Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1936

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
200.161.799_02
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioen; achterstallige premies; goede procesorde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0537
AR 2016/1421
PJ 2016/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.161.799/02

arrest van 17 mei 2016

in de zaak van

Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

hierna aan te duiden als de Stichting,

advocaat: mr. J.A. Trimbach te De Meern,

tegen

Horeca Payroll Services Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als HPS,

advocaat: mr. M.J.J.F. van Raak te Oosterhout,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 juni 2015 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg onder zaaknummer 725930 CV EXPL 12-5331 gewezen vonnis van 11 juni 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 16 juni 2015;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 29 juli 2015 met productie 33 van HPS, zoals gewijzigd volgens de brief van het hof van 16 september 2015;

  • -

    de akte van de Stichting met producties 13 tot en met 30;

  • -

    de antwoordakte van HPS met producties 34 en 35.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende. De Stichting voert een verplicht gestelde pensioenregeling uit in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (hierna: Wet Bpf 2000). De Minister heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 2 van de Wet Bpf 2000 en met een besluit deelname aan een pensioenregeling verplicht gesteld voor de in het besluit genoemde categorieën van werknemers die in dienst zijn van een onderneming in het beroepsvervoer over de weg. HPS valt onder de werkingssfeer. De Stichting vordert van HPS pensioenpremies over de jaren 2007, 2008 en 2009.

6.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van de Stichting afgewezen. De Stichting is tijdig in hoger beroep gekomen en zij heeft drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Naast die drie grieven, heeft de Stichting aangevoerd dat het de bedoeling is de zaak in volle omvang voor te leggen. Die enkele vermelding is echter niet voldoende om aan te nemen dat enig door de Stichting niet vermeld geschilpunt, naast andere wel door Stichting nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld. De Stichting heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en voorts - na eisvermindering - tot veroordeling van HPS (samengevat) om aan de Stichting € 71.510,10 te voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van de afzonderlijke facturen tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van HPS in de (buiten)gerechtelijke kosten, nakosten daaronder begrepen en te vermeerderen met wettelijke rente.

6.3.

De grieven falen en het hof wijst de vorderingen van de Stichting af om de hierna te melden redenen.

6.4.

Over 2007 heeft de Stichting aanvankelijk aanspraak gemaakt op € 4.599,80 met een premienota van 16 oktober 2009. Het gaat daarbij om premies ten behoeve van mevrouw [betrokkene 1] . De Stichting is tot creditering van deze factuur overgegaan, zoals blijkt uit de akte na comparitie in hoger beroep (productie 28). De Stichting heeft zelfs nog een hoger bedrag gecrediteerd dan zij in deze procedure had gevorderd. Kennelijk was ook nog voor een andere werknemer aanvankelijk een premie in rekening gebracht. Dit kan verder onbesproken blijven. Kennelijk is de Stichting zelf van mening dat zij niets meer te vorderen heeft over 2007. De vordering over 2007 wordt dan ook afgewezen.

6.5.

Over 2008 heeft de Stichting aanvankelijk aanspraak gemaakt op € 47.811,38 met een premienota van 17 juli 2009. Het gaat daarbij om premies ten behoeve van tal van werknemers. HPS heeft het verweer gevoerd dat niet alle werknemers waarvoor premie in rekening wordt gebracht, in dienst waren en dat voor meerdere werknemers te veel premie in rekening is gebracht. Na de comparitie in hoger beroep, heeft de Stichting deze nota gecrediteerd met een bedrag van € 15.522,82 (akte na comparitie in hoger beroep, productie 29). Het hof leidt daaruit af dat de Stichting hiermee deels de juistheid van het verweer van HPS erkent. Het is het hof echter niet duidelijk voor welke werknemers de Stichting nu nog premies van HPS vordert. Uit hetgeen de Stichting in de toelichting heeft vermeld, kan het hof niet opmaken voor welke werknemers nog premie dient te worden voldaan en waarom. Weliswaar heeft de Stichting bij genoemde productie 29 een overzicht in het geding gebracht waarop staat vermeld voor welke werknemers zij de premienota crediteert, maar de in de akte gegeven toelichting is het hof niet duidelijk. Zo is bijvoorbeeld niet verduidelijkt waarom voor [betrokkene 2] een gedeeltelijke correctie heeft plaatsgevonden. De Stichting heeft in haar akte slechts zes namen genoemd van werknemers waarvoor zij geen correcties heeft uitgevoerd op haar aanvankelijke premienota’s, maar de premienota’s hebben betrekking op veel meer werknemers dan deze met name genoemde werknemers. Bovendien heeft HPS in haar memorie van antwoord andere werknemers genoemd waarvan de Stichting volgens HPS de premies onjuist heeft berekend. De toelichting die de Stichting wel heeft gegeven, is niet duidelijk. Zo is het hof niet duidelijk dat de Stichting erkent dat [betrokkene 3] niet werkzaam was bij HPS maar bij [Logistics] Logistics B.V. en dat zij ‘hierdoor’ geen correctie uitvoert. Waarom HPS de premie moet betalen voor een werknemer die niet bij haar maar bij een andere vennootschap in dienst is, kan het hof, zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet volgen. Evenmin is het hof duidelijk op welke tabbladen de Stichting doelt in haar toelichting bij [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] .

6.6.

Over 2009 heeft de Stichting aanvankelijk aanspraak gemaakt op € 83.301,48 met een premienota van 11 december 2009. Ook daarbij gaat het om premies ten behoeve van tal van werknemers. Ook met betrekking tot dat jaar heeft HPS het verweer gevoerd dat niet alle werknemers waarvoor premie in rekening wordt gebracht, in dienst waren en dat voor meerdere werknemers te veel premie in rekening is gebracht. Na de comparitie in hoger beroep, heeft de Stichting de premienota gecrediteerd met een bedrag van € 41.445,25. Ook daarvoor geldt dat de in de akte gegeven toelichting het hof niet duidelijk is.

6.7.

Gelet op de grote bedragen waarmee de Stichting haar premienota’s heeft gecrediteerd, kon zij wat betreft haar vorderingen over 2008 en 2009 niet volstaan met de toelichting die zij heeft gegeven en had zij uitvoeriger uitleg dienen te geven. Reeds om deze reden is het hof van oordeel dat de Stichting niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat die vorderingen worden afgewezen.

6.8.

Het systeem van de Wet Bpf 2000 brengt mee dat de aanspraak op pensioen los staat van de vraag of premie is betaald. Uit dat systeem vloeit dus voort dat de Stichting een zeer groot belang heeft bij premiebetaling. Dat zou aanleiding kunnen zijn om de Stichting alsnog de gelegenheid te geven haar vorderingen nader toe te lichten. Het hof ziet daartoe evenwel geen aanleiding, omdat het belang van een onredelijke vertraging van de procedure in dit geval zwaarder dient te wegen. Het hof acht daartoe redengevend dat HPS terecht heeft aangevoerd dat de Stichting zich, kort gezegd, zowel in als buiten rechte niet heeft gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en inmiddels meer dan genoeg gelegenheid heeft gehad om haar vorderingen inzichtelijk te maken. Daartoe overweegt het hof het volgende.

6.9.

Bij brief van 30 juni 2009 heeft de Stichting aan Personenvervoer Payroll Services Holding B.V. een zogenaamde verklaring omtrent betaalgedrag verstrekt. In die brief wordt vermeld: “De betalingsverplichtingen tot en met 30 juni 2009 voor de aansluitidentificatienummer (s): [aansluitidentificatienummer] zijn volledig nagekomen. Dit conform onze administratie d.d. 30 juni 2009.”. Het genoemde aansluitnummer is hetzelfde als het nummer dat wordt vermeld op de hiervoor genoemde premienota’s van 16 oktober 2009 (premies over 2007), 17 juli 2009 (premies over 2008) en 11 december 2009 (premies over 2009).

6.10.

HPS heeft aangevoerd dat de Stichting hierdoor slordig en verwarrend werkt en dat zij aldus in strijd handelt met de eisen van redelijkheid en billijkheid (randnummer 15 cva). Ook levert deze verklaring dwingend bewijs op volgens HPS, zodat er vanuit moet worden gegaan dat zij aan al haar betalingsverplichtingen heeft voldaan (randnummer 11 antwoordakte in hoger beroep). Met die laatste stelling ziet HPS eraan voorbij dat van dwingend bewijs, tegenbewijs vrij staat. De verklaring heeft dus niet tot gevolg dat de vorderingen van de Stichting reeds vanwege deze verklaring dienen te worden afgewezen. HPS heeft niet aangevoerd dat sprake is van rechtsverwerking. Voor zover een beroep op rechtsverwerking wel in die stellingen besloten ligt, faalt het, om de volgende reden. HPS heeft toegelicht waarom zij belang heeft bij een dergelijke verklaring, te weten dat zij de verklaring nodig heeft om deze aan haar opdrachtgevers te tonen, maar zonder toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom de onjuistheid van die verklaring haar heeft belemmerd in het verkrijgen van nieuwe opdrachten. HPS heeft niet gesteld dat zij er gelet op deze verklaring op heeft vertrouwd dat de Stichting geen aanspraak meer zou maken op premies wanneer de eerdere nota’s niet juist zouden zijn.

6.11.

Volgens de Stichting betekent de verklaring niet meer dan dat de tot en met 30 juni 2009 gestuurde premienota’s allemaal waren voldaan (randnummer 4 cvr). De verklaring ziet dus niet op de nadien gestuurde nota’s, aldus de Stichting. Dat betoog gaat echter niet op, omdat in deze brief niet wordt vermeld dat de premienota’s zijn voldaan, maar dat de betalingsverplichtingen zijn voldaan. Weliswaar is de betalingsverklaring niet gericht aan HPS, maar het in de verklaring genoemde aansluitidentificatienummer is wel dat van HPS.

6.12.

Het hof is dus van oordeel dat de betalingsverklaring niet het gevolg heeft gehad dat de Stichting geen aanspraak meer kon maken op de premies. Echter, gelet op die betalingsverklaring, mocht van de Stichting wel verlangd worden dat, toen zij op 17 juli 2009 tot het inzicht kwam dat HPS niet aan haar betalingsverplichtingen tot en met 30 juni 2009 had voldaan, zij rekening zou houden met de gerechtvaardigde belangen van HPS. Vanwege deze betalingsverklaring had het voor de hand gelegen dat de Stichting nadien niet zomaar de hiervoor genoemde premienota’s had gestuurd, maar dat zij hierover contact had opgenomen met HPS om te verduidelijken waarom zij in weerwil van de betalingsverklaring, toch nieuwe premienota’s stuurde. Anders dan de Stichting heeft aangevoerd (o.a. randnummer 15 mvg) heeft HPS de nota’s niet zonder protest behouden. HPS heeft erop gewezen dat zij vele brieven heeft gestuurd (randnummer 54 cva en prod. 10). Weliswaar was dat correspondentie met Personenvervoer Payroll Services Holding BV, maar de hiervoor genoemde betalingsverklaring is ook aan die vennootschap verstrekt met het aansluitidentificatienummer van HPS.

6.13.

Het hof kan de verklaring van de Stichting dat zij die premienota’s heeft gestuurd omdat HPS zelf ná de betalingsverklaring gegevens heeft gewijzigd met betrekking tot de periode vóór 30 juni 2009 (randnummers 4 tot en met 7 cvr), niet volgen. HPS heeft met klem betwist dat zij dat heeft gedaan (o.a. randnummer 22 cvd). Van de Stichting had verwacht mogen worden dat zij vervolgens met een onderbouwde motivering op dat verweer was ingegaan. Dat klemt te meer nu HPS heeft verwezen naar een publicatie van de Stichting zelf, waaruit volgt dat er klachten waren over foutieve berekeningen en overzichten en klachten over het aanleveren van gegevens via het systeem (plato) (prod. 12 cvd). Uit de recente crediteringen (r.o. 6.4 tot en met 6.6.) blijkt immers dat HPS voor een groot deel terecht het verweer heeft gevoerd dat de premienota’s van de Stichting niet juist waren.

6.14.

In eerste aanleg hebben partijen tijdens de comparitie afspraken gemaakt over het verdere verloop. Daarover is onenigheid ontstaan. Vervolgens is in hoger beroep opnieuw een comparitie gehouden en zijn opnieuw afspraken gemaakt. Die afspraak hield in dat iemand van de Stichting naar HPS zou gaan. Daarover is het volgende opgenomen in het proces-verbaal (p. 8 en 9):

“R-c: (…) Kan iemand van pensioenfonds naar geïntimeerde en daar helpen of controleren?

Mr. Trimbach: dat kan absoluut.

Rc: Er zijn verschillende manieren om verder te gaan: (…)

Van de zijde van het pensioenfonds bestaat bereidheid om bij u op de zaak te kijken meneer [vertegenwoordiger HPS] , zodat ze kunnen kijken hoe het zit. Wat wilt u?

(…)

R-c: (…) Het pensioenfonds gaf aan dat het erom gaat dat de feiten in overeenstemming komen met de betalingen. Zij willen duidelijk op een rijtje hebben welke werknemers voor welk loon in dienst zijn geweest in welke periode. [vertegenwoordiger Stichting] zou bij [vertegenwoordiger HPS] op de zaak kunnen kijken.

(…)

Mr. Trimbach: (…) ik hoor de heer [vertegenwoordiger Stichting] en de heer [vertegenwoordiger HPS] telefoonnummers uitwisselen om een afspraak te maken.”

6.15.

De Stichting heeft in de akte na de comparitie in hoger beroep zelf gesteld dat zij bestanden heeft ontvangen van HPS en dat zij de daarin verstrekte gegevens heeft verwerkt. Dat was echter niet de afspraak. Iemand van de Stichting zou HPS bezoeken om aldaar de administratie samen met HPS door te nemen. Uit de door de Stichting zelf overgelegde producties blijkt dat HPS onder protest toch maar die gegevens heeft verstrekt, waarna iemand van de Stichting is langs gekomen. Het hof acht deze gang van zaken des te opmerkelijker, omdat partijen na de in eerste aanleg gehouden comparitie om precies dezelfde reden onenigheid hebben gekregen.

6.16.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en de Stichting veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de Stichting in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van HPS op € 5.114,- aan griffierecht en op € 6.580,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, M. van Ham en P.P.M. van Reijsen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 mei 2016.

griffier rolraadsheer