Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1981

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
200 178 680_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aan de nakoming van de contactregeling verbonden dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 19 mei 2016

Zaaknummer: 200.178.680/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/180959 / FA RK 13-1050

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.L.J. van Vloten,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.J.M. van Vugt.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de (tussen)beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met daarbij gevoegd het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de bepaling dat de moeder voor iedere keer dat zij weigert mee te werken aan de regeling, zoals deze door de Mutsaersstichting wordt ingevuld, aan de vader een dwangsom verbeurt van € 250,- met een maximum van € 10.000,-.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 november 2015, heeft de vader verzocht het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van Vloten;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Vugt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 1 april 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 8 april 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 27 februari 2006 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij beschikking van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 7 januari 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de vader in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig eenmaal per week op zaterdag gedurende een dagdeel (4 uren) contact heeft met [minderjarige] , welke contacten onder begeleiding van het aXiehuis zullen plaatsvinden en buiten aanwezigheid van de dochters van de vader. De rechtbank heeft voorts de raad verzocht onderzoek te verrichten en te adviseren ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft en bepaald dat de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden onder begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR-regeling) welke regeling inhoudt dat er in eerste instantie begeleid contact zal plaatsvinden bij de Mutsaersstichting en daarna zo snel mogelijk bij de vader thuis, waarna wordt toegewerkt naar onbegeleid contact. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de moeder voor iedere keer dat zij weigert mee te werken aan de regeling zoals deze door de Mutsaersstichting wordt ingevuld, aan de vader een dwangsom verbeurt van € 250,- met een maximum van € 10.000,-.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing voor zover het de dwangsombepaling betreft niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte aan het nakomen van de onder supervisie van de Mutsaersstichting op te starten begeleide omgangsregeling een dwangsom verbonden. De beslissing dienaangaande is onvoldoende gemotiveerd, noch met voldoende feiten onderbouwd. In het verleden heeft de moeder steeds haar medewerking verleend aan de omgang. Dat er sinds meer dan een jaar geen onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] heeft plaatsgevonden, kan niet enkel op het conto van de moeder worden bijgeschreven. Het beeld dat door de dwangsombepaling van de moeder wordt gegeven doet haar onrecht aan. Zij is bereid verdere omgang en begeleiding toe te staan.

De extra druk die als gevolg van de dreigende dwangsom op de moeder komt te liggen is niet in het belang van [minderjarige] . De moeder vreest dat zij zich voortdurend moet verantwoorden. Het feit op grond waarvan de moeder een dwangsom zou moeten verbeuren is onvoldoende bepaald, aangezien er ten tijde van de beschikking van de rechtbank in het geheel geen sprake was van een door de Mutsaersstichting voorgestelde regeling. De hoogte van de opgelegde dwangsom, ten slotte, is buitenproportioneel, nu de moeder een bijstandsuitkering heeft.

3.6.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft op goede gronden het verzoek van de vader tot het opnemen van een dwangsomveroordeling toegewezen. Anders dan zij stelt, heeft de moeder niet altijd haar medewerking verleend aan de omgangsregeling. De ervaring heeft geleerd dat de moeder de opgelegde zorgregeling dan wel afspraken daaromtrent gewoon naast zich neerlegt en daarbij volledig haar eigen plan trekt. Zij blijft allerlei ongefundeerde stellingen opwerpen om de omgang te frustreren. De kans dat de moeder niet vrijwillig haar medewerking verleent aan een goed werkende omgangsregeling, is dan ook groot.

Het is passend om de hoogte van de dwangsom op € 250,- te bepalen, nu de dwangsomveroordeling met name is bedoeld als pressiemiddel. Indien de hoogte van de dwangsom zodanig wordt bepaald dat de moeder deze gemakkelijk kan betalen, treft een dergelijke veroordeling geen doel.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. Op grond van artikel 1: 253a lid 5 BW kan de rechter desverzocht en ook ambtshalve een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, een dwangmiddel in de vorm van een dwangsom aan de nakoming van de vastgestelde contactregeling heeft verbonden. Het hof realiseert zich daarbij dat de dwangsombepaling onderdeel is van de regie-fase waarin de zaak zich thans bij de rechtbank bevindt; deze fase doorkruisen acht het hof niet wenselijk. Bovendien werpt het bij voornoemd V6-formulier d.d. 8 april 2016 gevoegd eindverslag begeleide omgangsregeling van KEC de Donderberg, maart 2016, niet een ander licht op de zaak voor wat betreft de houding van de moeder ten opzichte van de vader en de risico’s tot afbreuk van de omgang van de minderjarige en de vader ten gevolge van die houding.

3.8.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 juli 2015 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.