Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1933

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
200.155.347_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:4155, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bescherming veilingkoper onroerende zaak

executieveiling op grond van een later vernietigde uitspraak

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 80
Burgerlijk Wetboek Boek 3 84
Burgerlijk Wetboek Boek 3 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2016/75
RVR 2016/77
JOR 2016/217 met annotatie van mr. A. Steneker
mr. E. Loesberg annotatie in UDH:TvCu/13344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.155.347/01

arrest van 17 mei 2016

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [woonplaats 1] (België),

appellant,

advocaat: mr. J.M.H.J. Coolen te Sittard,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.V. Claassens te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 9 december 2014 omtrent de vraag of appellant tijdig het griffierecht heeft voldaan, in het op de exploten van dagvaarding van 13 augustus en 29 augustus 2014 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 23 juli 2014 tussen appellant - [appellant] - als eiser in conventie en verweerder in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in reconventie en eiser in conventie.

Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten

5 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/268922/HA ZA 13-704)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 23 juli 2014 en naar het in het incident gewezen vonnis van 22 januari 2014, waarbij ook een verschijning van partijen is bevolen.

6 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- voornoemd arrest van 9 december 2014;

- de dagvaardingen van 13 en 29 augustus 2014 tevens bevattende de grieven;

- de memorie van antwoord.

Nadat partijen arrest hebben gevraagd, is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De beoordeling

7.1

Onder 2.1. tot en met 2.9. van het vonnis van 23 juli 2014 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten zij is uitgegaan. Voor zover het hof van oordeel is dat die feiten in dit appel relevant zijn hebben geen der partijen daar bezwaar tegen gemaakt, zodat het hof van die feiten zal uitgaan. Het hof zal hierna die feiten, en nog enkele gestelde en erkende althans onvoldoende gemotiveerde betwiste feiten, weergeven.

a. Op 21 februari 2001 is [appellant] eigenaar geworden van het perceel grond gelegen aan de [straatnaam 1] te [plaats 1] , kadastraal bekend als gemeente [plaats 1] sectie [sectieletter 1] nummer [sectienummer] , groot 24 aren en 90 centiaren (hierna: het weiland).

b. [appellant] was tevens eigenaar van het complex [complex] , gelegen aan de [straatnaam 2][huisnummer 1] te [plaats 1] . Het complex grenst aan het weiland. Op 2 juni 2004 heeft [appellant] het complex verkocht aan Laroke B.V. en [Projecten] Projecten [plaats 2] B.V. voor € 1.500.000,-. Aan [appellant] is € 1.000.000,- uitbetaald.

c. Op 2 juli 2009 hebben Laroke B.V. en [Projecten] Projecten [plaats 2] B.V. de overeenkomst met [appellant] ontbonden. [appellant] is gesommeerd tot terugbetaling van het bedrag van € 1.000.000,-. Het gestelde recht op terugbetaling is door de B.V.’s gecedeerd aan 3.L. Projectontwikkeling B.V. (hierna: 3L).

d . 3L heeft bij de rechtbank Maastricht een vordering ingesteld tegen [appellant] tot terugbetaling van de € 1.000.000,-. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 16 februari 2011 (productie 2 dagvaarding in eerste aanleg) heeft de rechtbank Maastricht de vordering van 3L toegewezen. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij dit hof.

e. 3L heeft het vonnis geëxecuteerd middels beslaglegging op het complex [complex] en het weiland en beide percelen ter executieveiling van 12 april 2012 aangeboden. De door [appellant] ter voorkoming van de executie ingestelde vordering in kort geding is afgewezen.

f. Op 12 april 2012 is een executieveiling gehouden. De akte van veiling (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) houdt onder meer in:

“(…)

Akte bijzondere veilingvoorwaarde beslagveiling

Vandaag, drie april tweeduizendtwaalf, verscheen voor mij, (…) [notaris 1] , notaris (…) mevrouw (…) [gevolmachtigde] (…) te dezen handelend als schriftelijke gevolmachtigde van:

(…) 3.L. Projectontwikkeling 1 B.V. (…) hierna ook te noemen: “de verkoper”.

(…)

2. Registergoed

het te veilen registergoed betreft (…) het perceel grond gelegen aan de [straatnaam 1] te [plaats 1] , kadastraal bekend als gemeente [plaats 1] sectie [sectieletter 1] nummer [sectienummer] , groot (…) 24 aren (…) 90 centiaren;

hierna aan te duiden als: “het registergoed”.

3. Rechthebbende

Het te veilen registergoed is eigendom van:

de heer [appellant] , (…)

hierna ook te noemen: “de rechthebbende”, of: “de schuldenaar”.

(…)

5. Beslag

Het registergoed is bezwaard met een executoriaal beslag ten behoeve van de verkoper, (…)

6. De vordering

(…) Om te komen tot verhaal van haar vordering zal verkoper overgaan tot openbare verkoop van het registergoed. (…)”.

g. Op de executieveiling van 12 april 2012 is het weiland bij opbod verkocht. Op 13 april 2012 is het weiland aan [geïntimeerde] gegund voor een bedrag van om en nabij de € 20.000,- (€ 13.000,- voor het weiland vermeerderd met kosten). Op 29 mei 2012 zijn het proces-verbaal van de veiling, de akte van gunning en de akte van kwijting ingeschreven in het hypotheekregister.

h. Bij arrest van 16 juli 2013 (productie 5 dagvaarding in eerste aanleg) heeft dit hof het hoger beroep van [appellant] tegen het vonnis van 16 februari 2011 gegrond verklaard en het vonnis van 16 februari 2011 vernietigd. De vorderingen van 3L zijn afgewezen. 3L heeft geen cassatieberoep ingesteld en de beslissing van het hof is onherroepelijk geworden.

i. Op grond van de vernietiging van het vonnis van 16 februari 2011 heeft [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd tot teruggave van het weiland. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

j. [appellant] heeft na verkregen verlof op 23 augustus 2013 conservatoir beslag tot levering (productie 6 dagvaarding in eerste aanleg) gelegd op het weiland.

7.2.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht verklaart dat [appellant] eigenaar is van het weiland;
b. [geïntimeerde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis het weiland te ontruimen en ontruimd te houden en ter beschikking te stellen van [appellant] , op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;
c. waardeloos verklaart de inschrijving ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers op 29 mei 2012 om 09:00 uur in register Onroerende Zaken Hyp4 in deel 61507 nummer 80 van:
(i) de akte bijzondere veilingvoorwaarden beslagveiling, verleden door mr. [notaris 1] , notaris te [plaats 3] op 3 april 2012,
(ii) het proces-verbaal van beslagveiling van mr. [notaris 1] , notaris in de gemeente [plaats 3] , van 12 april 2012;
(iii) de akte van gunning, verleden door mr. [kandidaat-notaris] , kandidaat-notaris, als waarnemer van mr. [notaris 2] , notaris in de gemeente [plaats 4] , op 13 april 2012;
(iv) de akte van kwijting, verleden door mr. [notaris 3] , notaris in de gemeente [plaats 5] , op 25 mei 2012,

aangezien de desbetreffende executoriale verkoop was gebaseerd op het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van de rechtbank Maastricht van 16 februari 2011, welk vonnis echter nadien is vernietigd bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2013;
d. [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van het geding, inclusief de beslagkosten.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vernietiging van het vonnis van 16 februari 2011 in dit geval de door [geïntimeerde] verkregen eigendom niet raakt. De bevoegdheid van 3L tot executie behoort, aldus de rechtbank, niet achteraf aan de hand van het arrest van dit hof van 16 juli 2013 te worden beoordeeld, maar aan de hand van de toestand ten tijde dat de eigendom overging ingevolge art. 525 Rv, dus op 29 mei 2012. De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen in conventie afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten. De kostenveroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

7.2.2

[geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- [appellant] gebiedt om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis op te heffen het gelegde conservatoir beslag tot levering op het perceel grond gelegen aan de [straatnaam 1] te [plaats 1] , kadastraal bekend als gemeente [plaats 1] , sectie [sectieletter 2] , nummer [sectienummer] , groot 24 aren en 90 centiaren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag of gedeelte daarvan voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [appellant] na betekening van het te wijzen vonnis met nakoming van het gebod in gebreke blijft;

- [appellant] gebiedt tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te voldoen € 34.000,- ten titel van schadevergoeding;

- [appellant] gebiedt tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te voldoen € 6.050,- ten titel van gemaakte kosten voor rechtsbijstand;

- [appellant] veroordeelt in de (overige) kosten van de procedure, te vermeerderen met het conform het liquidatietarief in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis begrote nakosten (€ 131,- zonder betekening en € 199,- met betekening van het vonnis) en met bepaling dat [appellant] de wettelijke rente over de proceskosten wordt verschuldigd indien deze niet binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [geïntimeerde] zijn voldaan.

De rechtbank heeft in het lichaam van het vonnis van 23 juli 2014 in reconventie overwogen dat uit hetgeen in conventie in dat vonnis is vastgesteld, volgt dat [appellant] geen eigenaar was van het weiland, zodat het door hem gelegde beslag daarop ten onrechte is gelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat [geïntimeerde] het weiland heeft verkocht aan een derde en had moeten leveren op 1 oktober 2013 op straffe van een dwangsom van € 9.000,-. Het door [appellant] gelegde beslag heeft in de weg gestaan aan de leveringsplicht van [geïntimeerde] , zodat [appellant] de dwangsom die [geïntimeerde] is verschuldigd aan de koper van het weiland, aan [geïntimeerde] is verschuldigd. De overige schade van [geïntimeerde] (gemiste winst) moet worden berekend door vaststelling van de actuele waarde van het weiland en deze te vergelijken met de door [geïntimeerde] overeengekomen verkooprijs van € 45.000,-. De rechtbank acht daarvoor mogelijk deskundigenonderzoek noodzakelijk. In het dictum van het in reconventie op 23 juli 2014 gewezen tussenvonnis zijn partijen, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, dan ook in staat gesteld om zich over dit eventuele deskundigenonderzoek uit te laten.

7.3

[appellant] vordert in het appel en onder het voordragen van tien grieven dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis in conventie en in reconventie van 23 juli 2014 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in conventie de vorderingen van [appellant] zal toewijzen en de vorderingen in reconventie zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de grieven, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties en met bepaling dat [appellant] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt, indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen arrest aan [geïntimeerde] zijn voldaan, alsmede met bepaling dat [appellant] de nakosten is verschuldigd ter hoogte van € 131,- zonder betekening en € 199,- met betekening van het te wijzen arrest.

7.4

[appellant] is woonachtig in België. Partijen gaan er stilzwijgend, maar terecht, van uit dat het hof bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is.

7.5

In de kern beschouwd dienen in dit hoger beroep twee (samenhangende) vragen te worden beantwoord. De ene vraag is of 3L door de vernietiging van het vonnis van 16 februari 2011 door het arrest van dit hof van 16 juli 2013 (waarmee de executoriale titel kwam te vervallen) 3L ook bezien in de veiling-executierelatie tussen haar, 3L, en [geïntimeerde] voor beschikkingsonbevoegd moet worden gehouden. De tweede vraag is of die eventuele beschikkingsonbevoegdheid heeft voorkomen dat [geïntimeerde] eigenaar is geworden van het weiland. De grieven 1 tot en met 5 leggen in feite die twee vragen voor en zullen daarom niet afzonderlijk worden beoordeeld.

7.6

Het hof stelt voorop dat krachtens HR 25 januari 2008, NJ 2008, 66 ook in geval van executoriale verkoop van onroerende zaken (als in casu het weiland) de verkrijging op grond van art. 3:80 lid 3 BW plaatsvindt door overdracht. Dit betekent dat sprake moet zijn van een levering krachtens geldige titel, verricht door iemand die bevoegd is over het goed te beschikken. Indien in dit stelsel van overdracht niet is voldaan aan één van de drie genoemde vereisten, is geen sprake van eigendomsoverdracht, behoudens indien zich het geval van art. 3:88 BW voordoet. Die beschermingsbepaling speelt in dit geval echter geen, in elk geval geen onmiddellijke, rol. Andere onmiddellijke beschermingsbepalingen indien bij de overdracht van onroerende zaken niet aan een van de net genoemde vereisten is voldaan, kent de wet niet

Het hof stelt verder voorop dat bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 16 februari 2011 de rechtbank heeft geoordeeld over de door 3L tegen onder meer [appellant] ingestelde vordering onder andere inhoudende veroordeling van [appellant] om aan 3L te betalen € 1.000.000,-. Het weiland speelde in dit geschil geen enkele rol.

Gelet op de inhoud van de akte van veiling (r.o. 7.1 sub f) moet het er verder voor worden gehouden dat elke potentiële koper op de veiling van 12 april 2012 wist, in elk geval had moeten weten, dat het weiland werd geveild door een verkoper-niet eigenaar op grond van een executoriale titel. Veilingkopers worden geacht te weten dat op grond van een dergelijke titel mag worden geveild, omdat deze titel bijvoorbeeld uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, maar dat dergelijke titels (nog) niet onherroepelijk zijn. Indien een veilingkoper nalaat aan de veilingnotaris te vragen of de betreffende titel onherroepelijk is, komt dit voor zijn risico.

7.7

In het onderhavige geval is gebleken dat de op 12 april 2012 nog bestaande executoriale titel van de verkoper 3L nooit heeft bestaan. Het vonnis waarbij [appellant] werd veroordeeld om aan 3L onder meer € 1.000.000,- te betalen, welk bedrag 3L in handen wenste te krijgen door verkoop van het weiland van [appellant] , is immers vernietigd. Een dergelijk vernietigd vonnis wordt geacht nooit te zijn gewezen (zie onder meer HR 11 februari 1994, NJ 1994, 651). Het hof ziet geen rechtsregel waaruit kan worden afgeleid dat in een geval als het onderhavige waar achteraf is gebleken dat de executoriale titel die aan de veiling ten grondslag heeft gelegen niet bestaat, het feit dat die titel geacht moet worden nooit te hebben bestaan, niet aan een veilingkoper als [geïntimeerde] kan worden tegengeworpen. Ter zijde merkt het hof wat dit betreft nog op dat een ander resultaat ook niet lijkt te passen bij het uitgangspunt dat een vonnis als dat van 16 februari 2011 slechts werkt tussen partijen. Indien in dit geval de vernietiging van het vonnis van 16 februari 2011 en de gevolgen daarvan niet ook ten opzichte van [geïntimeerde] zouden kunnen worden ingeroepen, zou zich de vreemde situatie voordoen dat [geïntimeerde] , een derde, zich wel zou kunnen beroepen op een vonnis dat tussen de procespartijen 3L en [appellant] inmiddels niet meer werkt.

7.8

Het hof ziet evenmin andere regels of gronden die met zich brengen dat [geïntimeerde] zou moeten worden beschermd tegen het feit dat achteraf blijkt dat de executoriale titel op grond waarvan 3L het weiland liet veilen, niet blijkt te bestaan. Allereerst is er geen regel die inhoudt dat in een geval als het onderhavige geen rekening mag worden gehouden met rechtsfeiten die dateren van na de datum van de veiling, maar terugwerkende kracht hebben. Verder blijkt in het onderhavige geval uit de veilingvoorwaarden (r.o. 7.1 sub f) dat de veiling plaats vond op instigatie van een verkoper-niet eigenaar op basis van een executoriaal beslag. Indien dergelijke informatie is verstrekt, mag een veilingkoper er niet voetstoots van uitgaan dat wordt geveild op basis van een onherroepelijke executoriale titel. Er is dan ook geen reden om [geïntimeerde] als veilingkoper te beschermen omdat hij niet zou hebben geweten dat sprake was een nog herroepelijke executiebevoegdheid. Die reden kan ook niet worden gevonden in het voorkomen dat te zeer afbreuk wordt gedaan aan het wettelijk systeem van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Er is slechts sprake van een bij wet aan een partij gegeven mogelijkheid om te vorderen dat een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Uit niets blijkt dat de wetgever bij deze mogelijkheid meer voor ogen heeft gehad dan het voorkomen van het instellen van rechtsmiddelen enkel om executie te voorkomen.

Er zijn ten slotte geen redenen op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat het bovenstaande anders is omdat op 29 mei 2012 het proces-verbaal van de veiling, de akte van gunning en de akte van kwijting zijn ingeschreven in het hypotheekregister, gezien het bepaalde in artikel 525 Rv. Die betreffende bescheiden hebben in gevallen als dit geen andere functie dan een gebruikelijke notariële transportakte.

7.9

Al met al komt het hof tot de conclusie dat ook ten opzichte van veilingkoper [geïntimeerde] heeft te gelden dat 3L door de vernietiging van het vonnis van 16 februari 2011 door het arrest van dit hof van 16 juli 2013 3L nooit een executoriale titel heeft gehad op grond waarvan zij het weiland mocht veilen, zodat bij gebreke van beschikkingsbevoegdheid van de verkoper op de veiling [geïntimeerde] geen eigenaar is geworden van het weiland.

Daarmee slagen de grieven 1 tot en met 5.

7.10

Gelet op het vorenstaande heeft ook tussen [appellant] en [geïntimeerde] te gelden dat [appellant] ten tijde van het door hem, [appellant] , op 23 augustus 2013 gelegde beslag op het weiland, daarvan eigenaar was. Hij heeft dit beslag daarom rechtmatig gelegd. De reconventionele vorderingen van [geïntimeerde] , die allen zijn gegrond op zijn onjuiste stelling dat hij in mei 2012 eigenaar is geworden van het weiland, moeten daarom worden afgewezen. Daarmee behoeven de grieven 6 tot en met 10 geen afzonderlijke beoordeling.

Nu de reconventionele vordering van [geïntimeerde] slechts kan worden afgewezen, zal het hof de reconventie, waarin nog geen eindvonnis is gewezen, aan zich houden en de vordering aanstonds afdoen.

7.11

Al het vorenstaande leidt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [appellant] zal toewijzen, met dien verstande dat het hof [geïntimeerde] een redelijke termijn zal geven waarbinnen hij het weiland dient te ontruimen en dat het hof de door [appellant] gevorderde dwangsom zal matigen en maximeren. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden zal afwijzen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van dit hoger beroep.

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen op 23 juli 2014 in conventie en reconventie gewezen vonnis en doet opnieuw recht als volgt:

a. verklaart voor recht dat [appellant] eigenaar is van het weiland;

b. veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest aan hem het weiland te ontruimen en ontruimd te houden en ter beschikking te stellen van [appellant] , op verbeurte van een dwangsom van € 2.000,-, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 250.000,-;

c. verklaart waardeloos de inschrijving ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers op 29 mei 2012 om 09:00 uur in register Onroerende Zaken Hyp4 in deel 61507 nummer 80 van:
(i) de akte bijzondere veilingvoorwaarden beslagveiling, verleden door mr. [notaris 1] , notaris te [plaats 3] op 3 april 2012,
(ii) het proces-verbaal van beslagveiling van mr. [notaris 1] , notaris in de gemeente [plaats 3] , van 12 april 2012;
(iii) de akte van gunning, verleden door mr. [kandidaat-notaris] , kandidaat-notaris, als waarnemer van mr. [notaris 2] , notaris in de gemeente [plaats 4] , op 13 april 2012;
(iv) de akte van kwijting, verleden door mr. [notaris 3] , notaris in de gemeente [plaats 5] , op 25 mei 2012,

aangezien de desbetreffende executoriale verkoop was gebaseerd op het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van de rechtbank Maastricht van 16 februari 2011, welk vonnis echter nadien is vernietigd bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2013;

d . wijst af de vorderingen van [geïntimeerde] ;

e. veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 92,82 betekening dagvaarding, € 274,- aan griffierecht en € 904,- aan salaris advocaat in eerste aanleg, € 452,- kosten beslagexploot en € 89,33 kosten betekening beslagexploot en op € 308,- aan griffierecht, € 97,74 kosten betekening appeldagvaarding en op € 1.158,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

f. verklaart de in dit arrest uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

g. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 mei 2016.

griffier rolraadsheer