Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1887

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
15/00021
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2933
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende had wrakingsverzoek eerder kunnen en moeten indienen.

Bezwaar is te laat ingediend. Geen verschoonbaarheid termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1794
V-N 2016/44.14.1
FutD 2016-2046
FutD 2016-2047
NTFR 2016/2081
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00021

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg te Roermond (hierna: de Rechtbank) van 12 december 2014, nummer AWB/ROE 13/3916 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van het waterschap Roer en Overmaas,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 onder aanslagnummer [aanslagnummer] en met dagtekening 31 maart 2013 een aanslag waterschapsheffingen opgelegd, bestaande uit € 35,68 aan watersysteemheffing en € 149,19 aan zuiveringsheffing. Belanghebbende heeft bij brief van 12 augustus 2013 bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2013 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en ambtshalve besloten de aanslag te handhaven.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank (rechter A.W. Oosterman) heeft bij uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is belanghebbende in verzet gekomen. Het verzet is gegrond verklaard (rechter N.J.J. Derks-Voncken) en de Rechtbank heeft het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Awb werd gedaan. Vervolgens heeft de Rechtbank (rechter A.W. Oosterman) het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Heffingsambtenaar heeft bericht geen gebruik te maken van de uitnodiging een verweerschrift in te dienen.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 4 maart 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door mevrouw [B] , de moeder van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [C] .

1.5.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7.

Het Hof heeft in deze zaak op 18 maart 2016 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op diezelfde dag aan partijen verzonden. Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 29 april 2016 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Op 1 januari 2013 woonde belanghebbende met zijn partner op het adres [a-straat] 33 te [D] . Sinds 1 mei 2013 is hij als alleenstaande gaan wonen op het adres [b-straat] 10 te [woonplaats] .

2.2.

Voor het onderhavige jaar is de Verordening zuiveringsheffing 2009 van toepassing. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Artikel 3

1. Ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.

2. Aan de heffing worden onderworpen:

a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

(…)

Artikel 4

1. De heffing ter zake van woonruimten (…) is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.

2. Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.

3. Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.

4. Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.

5. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de gebruiker van een woonruimte binnen het gebied van het waterschap verhuist en daarbij weer het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens wordt geloosd.

(…)

Artikel 6

1. Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.

2. Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

(…)

Artikel 16

1. De vervuilingswaarde van een woonruimte is drie vervuilingseenheden indien die woonruimte bij het begin van het heffingsjaar of, indien de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt, bij de aanvang van de heffingsplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Voor een woonruimte die op genoemd tijdstip door één persoon wordt gebruikt, wordt op aanvraag van de gebruiker, de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld.

(…)”.

2.3.

Met dagtekening 31 maart 2013 is aan belanghebbende een aanslag waterschapsheffingen voor het jaar 2013 opgelegd. Het hierin begrepen bedrag aan zuiveringsheffing van € 149,19 is gebaseerd op drie vervuilingseenheden.

2.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 12 augustus 2013 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I: Is belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de aanslag?

II: Zo ja, is de aanslag tot een te hoog bedrag opgelegd?

III: Heeft de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Heffingsambtenaar, en vermindering van de aanslag met een bedrag van € 66,31. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

In zijn hogerberoepschrift klaagt belanghebbende over het feit dat rechter Oosterman, na de gegrondverklaring van het verzet tegen de door rechter Oosterman gedane uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Awb, de zaak wederom heeft behandeld en beslist. Belanghebbende wenst rechter Oosterman te wraken omdat naar zijn mening sprake is van een schijn van partijdigheid.

4.2.

Vaststaat dat belanghebbende bij de Rechtbank geen wrakingsverzoek heeft ingediend. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2005, nr. 40 066, ECLI:NL:HR:2005:AU7352, staat de omstandigheid dat bij de eerste rechter geen wrakingsverzoek is gedaan, niet eraan in de weg dat in de eerstvolgende instantie alsnog de onpartijdigheid van de betrokken rechter kan worden getoetst in het kader van een klacht over schending van het fundamentele recht op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter. Dit is anders indien belanghebbende kan worden tegengeworpen dat hij eerder een wrakingsverzoek had kunnen en moeten doen (vergelijk Hoge Raad 21 december 2001, nr. 36 314, ECLI:NL:HR:2001:AD7580).

4.3.

Belanghebbende is bij brief van 11 november 2014 uitgenodigd voor de zitting van de Rechtbank op 4 december 2014. In de uitnodiging is vermeld dat de behandelend rechter mr. A.W. Oosterman betreft. Belanghebbende had derhalve kunnen weten dat de zaak, na de gegrondverklaring van het verzet, wederom door rechter Oosterman zou worden behandeld. Daarvan uitgaande had belanghebbende een wrakingsverzoek bij de Rechtbank kunnen en moeten indienen, zo niet na ontvangst van de uitnodiging dan wel ter zitting. Door dit na te laten is het niet mogelijk om de onpartijdigheid van de rechter in eerste aanleg in hoger beroep aan een toets te onderwerpen. Dat belanghebbende, zoals hij ter zitting heeft verklaard, bij ontvangst van de uitnodiging, dan wel ter zitting, zich niet realiseerde dat de behandelend rechter dezelfde was als de rechter die de uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Awb had gedaan, doet aan het vorenstaande niet af. Overigens heeft belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard er geen punt van te willen blijven maken en geen prijs te stellen op terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank ter behandeling door een andere rechter dan Oosterman.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.4

Primair is in geschil of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen de aanslag. De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vangt aan op de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet – tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking - en bedraagt zes weken. Het aanslagbiljet is op 31 maart 2013 naar belanghebbende verzonden zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 13 mei 2013. Het bezwaarschrift is gedagtekend 12 augustus 2013 en is op 13 augustus 2013 door de Heffingsambtenaar ontvangen. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

4.5.

Niet-ontvankelijkverklaring wegens het te laat indienen van het bezwaarschrift kan, op grond van artikel 6:11 van de Awb, achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot het te laat indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.

4.6.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij begin mei 2013, in ieder geval binnen de bezwaartermijn, heeft gebeld met het waterschap en zijn bezwaren tegen de aanslag kenbaar heeft gemaakt. De medewerker zou – aldus belanghebbende hebben beweerd dat bezwaar maken in de situatie van belanghebbende geen zin had.

4.7.

De Heffingsambtenaar ontkent dat er begin mei 2013 telefonisch contact is geweest tussen belanghebbende en een medewerker van het waterschap. De Heffingsambtenaar heeft verklaard dat alle gevoerde telefoongesprekken worden geregistreerd en dat er geen telefoongesprek in mei 2013 van belanghebbende is geregistreerd. Het eerste telefonisch contact is blijkens dit registratiesysteem geweest ’s ochtends op 30 juli 2013.

4.8.

Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat hij zelf jaren werkzaam is geweest bij een waterschap en dat hij zich ter zake kundig acht. Hij was het met belanghebbende eens dat de aanslag verminderd moest worden en heeft hem toen geadviseerd te bellen met het waterschap om zijn bezwaren tegen de aanslag kenbaar te maken. Gemachtigde is vervolgens op vakantie gegaan. Na terugkomst heeft hij belanghebbende wederom geadviseerd te bellen met het waterschap, hetgeen hij op 30 juli 2013 heeft gedaan. Toen men de aanslag niet wilde verminderen heeft gemachtigde vervolgens bij brief van 12 augustus 2013 namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

4.9.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Heffingsambtenaar heeft belanghebbende zijn stelling dat hij binnen de bezwaartermijn telefonisch bezwaar heeft gemaakt naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat belanghebbende, die wist dat binnen zes weken bezwaar gemaakt diende te worden, werd begeleid door een gemachtigde die volgens zijn eigen verklaring ter zake kundig is. Onder die omstandigheden had belanghebbende binnen de bezwaartermijn schriftelijk bezwaar kunnen en moeten maken. Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb is naar het oordeel van het Hof derhalve geen sprake.

4.10.

Uit het vorenoverwogene volgt dat vraag I ontkennend moet worden beantwoord.

Vraag II

4.11.

Gelet op het ontkennende antwoord op vraag I komt het Hof niet toe aan behandeling van vraag II.

Vraag III

4.12.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank belanghebbende ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten van het geding bij de Rechtbank. Nu het verzet tegen de uitspraak op grond van artikel 8:54 Awb gegrond werd verklaard en belanghebbende kosten had gemaakt voor het bijwonen van de zitting in die verzetzaak, had in de uitspraak op verzet, dan wel in de uitspraak waarin na de gegrondverklaring van het verzet op het beroep werd beslist, een veroordeling in de proceskosten wegens de gegrondverklaring van het verzet dienen te worden opgenomen (vgl. Hoge Raad 12 februari 2016, nr. 15/05401, ECLI:NL:HR:2016:225).

4.13.

Hieruit volgt dat vraag III bevestigend moet worden beantwoord.

Slotsom

4.14.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, uitsluitend voor zover daarbij geen vergoeding van de proceskosten is toegekend.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Onder 4.12. heeft het Hof overwogen dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de verzetzaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de uitspraak van de Rechtbank om die reden moet worden vernietigd, acht het Hof tevens termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een vergoeding in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.17.

De gemachtigde van belanghebbende heeft dienaangaande verklaard veel proceskosten te hebben gemaakt. Het Hof stelt voorop dat een veroordeling in de proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben op de in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) genoemde kosten. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde verklaard de door hem en door mevrouw [B] gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zittingen vergoed te willen hebben. Op grond van artikel 1, onderdeel c, van het Besluit kunnen de reiskosten van een partij of een belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komen. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting aangegeven zich te kunnen vinden in een vergoeding voor de reiskosten voor het bijwonen van de zittingen door zowel de gemachtigde als mevrouw [B] . Het Hof merkt hierbij op dat het uitsluitend de zitting in de verzetzaak (omdat het verzet gegrond is verklaard) en de zitting bij het Hof (omdat het hoger beroep gegrond is) betreft. Voor de gemaakte reiskosten voor de zitting bij de Rechtbank op 4 december 2015 wordt geen tegemoetkoming verleend, nu het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond is verklaard en het Hof dit oordeel in hoger beroep bevestigt.

4.18.

Het Hof stelt de door de Heffingsambtenaar te vergoeden kosten voor het bijwonen van de zitting in Roermond en de zitting in ’s-Hertogenbosch door gemachtigde en mevrouw [B] , mede gelet op het bepaalde in het Besluit, vast op basis van openbaar vervoer tweede klasse [E] -Roermond v.v. respectievelijk [E] -’s-Hertogenbosch v.v., op 2 (personen) x 2 (heen- en terugreis naar/van Roermond) x € 20,29 is € 81,16 en 2 (personen) x 2 (heen- en terugreis ‘s-Hertogenbosch) x € 7,89 is € 31,56, in totaal derhalve € 112,72.

4.19.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarbij geen vergoeding voor de gemaakte proceskosten is toegekend;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende tot een bedrag van, in totaal, € 112,72;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 vergoedt.

Aldus gedaan op 13 mei 2016 door A.J. Kromhout, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. Afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage.