Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1997

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
14/00718
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:3853, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak op bezwaar te laat gedaan. Inspecteur niet onredelijk laat in gebreke gesteld.

Dwangsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1855
V-N 2016/51.15.5
FutD 2016-2081
NTFR 2016/2250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00718

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 28 mei 2014, nummer AWB 13/4441, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.565 (hierna: de aanslag). Bij brief met dagtekening 8 september 2011, door de Inspecteur eveneens ontvangen op 8 september 2011, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij brief met dagtekening 8 november 2011 heeft belanghebbende het bezwaar van gronden voorzien.

1.2.

Belanghebbende is op 10 juni 2013 in beroep gekomen bij de Rechtbank wegens het uitblijven van een uitspraak op voormeld bezwaar. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

1.3.

Bij uitspraak van 12 november 2013 heeft de Rechtbank het beroep ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kennelijk gegrond verklaard. De Inspecteur heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. De Rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 28 mei 2014 (hierna: de uitspraak van de Rechtbank) het verzet van de Inspecteur gegrond en, met toepassing van artikel 8:55, lid 10, van de Awb, het beroep van belanghebbende zonder nader onderzoek niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 26 november 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] , mevrouw [C] en de heer [D] .

1.6.

Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Met dagtekening 5 augustus 2011 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de aanslag IB/PVV opgelegd. Bij brief met dagtekening 8 september 2011 heeft belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt.

2.2.

Bij brief met dagtekening 20 september 2011 heeft de Inspecteur de ontvangst van het bezwaarschrift aan belanghebbende bevestigd. In deze brief heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat en belanghebbende in de gelegenheid gesteld de gronden van het bezwaar in te dienen vóór 9 november 2011.

2.3.

Bij brief met dagtekening 4 oktober 2011 heeft belanghebbende op de brief met dagtekening 20 september 2011 van de Inspecteur gereageerd. In deze brief schrijft zij het volgende:

“(…) Ik ontving uw brief d.d. 27 september 2011. Ik heb geen flauw idee waar deze brief op ziet / overgaat.

Ik ga dan ook uit van een misverstand en verzoek u mij dit te bevestigen.

In afwachting van uw berichten, verblijf ik, onder voorbehoud van alle rechten en weren (…)”

2.4.

Bij brief met dagtekening 8 november 2011, welke brief op dezelfde datum is afgegeven ten kantore van de Belastingdienst te [plaats] , heeft belanghebbende als volgt bericht:

“(…)

Hierbij doe ik u toekomen de aanvullende gronden van bezwaar. Het verzamelinkomen is naar mijn mening niet juist vastgesteld door u. Daarbij wordt er ook niet duidelijk gemaakt hoe u het verzamelinkomen heeft vastgesteld en waarom. Het besluit is derhalve volstrekt onvoldoende gemotiveerd.

(…)”

2.5.

Bij brief met dagtekening 8 november 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende als volgt bericht:

“(…) Naar aanleiding van uw reactie van 4 oktober j.l. op mijn eerdere brief inzake uw

bezwaarschrift van 8 september 2011. Doe ik u hierbij als bijlage: 1, de aanleiding

van ons briefverkeer toekomen. Het betreft wel degelijk een pro-forma bezwaarschrift

aangaande aanslagnr: (…).

Ik begrijp echter uit uw reactie van 4 oktober jl. dat u géén intentie hebt gehad om bezwaar te maken.

Ik zal daarom het betreffende bezwaar intrekken in onze systemen.

(…)”

2.6.

Bij brief van 25 juni 2012, op 26 juni 2012 afgegeven ten kantore van de Belastingdienst te [plaats] , heeft belanghebbende gevraagd of de Inspecteur haar kan berichten over onderhavige kwestie. Belanghebbende geeft te kennen dat zij geen uitnodiging voor een hoorzitting of een beslissing op bezwaar heeft gekregen. Belanghebbende wenst tevens een betalingsregeling af te spreken.

2.7.

Vervolgens heeft belanghebbende een - zogenoemd - formulier “Dwangsom bij niet tijdig

beslissen” (hierna: het dwangsomformulier) afgegeven ten kantore van de Belastingdienst te [plaats] . Het formulier is gedagtekend 25 januari 2012 en heeft een stempel van de Belastingdienst met als datum van binnenkomst 25 januari 2013. Op het formulier is de

datum van het bezwaar (8 september 2011) ingevuld, alsmede het burgerservicenummer van belanghebbende.

2.8.

Bij brief van 30 januari 2013 is een niet-ondertekende brief van de Inspecteur aan

belanghebbende toegestuurd. Deze brief is inhoudelijk gelijk aan de brief van 20

september 2011 van de Inspecteur (zie onderdeel 2.2 hiervóór) aan belanghebbende en bevat de mededeling dat belanghebbende vóór 9 november 2011 haar gronden van bezwaar moet aanvullen.

2.9.

In een ongedateerde brief van de gemachtigde van belanghebbende, welke op 20 februari 2013 is afgegeven ten kantore van de Belastingdienst te [plaats] , is het volgende opgenomen:

“Een bezwaar dat blij cliënte leeft is dat er geen motivatie aan het besluit in primo is gegeven. Cliënte begrijpt ook niet waarom zij alsnog de aangifte zou dienen in te dienen. Zij heeft toch aangifte gedaan? Ik verzoek u dan ook het besluit te vernietigen met vergoeding van de kosten gemaakt met het indienen van bezwaar. (…)”

2.10.

Bij schrijven met dagtekening 4 juni 2013 is belanghebbende bij de Rechtbank in beroep gekomen wegens het uitblijven van een uitspraak op het tegen de onderhavige aanslag ingediende bezwaar. Bij haar bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Is het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en verzoekt vast te stellen dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen overigens ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 van de Awb en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het Hof stelt voorop dat belanghebbende tijdig en regelmatig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag en dat zij dat bezwaar binnen de haar door de Inspecteur daarvoor gegeven termijn van gronden heeft voorzien. Dat bezwaar is niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Anders dan de Inspecteur betoogt, heeft belanghebbende een ontvankelijk, niet-ingetrokken, bezwaar ingediend tegen de aanslag.

4.2.

Op het bezwaar is, voor zover het Hof op basis van de gedingstukken kan vaststellen, niet beslist. De Inspecteur heeft noch op de brief van 8 november 2011 (onderdeel 2.4 hiervóór), houdende de gronden van het bezwaar, noch op de brief van 25 juni 2012 (onderdeel 2.6 hiervóór) gereageerd. Wat dan rest is het antwoord op de vraag of belanghebbende tijdig in beroep is gekomen. Het beroep is onredelijk laat ingesteld indien is gebleken van feiten en omstandigheden in verband waarmee moet worden geoordeeld dat het betrokkene redelijkerwijs eerder duidelijk had moeten zijn dat de Inspecteur geen beslissing zou nemen (vgl. ABRvS 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3075).

4.3.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof te kennen gegeven dat de zojuist bedoelde brief van belanghebbende van 8 november 2011 en de brief van de Inspecteur met dagtekening 8 november 2011 (onderdeel 2.5 hiervóór) elkaar hebben gekruist, dat belanghebbende derhalve geen kennis had van de brief van de Inspecteur met dagtekening 8 november 2011, toen zij haar gronden aanvulde, en dat belanghebbende, gelet op de kruising van de bedoelde correspondentie ervan mocht uitgaan dat er nog uitspraak op bezwaar zou worden gedaan. De gemachtigde van belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat de beslistermijn vóór 1 januari 2008 voor het doen van uitspraak op bezwaar één jaar bedroeg en dat deze termijn weliswaar met ingang van 1 januari 2008 is verkort, maar dat het zijn ervaring is dat uitspraken van de Inspecteur ook na die wijziging lang op zich lieten wachten.

4.4.

Het Hof acht de in de voorafgaande overweging weergegeven stellingen van belanghebbende aannemelijk en is van oordeel dat belanghebbende, ook na haar brief van 8 november 2011, in redelijkheid in de veronderstelling kon verkeren dat de Inspecteur nog uitspraak op bezwaar zou doen en dat zij die veronderstelling ook nog mocht koesteren na haar voornoemde brief van 25 juni 2012, waarop de Inspecteur in het geheel niet heeft gereageerd. Belanghebbende heeft vervolgens op 25 januari 2013 (zie de hiernavolgende overweging) een ingebrekestelling uitgebracht, waarop door de Inspecteur is gereageerd op de onder 2.8 geschetste wijze. Gezien dit een en ander en de dagtekening van het beroepschrift kan niet worden geoordeeld dat het beroep onredelijk laat is ingediend.

4.5.

Voor zover de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat er na de ingebrekestelling een te lange termijn is verstreken alvorens belanghebbende beroep instelde, verwerpt het Hof dat standpunt derhalve. Het Hof acht aannemelijk dat de ingebrekestelling, gelet op de daarop vermelde datumstempel, eerst op 25 januari 2013 is uitgebracht. Mede gezien de omstandigheid dat nadien nog tussen partijen is gecorrespondeerd (zie onderdelen 2.8 en 2.9 hiervóór) kan niet worden gezegd dat belanghebbende een onredelijk lange termijn heeft laten verlopen na de datum waarop de ingebrekestelling werd uitgebracht (vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3607, BNB 2015/62).

4.6.

Gezien het vorenoverwogene heeft de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof zal zonder terugwijzing naar de Rechtbank beslissen op belanghebbendes verzoek tot toekenning van een dwangsom, omdat de zaak, bij gebreke van een resterend geschil over de hoogte van de aanslag en de afwezigheid van een wens van een der partijen tot terugwijzing, geen nadere behandeling door de Rechtbank behoeft.

4.7.

Gezien de datum van ingebrekestelling, zijnde 25 januari 2013 (zie overweging 4.5 hiervóór), en de sindsdien verstreken termijn is de Inspecteur in het onderhavige geval de maximale wettelijke dwangsom verschuldigd van € 1.260.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van een dwangsom ten bedrage van € 1.260. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof te kennen gegeven niet langer prijs te stellen op een uitspraak op bezwaar, zodat het Hof de Inspecteur niet zal opdragen alsnog uitspraak op bezwaar te doen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 respectievelijk

€ 122 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Aangezien het door belanghebbende hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van het beroep door de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 punt (indienen beroepschrift) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 496.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep door het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten (indienen hoger beroepschrift en verschijnen ter zitting) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    stelt vast dat de Inspecteur een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.260,

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 166 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.488.

Aldus gedaan op 20 mei 2016 door P.C. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en D.A. Hofland, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.