Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1868

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
200 184 706_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorgregeling;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 mei 2016

Zaaknummer: 200.184.706/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/304278 JE RK 15-1692

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.J. Bronsveld,

tegen

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,

verweerster,

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- de heer [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 oktober 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 januari 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat er contact zal plaatsvinden tussen de moeder en [minderjarige] elke twee weken gedurende twee uren, in onderling overleg te bepalen op zaterdag of zondag, waarna deze regeling elke twee daarop volgende maanden met twee uur wordt uitgebreid totdat de oorspronkelijke contactregeling is hersteld;

- dan wel een omgangsregeling te bepalen, waarbij opgebouwd zal worden naar een volwaardige omgangsregeling zoals tussen de moeder en [minderjarige] alstoen gebruikelijk is geweest;

- en voorts over te gaan tot benoeming van een bijzondere curator in het kader van deze procedure, voorafgaande aan een te entameren mondelinge behandeling.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 maart 2016, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 april 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Bronsveld;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2] .

2.3.1.

De vader heeft het hof bericht dat hij niet ter zitting zal verschijnen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 2 maart 2016. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 5 februari 2016;

  • -

    de brief van de vader d.d. 2 maart 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het in 2005 ontbonden huwelijk tussen de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren.

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vader.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 25 april 2007 onder toezicht van de GI. Bij beschikking van 20 april 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 april 2016.

3.3.1.

Bij beschikking van 25 mei 2010 heeft de rechtbank Breda een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven.

3.3.2.

Bij beschikking van 4 oktober 2011 heeft de rechtbank Breda met wijziging van voornoemde beschikking van 25 mei 2010 een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven.

3.3.3.

Bij beschikking van 29 maart 2012, zoals geherformuleerd bij beschikking van 5 juli 2012, heeft dit gerechtshof voornoemde beschikking van 4 oktober 2011 vernietigd en een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven.

3.3.4.

Bij beschikking van 2 september 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, voornoemde beschikking van dit gerechtshof gewijzigd en bepaald, uitvoerbaar bij voorraad, dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar éénmaal per twee weken in het weekend, in onderling overleg vast te stellen op zaterdag of zondag.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op een daartoe strekkend, ter zitting gewijzigd verzoek van de moeder, met wijziging in zoverre van voornoemde beschikking van 2 september 2013, bepaald dat de [minderjarige] en de moeder in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eens per drie maanden in eerste instantie onder begeleiding van de gezinsvoogd en daarnaast op een in nader overleg tussen [minderjarige] , de gezinsvoogd en de moeder in te vullen wijze.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De rechtbank miskent het belang van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] . De door de rechtbank vastgestelde minimale regeling kan niet in het belang van [minderjarige] zijn. Uit zijn verklaringen blijkt dat hij behoefte heeft aan contact met de moeder.

Bijna drie maanden na de bestreden beschikking zijn er geen initiatieven ontplooid zijdens de jeugdbeschermer om tot een contactregeling te komen. De raadsrapportage waarop de rechtbank zich beroept, is verouderd en geeft mede gezien de ontwikkeling en leeftijd van [minderjarige] geen accuraat en betrouwbaar beeld.

De moeder acht het in de rede liggen dat het hof overgaat tot de benoeming van een bijzondere curator, teneinde de belangen van [minderjarige] optimaal te kunnen waarderen op basis van de behoefte en het belang van [minderjarige] ten aanzien van een ongehinderd, onbegeleid contact met de moeder. Juist omdat er in het verleden al zoveel procedures zijn gevoerd en er mogelijk sprake is van een ernstige loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige] , is het van belang dat [minderjarige] een duidelijke stem in dit geheel naar voren kan brengen, zonder daarbij gehinderd te worden door externe factoren die daarbij leidend zullen zijn in zijn ideeën over omgang met de moeder.

3.7.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft het belang van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder wel onderkend, maar in het belang van [minderjarige] een andere duur en frequentie bepaald dan door de moeder verzocht.

Anders dan de moeder stelt, heeft de GI wel degelijk initiatieven ontplooid om tot een contactregeling te komen. Echter de moeder heeft daarop afwijzend gereageerd.

[minderjarige] heeft in het verleden veel negatieve ervaringen gehad in het contact met de moeder, reden waarom hij het laatste jaar niet zoveel behoefte had aan contact met haar. In de hoop positieve ervaringen met de moeder op te doen, heeft [minderjarige] zich toch weer bereid getoond mee te werken aan een voorzichtige opbouw van het contact. Hij wilde graag met ondersteuning van de jeugdbeschermer invulling geven aan de uitspraak van de rechtbank. Op de afwijzende reactie van de moeder op het contactvoorstel van de GI heeft [minderjarige] boos, teleurgesteld en verdrietig gereageerd. De moeder heeft (wederom) bij [minderjarige] veel onrust en onzekerheid teweeg gebracht. De GI acht het niet in het belang van [minderjarige] dat thans een uitgebreidere regeling wordt vastgelegd zoals in hoger beroep door de moeder is verzocht. Voor [minderjarige] staat vast dat hij daartoe geen ruimte en vertrouwen heeft.

De GI heeft niet de indruk dat [minderjarige] kampt met een innerlijke strijd en dat hetgeen hij standvastig aangeeft niet van hemzelf afkomstig is. Aldus is geen sprake van een situatie die maakt dat benoeming van een bijzondere curator nodig is.

3.8.

De vader heeft in voornoemde brief d.d. 2 maart 2016 naar voren gebracht dat hij van mening is dat de moeder de mening van [minderjarige] niet respecteert. Voorts stelt hij onder meer dat de moeder geen enkele poging doet tot het organiseren van contact.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.10.

Ingevolge artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Lid 2 bepaalt dat de kinderrechter, voor zover hier van belang, op verzoek van een met het gezag belaste ouder en de gecertificeerde instelling de in het eerste lid genoemde beslissing kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

Het hof stelt vast dat niet wordt betwist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in voormelde zin, zodat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek.

3.11.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank bepaalde regeling omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van [minderjarige] is. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.11.1.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat sinds partijen in 2005 zijn gescheiden er diverse procedures zijn gevoerd over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders. De verhouding tussen de ouders is fors verstoord. De ouders communiceren niet met elkaar en zijn niet in staat met elkaar afspraken over [minderjarige] te maken. In verband met deze ouderstrijd is [minderjarige] in 2007 onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 2 september 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de toen lopende contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] niet langer in het belang van [minderjarige] geacht, omdat de moeder [minderjarige] tijdens de contactmomenten belastte met volwassenenproblematiek. Het is duidelijk dat [minderjarige] hier last van heeft (gehad). Als gevolg hiervan bestaat thans geen contact van betekenis meer tussen [minderjarige] en de moeder.

In gesprekken met de gezinsvoogd alsook in het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] duidelijk aangegeven open te staan voor een hernieuwd contact met de moeder, doch, gezien zijn negatieve ervaringen in het verleden, uitsluitend op de wijze zoals door de rechtbank bij de bestreden beschikking is bepaald: eens per drie maanden in eerste instantie onder begeleiding van de gezinsvoogd en daarnaast op een in nader overleg tussen [minderjarige] , de gezinsvoogd en de moeder in te vullen wijze.

Uit het verweerschrift van de GI en de behandeling ter zitting is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken, dat de GI na de bestreden beschikking meerdere initiatieven heeft genomen om tot een contactregeling te komen tussen de moeder en [minderjarige] . De afwijzende reactie van de moeder hierop, wat hiervan de reden ook moge zijn, is voor [minderjarige] niet te begrijpen en, zo de GI heeft aangegeven, ook hard bij hem aangekomen.

[minderjarige] is standvastig gebleken in zijn standpunt geen contact op frequente basis met de moeder te willen hebben. In zijn brief aan het hof heeft hij zich daaromtrent in gelijke zin uitgelaten, waarbij hij tevens heeft aangegeven heel blij te zijn met de uitspraak van de rechtbank. Gelet op de zwaarwegende bezwaren van [minderjarige] tegen de door de moeder verzochte contactregeling, zal het hof dit verzoek dan ook afwijzen.

3.11.2.

Nu al diverse procedures zijn gevolgd en er mogelijk sprake is van een ernstige loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige] acht de moeder de benoeming van een bijzondere curator van belang, zodat [minderjarige] een duidelijke stem naar voren kan brengen, zonder gehinderd te worden door externe factoren die daarbij leidend zullen zijn in zijn ideeën over het contact met de moeder.
De rechter kan, in het geval van een belangenstrijd betreffende de verzorging en opvoeding tussen degene die het gezag uitoefent en de minderjarige, een bijzondere curator benoemen om de minderjarige te vertegenwoordigen, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht.
Naar het oordeel van het hof heeft de moeder in deze niet aannemelijk gemaakt en is het hof ook anderszins niet gebleken dat benoeming van een bijzondere curator in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof overweegt daarbij dat [minderjarige] in de diverse procedures steeds in staat is gesteld als ook in staat is geweest zijn stem duidelijk naar voren te brengen. [minderjarige] is inmiddels 15 jaar oud en is standvastig en consequent in zijn mening over het contact met zijn moeder. Daarbij komt dat [minderjarige] sinds 2007 onder toezicht staat en de jeugdbeschermer, die vanuit de GI is aangesteld, een neutrale persoon is die tot taak heeft de belangen van [minderjarige] te behartigen. De jeugdbeschermer is in gesprek met [minderjarige] en zij is er (mede) op gericht een positief contact tussen hem en de moeder te bewerkstelligen. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de stem van [minderjarige] onvoldoende voor het voetlicht wordt gebracht. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen.

3.12.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 oktober 2015;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.D.M. Lamers en H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2016.