Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1949

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
200.176.270_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:5116, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, burengeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.176.270/01

arrest van 17 mei 2016

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.G. van Heertum te Veghel,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. T. Kemper te Oss,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 augustus 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 31 juli 2015, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant , zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/280389 / KG ZA 14-397)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de bij akte van [appellant] van 8 september 2015 overgelegde productie 15;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij H-formulier van 28 december 2015 door [appellant] toegezonden producties (inclusief beeldmateriaal) 17 tot en met 30, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

  • -

    de bij H-formulieren van 28 en 29 december 2015 door [appellant] toegezonden producties (inclusief beeldmateriaal) zoals in de begeleidende brieven vermeld, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

  • -

    de bij brief van 7 januari 2016 door [appellant] toegezonden productie die [appellant] bij het pleidooi in de procedure heeft gebracht;

  • -

    de brief van 8 februari 2016 van mr. Kemper, waarin mr. Kemper er terecht op heeft gewezen dat het proces-verbaal van pleidooi vermeldt dat een kantoorgenoot van mr. Kemper ter zitting aanwezig was, terwijl dit een kantoorgenoot van mr. Van Heertum betrof.

Op het pleidooi hebben partijen ingestemd met verwijzing van de zaak naar mediation. Op 1 februari 2016 ontving het hof het bericht dat partijen dit mediationtraject toch niet hebben ingezet. De zaak is vervolgens op de rol van 9 februari 2016 gezet voor beraad partijen met betrekking tot de voortzetting van de procedure.

Vervolgens heeft het hof de navolgende H-formulieren en akten van partijen ontvangen:

  • -

    akte van [geïntimeerden] van 9 februari 2016;

  • -

    H10 formulier van [appellant] van 9 februari 2016;

  • -

    akte van [appellant] van 23 februari 2016 met bijlagen;

  • -

    akte tevens antwoordakte van [appellant] van 23 februari 2016 met bijlagen;

  • -

    antwoordakte van [geïntimeerden] van 8 maart 2016 met bijlagen.

Tijdens het pleidooi heeft het hof aangegeven dat [appellant] in een later stadium van de procedure alsnog tot overlegging van het ontbrekende beeldmateriaal in de gelegenheid zal stellen, indien dat aan de orde zal blijken te zijn. Partijen hebben op het pleidooi desgevraagd aangegeven af te zien van repliek en dupliek.

Nu het hof de zaak slechts naar de rol van 9 februari 2016 heeft verwezen voor beraad met betrekking tot de voortzetting van de procedure zal het hof slechts kennis nemen van de vanaf die datum overgelegde stukken voor zover zij hierop betrekking hebben en deze stukken voor het overige buiten beschouwing laten.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn buren van elkaar. Op enig moment is er onenigheid tussen partijen ontstaan.

  2. Eén van de kwesties die partijen tot op heden verdeeld houdt, is het feit dat beide partijen in/aan hun woning één of meerdere camera’s bevestigd hebben/hadden.

  3. Partijen hebben in 2013 en 2014 een procedure bij de kantonrechter gevoerd. De kantonrechter heeft in deze procedure in conventie in zijn vonnis van 5 juni 2014 [appellant] veroordeeld tot het verwijderen en het verwijderd houden van de bolcamera linksboven op de zijgevel voor zover deze beelden van het perceel van [geïntimeerden] maakt. Voorts heeft de kantonrechter in dat vonnis in conventie [appellant] veroordeeld tot het staken en gestaakt houden van het fotograferen van [geïntimeerden] , hun gezin en bezoekers van [geïntimeerden] een en ander op straffe van een dwangsom. De vorderingen die [appellant] in reconventie had ingesteld tegen [geïntimeerden] die onder meer zagen op het verwijderen door [geïntimeerden] van camera’s, werden afgewezen, onder de vaststelling dat [geïntimeerden] geen camera hebben.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] na wijziging van eis gevorderd in conventie:

  1. [geïntimeerden] te veroordelen tot het (laten) verwijderen van de camera in de nok van de garage en van de camera aan de linkerkant van het raampje boven de voordeur, alsmede tot het verwijderd houden van camera’s binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [geïntimeerden] hiermee in gebreke blijven tot een maximum van € 5.000,-;

  2. [geïntimeerden] te verbieden het perceel van [appellant] na betekening van het te wijzen vonnis te betreden op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [geïntimeerden] dit verbod overtreden met een maximum van € 5.000,-;

  3. [geïntimeerden] te verbieden na betekening van het te wijzen vonnis om [appellant] en/of mevrouw [huisgenote] en/of de woning van [appellant] en/of zijn perceel te fotograferen of te filmen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [geïntimeerden] dit verbod overtreden met een maximum van € 5.000,-;

  4. [geïntimeerden] te verbieden het vonnis van 5 juni 2014 te executeren op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [geïntimeerden] dit verbod overtreden met een maximum van € 5.000,-;

  5. [geïntimeerden] te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure.

3.2.2.

Aan deze vorderingen heeft [appellant] , kort samengevat, onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Nog tijdens de procedure bij de kantonrechter hebben [geïntimeerden] camera’s opgehangen. Deze camera’s hingen er niet ten tijde van het bezoek ter plaatse door de kantonrechter op 14 maart 2014. In het vonnis gaat de kantonrechter er dan ook ten onrechte van uit dat [geïntimeerden] geen camera’s hadden en werd de vordering [appellant] die zag op het verwijderen van de camera’s afgewezen. [appellant] gaat er vanuit dat er inbreuk op zijn privacy wordt gemaakt vanwege de wijze waarop de camera’s zijn gemonteerd en de hoek waarin deze staan opgesteld.

3.2.3.

[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.4.

In reconventie hebben [geïntimeerden] gevorderd om [appellant] te veroordelen:

  1. om binnen twee dagen na betekening van het vonnis alle aan en in zijn woning aangebrachte camera’s te verwijderen en verwijderd te houden, althans om de camera achter aan de gevel te verwijderen en verwijderd te houden en de andere camera(‘s) te verwijderen en verwijderd te houden voor zover deze beelden van het perceel van [geïntimeerden] maakt (maken), althans om alle camera’s te verwijderen en verwijderd te houden voor zover deze camera’s beelden van het perceel van [geïntimeerden] maken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 30.000,-.

  2. om zich na betekening van het te wijzen vonnis te onthouden van het betreden van het perceel van [geïntimeerden] en om te beletten dat zijn huisgenote mevrouw [huisgenote] het perceel van [geïntimeerden] betreedt, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding;

  3. om zich na betekening van het te wijzen vonnis te onthouden van het fotograferen en/of filmen van – het gezin van – [geïntimeerden] en/of hun woning en/of hun perceel en om te beletten dat zijn huisgenote mevrouw [huisgenote] – het gezin van – [geïntimeerden] en/of hun woning en/of hun perceel fotografeert en/of filmt op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat [appellant] het vonnis overtreedt;

althans die voorzieningen gevorderd die de voorzieningenrechter in goede justitie geboden acht en veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

3.2.5.

Aan deze vorderingen hebben [geïntimeerden] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] continueert het gebruik van zijn camera’s, waaronder de bolcamera. [appellant] geeft toe dat hij met een van de camera’s aan zijn woning een groot deel van het erf van [geïntimeerden] filmt. De beelden van deze camera zijn ook in de media verschenen. Nu [appellant] ook nog met geluid filmt, voelen [geïntimeerden] zich temeer aangetast in hun privacy.

3.2.6.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.

In het bestreden vonnis in kort geding van 31 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch in conventie:

  • -

    [geïntimeerden] veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden van alle camera’s aan, op of in hun woning, voor zover zij daarmee in staat zijn het erf van [appellant] te fotograferen en/of te filmen, binnen vijf dagen na betekening van het vonnis voor de duur van een jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis;

  • -

    [geïntimeerden] verboden met ingang van de dag van betekening van het vonnis het perceel van [appellant] te betreden en [appellant] en/of mevrouw [huisgenote] en/of zijn woning en/of zijn perceel te fotograferen en/of te filmen;

een en ander op straffe van een dwangsom.

In reconventie heeft de voorzieningenrechter:

  • -

    [appellant] veroordeeld om alle camera’s aan, op en in zijn woning te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover hij daarmee in staat is het erf van [geïntimeerden] te fotograferen en/of te filmen, binnen vijf dagen na betekening van het vonnis voor de duur van een jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis;

  • -

    [appellant] verboden met ingang van de dag van betekening van het vonnis het perceel van [geïntimeerden] te betreden en [geïntimeerden] en/of hun gezinsleden en/of hun woning en/of hun perceel te filmen;

een en ander of straffe van een dwangsom.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerden] in conventie in de kosten veroordeeld en [appellant] in reconventie in de kosten veroordeeld en zowel in conventie als in reconventie het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot veroordeling van [geïntimeerden] de bij brief van 3 september 2014 aangezegde executie van het vonnis van 5 juni 2014 te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 5.000,-, tot bekrachtiging van het vonnis van 31 juli 2015 voor het overige voor zover in conventie gewezen en tot alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] , met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van [appellant] toewijsbaar zijn.

3.5.

De vorderingen in eerste aanleg in reconventie zijn gedeeltelijk afgewezen. [geïntimeerden] hebben hiertegen geen incidenteel hoger beroep ingesteld zodat de vorderingen in reconventie voor zover deze zijn afgewezen in hoger beroep niet meer aan de orde zijn. Voorts is door [geïntimeerden] geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het aan [appellant] in conventie toegewezene, zodat ook dat deel van het beroepen vonnis in hoger beroep niet meer aan de orde is. Hetzelfde geldt voor de gedeeltelijke afwijzing van het door [appellant] in conventie gevorderde, aangezien [appellant] daartegen evenmin in beroep is gekomen.

3.6.

In hoger beroep is discussie ontstaan over de interpretatie van het dictum van het bestreden vonnis voor zover dit de verwijdering van de camera’s betreft. Door [appellant] is de vraag opgeworpen of camera’s die het erf van [geïntimeerden] kunnen filmen maar dit feitelijk niet doen, omdat zij niet richting het erf van [geïntimeerden] zijn gericht onder het verwijderingsgebod waartoe hij is veroordeeld, vallen.

3.7.

Met zijn eerste en tweede grief komt [appellant] , veiligheidshalve ervan uitgaande dat dit gebod zo moet worden geïnterpreteerd, op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij alle camera’s aan, op of in zijn woning voor zover hij daarmee in staat is het erf van de buren te filmen en/of te fotograferen dient te verwijderen en verwijderd dient te houden. De voorzieningenrechter heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat er geen noodzaak is tot het voorhanden hebben van camera’s nu deze klaarblijkelijk de veiligheid van [appellant] niet hebben gegarandeerd, omdat er desondanks een vuurwerkbom door de brievenbus van de woning van [appellant] is gegooid. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter ten onrechte voormelde ordemaatregel jegens [appellant] getroffen. Op de door de camera’s van [appellant] gemaakte beelden is een groot aantal door [geïntimeerden] gepleegde onrechtmatige gedragingen vastgelegd. Deze beelden hebben een bewijsfunctie. Verder gaat een preventieve werking uit van de camera’s. De camera’s dienen derhalve wel degelijk ter bescherming van [appellant] en zijn goederen. De met de camera’s gediende belangen van [appellant] dienen te prevaleren boven de beperkte inbreuk op de privacy van [geïntimeerden] . In elk geval kan filmen van het eigen erf niet worden ingeperkt, aldus nog steeds [appellant] . [geïntimeerden] hebben onder meer benadrukt dat de camera’s van [appellant] een aanzienlijke inbreuk maken op hun persoonlijke levenssfeer.

3.8.

Het hof ziet met de voorzieningenrechter aanleiding tot het treffen van een tijdelijke ordemaatregel teneinde de rust tussen partijen te doen wederkeren. Het hof is met [appellant] van oordeel dat het dictum van het bestreden vonnis op voormeld punt interpretatieruimte laat. Naar het oordeel van het hof dient [appellant] bij wijze van ordemaatregel alle camera’s te verwijderen en verwijderd te houden die in staat zijn het erf van [geïntimeerden] te filmen, ook als zij dit feitelijk niet doen. [appellant] is wel toegestaan camera’s onder de hoogte van de tussen de erven van partijen staande schutting aan te brengen. Camera’s op deze hoogte waarborgen voormelde veiligheidsbelangen van [appellant] voldoende en maken geen inbreuk op de privacy van [geïntimeerden] . De camera’s kunnen immers vanuit deze positie het erf van [geïntimeerden] niet filmen. Voor zover onder schuttinghoogte bevestigde camera’s makkelijker vernield kunnen worden zoals [appellant] ten pleidooie nog heeft aangevoerd, neemt het hof aan dat dan in elk geval die vernieling wel is vastgelegd. Het hof ziet althans in dit argument, het veiligheidsbelang van [appellant] en het privacybelang van [geïntimeerden] afwegend, vooralsnog geen aanleiding [appellant] toe te staan zijn camera’s hoger te bevestigen. Gelet op voormelde interpretatieruimte in het dictum van het bestreden vonnis, zal het hof dat vonnis op dit punt vernietigen. De eerste en tweede grief slagen derhalve in zoverre en falen voor het overige.

3.9.

[appellant] heeft met zijn derde grief het verbod aangevochten [geïntimeerden] en/of hun gezinsleden en/of hun woning en/of hun perceel te filmen. Uit de toelichting op deze grief begrijpt het hof dat de grief is ingesteld in het verlengde van het standpunt van [appellant] dat hij met zijn camera’s ook een deel van het erf van [geïntimeerden] mag filmen. Nu het hof, zoals reeds overwogen, een ander oordeel is toegedaan, faalt ook deze grief.

3.10.

De vierde grief van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] vooralsnog geen belang heeft bij zijn vordering tot een verbod het vonnis van 5 juni 2014 te executeren, omdat i) niet is gebleken dat [appellant] van dit vonnis in hoger beroep is gegaan, ii) de brief van 3 september 2014, waarbij zou zijn aangekondigd dat er mogelijk dwangsommen zouden worden geïncasseerd, niet door [appellant] is overgelegd en iii) nadien gesteld nog gebleken is dat [geïntimeerden] doende zijn de betreffende dwangsommen te incasseren. Volgens [appellant] is wel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 5 juni 2014, maar is dit hoger beroep in afwachting van het vonnis in kort geding aangehouden en ambtshalve geroyeerd. Voorts stelt [appellant] dat hij de zaak binnenkort opnieuw zal aanbrengen. [geïntimeerden] hebben onder meer aangevoerd dat het hen nog steeds vrij staat tot executie van het vonnis van 5 juni 2014 over te gaan.

3.11.

Ook deze vierde grief faalt. Het vonnis van 5 juni 2014 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Gesteld noch gebleken is dat het vonnis van 5 juni 2014 (reeds) op enigerlei wijze is aangetast. Naar de stellingen van [appellant] hebben [geïntimeerden] in genoemde brief van 3 september 2014 aangekondigd tot executie van het vonnis van 5 juni 2014 over te gaan, omdat [huisgenote] het in dit vonnis opgelegde verbod zou hebben overtreden. Het handelen van [huisgenote] geeft inderdaad geen grond voor executie van het jegens [appellant] gewezen vonnis van 5 juni 2014. De gestelde inhoud van de brief van 3 september 2014 geeft evenwel evenmin grond voor toewijzing van het door [appellant] gevorderde algemene executieverbod. Nu [appellant] deze vordering verder niet heeft onderbouwd, kan deze vordering dan ook niet voor toewijzing in aanmerking komen.

3.12.

Het hof heeft voor de beoordeling van het geschil geen behoefte aan het ontbrekende beeldmateriaal. De beelden van de gestelde gedragingen zal bovenstaand oordeel immers niet anders doen luiden.

3.13.

Gelet op het voorgaande zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen voor zover [appellant] is veroordeeld om alle camera’s aan, op en in zijn woning te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover hij daarmee in staat is het erf van [geïntimeerden] te fotograferen en/of te filmen, binnen vijf dagen na betekening van dat vonnis, voor de duur van een jaar te rekenen vanaf de datum van dat vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat hij hieraan niet voldoet, tot een maximum van

€ 5.000,- .

Het hof zal opnieuw rechtdoende [appellant] veroordelen tot het verwijderen en het verwijderd houden van alle camera’s aan, op of in zijn woning, voor zover deze zijn opgehangen boven of op schuttinghoogte, binnen vijf dagen na betekening van dit arrest, voor de duur van een jaar te rekenen vanaf de datum van dit arrest, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [appellant] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,- te rekenen vanaf zes dagen na betekening van dit arrest

3.14.

Het hof zal [appellant] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter waarvan beroep voor wat betreft de veroordelingen onder 6.10 en 6.11 van het dictum van dat vonnis;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot het verwijderen en het verwijderd houden van alle camera’s aan, op of in zijn woning, voor zover deze zijn opgehangen boven of op schuttinghoogte, binnen vijf dagen na betekening van dit arrest, voor de duur van een jaar te rekenen vanaf de datum van dit arrest, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [appellant] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,- te rekenen vanaf zes dagen na betekening van dit arrest;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter voor het overige voor zover aan het hof voorgelegd;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] op € 311,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, D.A.E.M. Hulskes en P.S. Kamminga is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 mei 2016.

griffier rolraadsheer