang te hebben bij het openbaren van deze namen, volgt uit het voorgaande dat de Inspecteur de lijsten terecht heeft geschoond, zoals hij heeft gedaan.

III. De bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10 en B.11.

3.48.

Met betrekking tot deze stukken heeft de Inspecteur als reden voor geheimhouding aangevoerd: controle-strategische overwegingen. De Inspecteur heeft aangevoerd, dat potentiële belastingplichtigen die (nog) niet als rekeninghouder zijn geïdentificeerd de geschoonde gegevens zouden kunnen gebruiken om te controleren of zij al dan niet op de lijsten voorkomen en hiermee zouden kunnen afwegen of zij al dan niet moeten inkeren.

3.49.

Belanghebbende heeft verzocht om overlegging van de ongeschoonde stukken.

3.50.

De geheimhoudingskamer deelt de opvatting van de Inspecteur dat het aan belanghebbende bekend maken van de in de bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7 en B.8 geschoonde gegevens ertoe zou kunnen leiden dat derden die gegevens zouden kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren.

3.51.

Met betrekking tot de in bijlage B.7 opgenomen codes, kenmerken en cijfers is voor een buitenstaander, waaronder de geheimhoudingskamer, ongewis of derden die gegevens zouden kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren, zodat de geheimhoudingskamer het gerechtvaardigd acht dat dat risico wordt uitgesloten.

3.52.

Met betrekking tot de gegevens in bijlage B.11 is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat het referentienummer ertoe zouden kunnen leiden dat (een) derde(n) dat gegeven zou(den) kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren. Voor de overige gegevens bestaat dit risico niet, maar deze kunnen echter op grond van de bescherming van persoonsgegevens (van natuurlijke en niet-natuurlijke personen) worden geheimgehouden.

3.53.

Gelet op het hiervoor overwogene is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat het belang van de Inspecteur bij een effectieve controle en een effectieve controle-strategie in dit geval zwaarwegend en aanzienlijk is. Dit belang speelt niet ten aanzien van de persoonsgegevens in bijlage B.10, maar deze kunnen echter in het kader van de bescherming van de persoonsgegevens, op grond van gewichtige redenen, geheim worden gehouden. In het kader van de onder 3.8 bedoelde belangenafweging, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij geheimhouding van de in de bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7 en B.8 geschoonde gegevens en dat het belang van de Inspecteur bij geheimhouding van het in bijlage B.11 geschoonde referentienummer, aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Weliswaar resteert na het schonen van de bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7 en B.8 alleen (een) koptekst(en), maar de geheimhoudingskamer is van oordeel dat het aanzienlijk zwaarwegende belang van de Inspecteur dat rechtvaardigt.

V. Overige stukken.

Andere zaak

3.54.

Belanghebbende heeft in zijn verweer van 14 december 2010 gesteld, dat omdat de Inspecteur verwijst naar een uitspraak van Rechtbank Breda van 8 september 2010, AWB 09/943, de stukken van die zaak op de onderhavige zaak van belanghebbende betrekking hebben en moeten worden overgelegd.

3.55.

De geheimhoudingskamer wijst dit af, omdat de bedoelde stukken geen rol hebben gespeeld ten tijde van de besluitvorming van de Inspecteur.

Onderbouwing percentage 23,5%

3.56.

Voorts heeft belanghebbende in zijn verweer van 14 december 2010, in reactie op onder meer de beslissing van de Rechtbank ten aanzien van het ontbreken van bewijs voor het percentage van 23,5% en de door de Inspecteur in hoger beroep aangepaste berekeningen, en tijdens de zitting op 21 april 2016 gesteld, dat de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het door de Inspecteur voorgestane percentage van 23,5% behoren tot de op zaak betrekking hebbende stukken.

3.57.

De geheimhoudingskamer constateert, dat de door de Inspecteur gegeven berekeningen van zijn schatting zijn gebaseerd op onder meer voornoemde bijlagen B.6, B.1 en B.2.. In zoverre zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Met betrekking tot de cijfers van de ‘bekenners’ of ‘meewerkers’, waarop het percentage van 23,5% (kennelijk) is gebaseerd, heeft de Inspecteur geen stukken overgelegd. Gelet op de omstandigheid dat het bij het project ‘Bank Zonder Naam’ gaat om een landelijk project, acht de geheimhoudingskamer aannemelijk dat de Inspecteur over de onderbouwing van voornoemde 23,5% heeft beschikt ten tijde van het opleggen van de belastingaanslagen dan wel dat het landelijk projectteam daarover beschikte. In dit laatste geval is de geheimhoudingskamer van oordeel dat uit het landelijk gecoördineerde karakter van het project Bank Zonder Naam voortvloeit dat de stukken waarop het landelijk gecoördineerde en voorgeschreven percentage van 23,5% gebaseerd is in onderhavige zaak (ook) behoren tot de op de zaak van belanghebbende betrekking hebbende stukken. Dit brengt de geheimhoudingskamer tot de conclusie dat de Inspecteur in zoverre niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat de Inspecteur evenmin gewichtige redenen tot geheimhouding ervan heeft aangevoerd.

PDF-bijlagen bij e-mails

3.58.

Belanghebbende heeft bij brief van 8 maart 2012 aan de Inspecteur verzocht om de bij de e-mails uit het dossier behorende pdf-bestanden over te leggen. De Inspecteur heeft in reactie daarop gesteld dat deze bestanden zich reeds in het dossier bevinden en heeft zijn standpunt bij brief van
17 augustus 2015 nader toegelicht. Daarbij heeft de Inspecteur aangegeven het document [nummer] .pdf niet meer te kunnen overleggen, omdat hij daarover niet meer beschikt. De geheimhoudingskamer stelt vast dat de overige bestanden zich (inmiddels) in ongeschoonde vorm in het dossier bevinden. Ten aanzien van deze laatst genoemde stukken is een beroep op artikel 8:29 van de Awb niet aan de orde.

Checklist en applicatie ‘BZN’

3.59.

Belanghebbende heeft in zijn brief van 8 maart 2012 gesteld dat de Inspecteur nog niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd aan de geheimhoudingskamer.

Hij heeft de Inspecteur verzocht nog twee bestanden, waarnaar in de e-mail van 5 december 2006 wordt verwezen (een ‘applicatie’ en een niet overgelegde bijlage, genaamd ‘checklist project Bank Zonder Naam.doc’), over te leggen.

3.60.

Ten aanzien van de ‘checklist project Bank Zonder Naam’ heeft de Inspecteur gesteld dat deze checklist niet meer door hem te achterhalen is. De geheimhoudingskamer is met belanghebbende van oordeel, dat stukken die ten tijde van de besluitvorming de Inspecteur ter beschikking stonden en daarbij een rol hebben gespeeld, behoren tot de op zaak betrekking hebbende stukken (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.2.). De omstandigheid, dat de checklist niet meer door hem te achterhalen is dient voor zijn rekening en risico te blijven.

3.61.

De Inspecteur heeft met betrekking tot de applicatie ‘BZN’ uiteengezet dat de applicatie geen stuk is als bedoeld in artikel 8:42 Awb, maar een onder Access draaiende applicatie die kantoorbehandelaars ondersteunt bij de behandeling van renseignementen en die voorts bestuurlijke informatie genereert. De Inspecteur stelt tevens dat de applicatie geen andere of nieuwe informatie bevat dan die al deel uitmaakt van het procesdossier.

3.62.

De geheimhoudingskamer heeft op 21 april 2016 met partijen de werking van de applicatie aanschouwd. Deze applicatie werkt alleen op basis van een beveiligde verbinding met de systemen van de rijksbelastingdienst. Op 21 april 2016 heeft de Inspecteur via een internetverbinding en met de gegevens van belanghebbende de werking van de applicatie in het Paleis van Justitie getoond en heeft belanghebbende mee kunnen kijken en vragen kunnen stellen.

3.63.

Het is de geheimhoudingskamer duidelijk geworden dat de applicatie gegevens bevat van de dossiers van diegenen die in het kader van het project BZN zijn benaderd. In de applicatie is aan de hand van naam of BSN-nummer o.i.d. terug te vinden of en wanneer belastingplichtigen zijn benaderd met een vragenbrief, of, wanneer en tot welke bedragen belastingaanslagen zijn opgelegd, de stand van zaken met betrekking tot bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie enzovoorts. Voorts zijn in de applicatie de vermeende aan een belastingplichtige toe te rekenen tegoeden vastgelegd, ontleend aan de rekeningstandenlijsten B.1, B.2 en B.6.. Aan de applicatie is een excel-rekenbestand toegevoegd. Dit bestand rekent met het vaste gegeven dat de groei van het vermogen (voor bepaalde jaren) 23,5% is, maar dit bestand geeft geen inzicht hoe dit percentage tot stand is gekomen. De applicatie bevat historische gegevens, in die zin dat oude gegevens niet worden overschreven door nieuwe gegevens (na bijvoorbeeld (hoger) beroep). Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer bevat de applicatie op digitale wijze hetgeen normaliter in een papieren dossier wordt vastgelegd. Het voordeel van de applicatie is evident dat op één plek (bestuurlijke) informatie kan worden gevonden ten aanzien van alle van het project BZN deel uitmakende belastingplichtigen.

3.64.

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is de applicatie een op de zaak van belanghebbende betrekking hebbend stuk, in zoverre gegevens zijn opgenomen van belanghebbende. Nu de Inspecteur geen gewichtige redenen voor geheimhouding heeft aangevoerd dient de Inspecteur de applicatie tot het procesdossier te laten behoren. De applicatie als zodanig (op een USB-stick of DVD) kan, zonder beveiligde verbinding met de systemen van de rijksbelastingdienst, niet werken. Met de zitting op 21 april 2016 heeft belanghebbende tezamen met de geheimhoudingskamer en de Inspecteur voldoende inzicht kunnen krijgen in de werking en van de inhoud van de applicatie. De Inspecteur heeft hierbij volle openheid gegeven en is zeer transparant geweest. Mitsdien heeft de Inspecteur voldaan aan de op de hem uit hoofde van art. 8:42 van de Awb rustende verplichting.

Overige e-mails

3.65.

Belanghebbende heeft voorts nog in algemene zin gesteld dat e-mails uit het dossier van belanghebbende ontbreken en dat hij dienaangaande in bewijsnood verkeert om te stellen wat hij nog precies mist.

3.66.

De Inspecteur voert aan, dat hij enkele mails heeft overgelegd en dat hij niet meer kan achterhalen of er meer mails zijn geweest.

3.67.

De geheimhoudingskamer is enerzijds van oordeel dat, anders dan de Inspecteur verdedigt, het digitale karakter van e-mails er niet aan in de weg staat deze te beschouwen als tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in art. 8:42 van de Awb. Anderzijds is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat er in onderhavige zaak onvoldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen concluderen dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.

VI. Slotsom

3.68.

Uit al het hiervoor overwogene volgt, dat de Inspecteur de stukken als genoemd in 1.19 onder I tot en met VII mocht schonen op de manier zoals hij heeft gedaan.

3.69.

Uit al het hiervoor overwogene volgt, dat de applicatie ‘BZN’ een op zaak betrekking hebbend stuk is, waarvan de Inspecteur heeft voldaan aan de op de hem uit hoofde van art. 8:42 van de Awb rustende verplichting tot overlegging door de werking te tonen op 21 april 2016.

3.70.

Uit al het hiervoor overwogene volgt, dat de vorenbedoelde checklist en de stukken met betrekking tot de onderbouwing van het (groei)percentage van 23,5% ten onrechte niet zijn overgelegd.

3.71.

Nu het vorenoverwogene voor de Inspecteur de vaststelling bevat dat hij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, wordt de Inspecteur in de gelegenheid gesteld schriftelijk mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. De geheimhoudingskamer wijst hierbij op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, dat, voor zover te dezen van belang, als volgt luidt:

‘Indien een partij niet voldoet aan de verplichting (…) stukken over te leggen (…) kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.’.

3.72.

Het voorgaande leidt tot de hierna volgende beslissing.

4 Beslissing

De geheimhoudingskamer:

- stelt vast dat de applicatie ‘BZN’ een op de zaak van belanghebbende betrekking hebbend stuk is in zoverre daarin gegevens van belanghebbende zijn opgenomen, waarvoor geen gewichtige redenen tot geheimhouding bestaan en waarvoor de Inspecteur heeft voldaan aan de op de hem uit hoofde van art. 8:42 van de Awb rustende verplichting tot overlegging ervan door de werking van de applicatie te tonen ter zitting;

- stelt vast dat de vorenbedoelde checklist en de stukken met betrekking tot de onderbouwing van het (groei)percentage van 23,5% op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en dat de Inspecteur in zoverre niet heeft voldaan aan de op de hem uit hoofde van art. 8:42 van de Awb rustende verplichting tot overlegging van alle op de zaak van belanghebbende betrekking hebbende stukken;

- verstaat dat de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor (gedeeltelijke) geheimhouding van de aan geheimhoudingskamer overgelegde onder 1.19 onder I tot en met VII genoemde stukken gerechtvaardigd zijn;

- bepaalt dat gedeeltelijke geheimhouding van de onder 1.19 onder I tot en met VII genoemde stukken in de door de Inspecteur voorgestane zin gerechtvaardigd is;

- verzoekt de Inspecteur uiterlijk binnen vier weken na verzending van deze uitspraak schriftelijk aan de geheimhoudingskamer mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer, dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd omdat de stukken met betrekking tot de onderbouwing van het (groei)percentage van 23,5% door hem niet zijn overgelegd, verbindt;

- verwijst de zaken naar de meervoudige Kamer die de hoofdzaken behandelt nadat de Inspecteur de geheimhoudingskamer in vorenbedoelde zin heeft geïnformeerd en stelt de procesdossiers, met uitzondering van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde stukken, daarna ter beschikking aan die Kamer.

Aldus gedaan op 20 mei 2016 door P. Fortuin, voorzitter, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Rechtsmiddel

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de Rechtbank of het Gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van
14 september 2007, nr. 43 294, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).