Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:196

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2016
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
200.093.176_03
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2011:BR3904
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2992
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

benoeming deskundigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.093.176/03

arrest van 26 januari 2016

in de zaak van

1 [de vennootschap 1] A.G.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Zwitserland,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] , België,

3. [appellant 3] ,

wonende te [woonplaats] , België,

4. [appellante 4] ,
wonende te [woonplaats] , België,

5. [appellante 4] ,

wonende te [woonplaats] , België,

hierna ook gezamenlijk aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. J. Blussé van Oud Alblas,

procesadvocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

appellanten,

tegen

1 [de vennootschap 2] ., voorheen [de vennootschap 3] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. O. Böhmer,

procesadvocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch

2. [de vennootschap 4] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [de vennootschap 5] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Nederland,

advocaat: mr. H. Boonk te Rotterdam,

procesadvocaat: mr. H. Boonk,

geïntimeerden,

hierna ook gezamenlijk aan te duiden als [de vennootschap 2 c.s.] ,

en ieder afzonderlijk als [de vennootschap 2] , [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] ,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 augustus 2015 in het hoger beroep van de door de rechtbank Middelburg onder zaaknummer 75949/HA ZA 2010-551 gewezen vonnissen van 23 februari 2011 en 25 mei 2011.

Het hof zal de nummering van het eerdere arrest voortzetten.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 4 augustus 2015;

  • -

    de akte na tussenarrest van [appellanten c.s.] ;

  • -

    de antwoordakte na tussenarrest van [de vennootschap 2] (met producties);

  • -

    de antwoordakte na tussenarrest van [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij brief van 29 september 2015 heeft [appellanten c.s.] bezwaar gemaakt tegen het feit dat [de vennootschap 2] en [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] in hun antwoordakten mede zijn ingegaan op de akte die [appellanten c.s.] na het tussenarrest heeft genomen. Volgens [appellanten c.s.] is sprake van een verkapte conclusie en heeft [appellanten c.s.] niet de gelegenheid gehad te reageren op de akten van [de vennootschap 2] en [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] , terwijl laatstgenoemden wel hebben kunnen reageren op de akte van [appellanten c.s.]
Dat geïntimeerden, die in de procedure steeds als tweede aan de beurt zijn, wel kunnen reageren op het standpunt van appellant terwijl dat omgekeerd niet kan is inherent aan het systeem van procederen waarbij geïntimeerde als laatste aan het woord is; slechts in bijzondere gevallen kan het nodig zijn de eisende partij nog eens te laten reageren op het in de antwoordakte opgenomen standpunt(en) van geïntimeerde(n).
In dit geval doet die noodzaak zich niet voor, nog daargelaten dat [appellanten c.s.] zich nog kan uitlaten in de memorie na enquête.

6.2.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof onder meer geoordeeld dat [appellanten c.s.] haar stelling dient te bewijzen dat de aan haar schip ontstane schade (de aantasting van de tankbodems) is veroorzaakt door – zoals [appellanten c.s.] heeft gesteld – de na het vervoer tussen [plaats 1] en [plaats 2] in die tanks geconstateerde zwarte substantie (door partijen ook wel smurrie of moed genoemd), en dat die zwarte substantie voor de aanvang van de belading in [plaats 1] niet in de tanks aanwezig was.
In dat arrest heeft het hof voorts overwogen dat het eerste deel van deze stelling naar het oordeel van het hof bewezen dient te worden door een deskundigenonderzoek; bij het tweede deel van het onderzoek kan, naast eventueel een deskundigenonderzoek, mogelijk nader bewijs bijgebracht worden door getuigen, zij het dat een dergelijk nader onderzoek pas zin heeft als het onderzoek naar de aantasting van de tankbodems iets heeft opgeleverd.

6.3.

In verband daarmee heeft het hof in dat tussenarrest de volgende – voorlopige – vragen geformuleerd waarop het het commentaar van partijen heeft gevraagd:
(1) beschikt u over voldoende gegevens om een gefundeerd oordeel te kunnen geven over de hierna te formuleren onderzoeksvragen met betrekking tot het partijen verdeeld houdende geschilpunt of de in de tanktops van de Stanleystad aanwezige schade is veroorzaakt door de belading van de Stanleystad op 13 en 14 maart 2009 met nafta en het vervoer door de Stanleystad van die nafta op 14 maart 2009 van [plaats 1] naar [plaats 2] ?
(2) Nadat de tanks van de Stanleystad in [plaats 2] waren gelost, is in meerdere tanks een zwarte substantie aangetroffen.
Is, zonder dat u over een monster van deze substantie beschikt, een beredeneerd oordeel te geven over de vragen
(a) waaruit deze substantie bestaat,
(b) of deze substantie bij de belading van de Stanleystad in [plaats 1] kan zijn meegekomen met de geladen nafta dan wel
(c) of deze substantie tijdens het vervoer in verband met deze belading door nafta kan zijn ontstaan, en
(d) of deze substantie het gevolg heeft gehad dat de zinken bodems van de tanks van de Stanleystad zijn aangetast op een wijze zoals beschreven en op foto's weergegeven in de in het geding gebrachte rapporten?
(3) In de diverse reeds op verzoek van een of meer partijen uitgebrachte rapporten door de alternatieve oorzaken aangegeven en alternatieve conclusies getrokken. Kunt u gemotiveerd aangeven waarom u het al dan niet eens bent met deze gestelde oorzaken en deze conclusies?

6.4.

Enkele opmerkingen van partijen leiden tot aanpassingen in het tussenarrest van 4 augustus 2015. Het gaat om het volgende:
ad rechtsoverweging 3.2 onder h): uit de (wat dit betreft door geïntimeerden niet bestreden) stellingen van [appellanten c.s.] volgt dat niet tank 8 aan bakboord was aangetast, maar tank 8 aan stuurboord (dagvaarding in eerste aanleg §4.2; memorie van grieven §4.4); het hof corrigeert rechtsoverweging 3.2 onder h derhalve wat dit betreft;
ad rechtsoverweging 3.13 en 3.15: het hof heeft in rechtsoverweging 3.13 van het tussenarrest vastgesteld dat tussen partijen niet in geding is dat de tanktops na het vervoer van de nafta van [plaats 1] naar [plaats 2] beschadigingen vertoonden (rechtsoverweging 3.13) en dat er door de deskundigen van kan worden uitgegaan dat er na de reis van [plaats 1] naar [plaats 2] daadwerkelijk schade aanwezig was de tanktops (rechtsoverweging 3.15).
Door [appellanten c.s.] is evenwel gesteld dat nadat onderin de ladingtanks onregelmatigheden waren aangetroffen de Stanleystad naar [plaats 3] is gevaren om de tanks te wassen, en dat na reiniging bleek dat de coating op de tanktops van een aantal tanks was aangetast (dagvaarding in eerste aanleg § 4.2; memorie van grieven §1.4). Ook dit is door geïntimeerden niet bestreden.
Derhalve corrigeert het hof de overwegingen in 3.13 en 3.15 aldus dat tussen partijen vaststaat dat na het vervoer van [plaats 1] naar [plaats 2] en de daarop gevolgde reiniging bij [plaats 3] is gebleken dat de tanktops van een aantal tanks beschadigingen vertoonden zodat de deskundigen ervan kunnen uitgaan dat er na de reis van [plaats 1] naar [plaats 2] en de daarop gevolgde reiniging bij [plaats 3] daadwerkelijk schade aanwezig was aan een aantal tanktops van de Stanleystad.

6.5.

Het hof constateert dat de in het tussenarrest voorgestelde vraag (2) in ieder geval dient te worden aangepast; het hof wenst niet alleen te vernemen of er een beredeneerd oordeel mogelijk is, maar het verzoekt de deskundigen bij bevestigend antwoord ook dat oordeel te geven.
Voorts hebben alle partijen voorstellen gedaan voor aanpassing van de door het hof geformuleerde vragen. Het hof zal die voorstellen hierna achtereenvolgens bespreken.

6.6.

Vraag 1: Volgens [appellanten c.s.] moet vraag 1 anders worden geformuleerd omdat van een deskundige niet anders dan een gefundeerd oordeel kan worden verwacht. [de vennootschap 2] stelt dat te benoemen deskundigen zeker moeten zijn in hun oordeel. [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] vinden dat de vraag gehandhaafd moet blijven.
Het hof acht het van belang dat er geen misverstand over mag zijn dat de deskundigen zich niet in speculaties begeven. Derhalve handhaaft het hof de vraag.

6.7.

Vraag 2a: [appellanten c.s.] merkt op dat deze vraag niet te hoeft te worden gesteld omdat in confesso is dat op grond van de thans beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld waaruit de substantie heeft bestaan. Volgens [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] en [de vennootschap 2] is de vraag wel relevant.
Het hof handhaaft de vraag omdat het niet de mogelijkheid wil uitsluiten dat de deskundigen hierover wel een opmerking kunnen maken.

6.8.

Vraag 2c: [appellanten c.s.] merkt op dat vraag 2c kan vervallen omdat zij niet heeft gesteld dat de substantie tijdens het vervoer kan zijn ontstaan. [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] onderschrijven dit.
Nu het hier gaat om een bewijsopdracht verstrekt aan [appellanten c.s.] zal het hof deze vraag schrappen.

6.9.

Vraag 3: [de vennootschap 2] betwijfelt de relevantie van vraag 3. Volgens [de vennootschap 4] , [de vennootschap 5] en [appellanten c.s.] kan de vraag (al dan niet aangepast) blijven staan.

Gelet op de met de overgelegde rapporten ondersteunde discussie tussen partijen acht het hof het van belang dat de deskundigen ingaan op hetgeen in de door de partijdeskundigen opgemaakte rapporten is opgenomen. Daardoor kan discussie achteraf over de alternatieve oorzaken genoemd door de partijdeskundigen worden beperkt of voorkomen.
De vraag wordt dus gehandhaafd.

6.10.

[de vennootschap 2] heeft alternatieve vragen voorgesteld. Het hof blijft bij zijn formulering, maar voegt daar gelet op deze alternatieve vragen een vraag aan toe met betrekking tot de mogelijkheid dat de schade is veroorzaakt door schoonmaakwerkzaamheden (zoals door [de vennootschap 2] gesuggereerd).
Ook de suggestie van [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] inzake een aanvullende vraag wordt door het hof overgenomen; de voorgestelde vraag is met enige aanpassingen geïntegreerd in vraag 2.

6.11.

Derhalve zullen aan de te benoemen deskundigen de volgende vragen worden voorgelegd:
Het schip Stanleystad is op 13 en 14 maart 2009 beladen met nafta, die daarop is vervoerd van [plaats 1] naar [plaats 2] .
Nadat de tanks van de Stanleystad in [plaats 2] waren gelost, is in meerdere tanks een zwarte substantie aangetroffen. Vervolgens heeft reiniging plaatsgehad van deze tanks bij ATM te [plaats 3] . Daarna zijn beschadigingen geconstateerd aan een aantal tanktops van de Stanleystad.

(1) Beschikt u over voldoende gegevens om een gefundeerd oordeel te kunnen geven over de hierna geformuleerde onderzoeksvragen met betrekking tot het partijen verdeeld houdende geschilpunt of de in de tanktops van de Stanleystad geconstateerde schade is veroorzaakt door de belading van de Stanleystad op 13 en 14 maart 2009 met nafta en het vervoer door de Stanleystad van die nafta op 14 maart 2009 van [plaats 1] naar [plaats 2] ?

(2) Nadat de tanks van de Stanleystad in [plaats 2] waren gelost, is in meerdere tanks een zwarte substantie aangetroffen. Vervolgens heeft reiniging plaatsgehad van deze tanks bij ATM te [plaats 3] . Daarna zijn beschadigingen geconstateerd aan een aantal tanktops van de Stanleystad.
De deskundigen wordt verzocht om, zonder dat zij over een monster van deze substantie beschikken, indien mogelijk een beredeneerd oordeel te geven over de volgende vragen:
(a) waaruit bestaat deze substantie?
(b) kan deze substantie bij de belading van de Stanleystad in [plaats 1] zijn meegekomen met de geladen nafta?
(c) heeft deze substantie tot gevolg gehad dat de zinken bodems van de tanks van de Stanleystad zijn aangetast op een wijze zoals beschreven en op foto's weergegeven in de door partijen in het geding gebrachte rapporten?

(d) is de geconstateerde schade te wijten aan de aantasting door een loog of door een zuur of door beide?
(e) gaat het om een aantasting die op het moment van ontdekking zeer recent was?
(f) kan de onderhavige beschadiging zijn ontstaan zonder dat water aanwezig was?

(g) indien aanwezigheid van water noodzakelijk was voor het ontstaan van de schade bevatten de stukken dan aanwijzingen voor de aanwezigheid van water in de vervoerde lading nafta?
(h) kan de schade zijn ontstaan door de bij ATM uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden?

(3) In de diverse op verzoek van een of meer partijen uitgebrachte rapporten worden alternatieve oorzaken aangegeven en alternatieve conclusies getrokken. Kunt u gemotiveerd aangeven waarom u het al dan niet eens bent met deze gestelde oorzaken en deze conclusies?

6.12.

Zowel appellanten als geïntimeerden hebben een of meer suggesties gedaan over de te benoemen deskundigen. Deze suggesties mede in aanmerking nemende zal het hof navolgende personen – waarvan de een is voorgesteld door appellanten en de ander door geïntimeerden – benoemen tot deskundige. De deskundigen dienen een gezamenlijk rapport uit te brengen.

6.13.

Zoals reeds in het tussenarrest is overwogen zullen de kosten van het deskundigenbericht moeten worden voorgeschoten door [appellanten c.s.]

7 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 6.11 van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundigen ter gezamenlijke beantwoording van deze vragen:

- A.A.M. van Oeffel,

[adres] ,

[postcode] [kantoorplaats] ,

[mobielnummer] ;

- K. Phlippo,

p/a [p/a] ,

[adres] ,

[postcode] [kantoorplaats] , België
[mobielnummer]

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zullen stellen en alle door dezen gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek beginnen nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek – en ten aanzien van hun conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op vier maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote bedrag van in totaal € 7.872, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat partij [appellanten c.s.] laatstgenoemd bedrag zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundigen, indien hun kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. Begheyn tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffier dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 24 mei 2016 in afwachting van het deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellanten c.s.] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, H.A.G. Fikkers en S. Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 januari 2016.

griffier rolraadsheer