Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1867

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
200 179 069_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 mei 2016

Zaaknummer: 200.179.069/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/204937 / FA RK 15-1205

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.D. Jongen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.P.F. Rober.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 juli 2015 en naar de beschikking van die rechtbank van 6 mei 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 oktober 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 21 juli 2015 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming om [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , te erkennen alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 november 2015, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, desnoods met verbetering en/of aanvulling van de gronden.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Jongen;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Rober;

  • -

    de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de bijzondere curator mr. J.F.C. Eliëns.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 7 juli 2015;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 5 november 2015;

  • -

    het verslag van de bijzondere curator d.d. 3 december 2015;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 6 januari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie is geboren: [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

De moeder oefent van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] woont bij de moeder.

3.2.

Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie op 15 april 2015, heeft de man zich tot de rechtbank gewend met het verzoek hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [minderjarige] .

3.3.

Bij beschikking van 6 mei 2015 heeft de rechtbank mr. J.F.C. Eliëns benoemd tot bijzondere curator voor [minderjarige] teneinde haar als belanghebbende te vertegenwoordigen ter zake van het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning.

3.4.

Bij de bestreden beschikking van 21 juli 2015 heeft de rechtbank de man toestemming verleend, ter vervanging van de toestemming van de moeder, tot erkenning van [minderjarige] .

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert - samengevat weergegeven - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte de stellingen van de moeder onvoldoende onderbouwd geacht en ten onrechte overwogen dat het op de weg van de moeder had gelegen om inzicht te geven in haar psychische belasting en draagkracht en de mogelijke invloed daarvan op de opvoeding van [minderjarige] . De moeder is in eerste aanleg immers niet in de gelegenheid geweest om een dergelijk inzicht te verschaffen. Zodra het verzoek tot erkenning zich aandiende, is de moeder met haar uit dat verzoek voortvloeiende klachten naar de huisarts gegaan en deze heeft de moeder medio juni 2015 voor deze klachten doorverwezen naar een psycholoog. Op 7 juli 2015, toen de mondelinge behandeling in eerste aanleg plaatsvond, was er nog geen onderzoek gedaan naar de psychische belasting en de draagkracht van de moeder.

De moeder heeft onder behandeling gestaan van een psycholoog, maar deze behandeling is beëindigd vanwege de daaraan verbonden kosten. De moeder heeft thans nog gesprekken met haar huisarts.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de bezwaren van de moeder in feite te herleiden zijn tot emotionele weerstand tegen de erkenning. Zoals uit de verklaring van de psycholoog die de moeder heeft behandeld blijkt, veroorzaakt de mogelijke erkenning van [minderjarige] door de man veel stress, depressieve gevoelens en angst bij de moeder. Deze angst is reëel. Het door de man jegens de moeder gepleegde geweld tijdens de relatie heeft veel invloed gehad op de moeder. De spanningen die een erkenning bij de moeder teweeg zal brengen, zullen onvermijdelijk hun weerslag hebben op [minderjarige] en haar band met de moeder.

De moeder wijst erop dat de man inmiddels een verzoek bij de rechtbank heeft ingediend tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] . De moeder is van mening dat het feit dat de erkenning er toe zal leiden dat de man zijn rechten zal doen gelden, ongeacht of dit van negatieve invloed is op [minderjarige] , moet worden meegewogen in de te verrichten belangenafweging bij de erkenning.

De moeder voert ten slotte aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] of de belangen van [minderjarige] worden geschaad. De moeder doet in dit verband een beroep op de verklaring van de psycholoog die haar behandelt. Voorts heeft de rechtbank volgens de moeder ten onrechte niet meegewogen dat de man lange tijd niets met [minderjarige] te maken heeft willen hebben. Dit gedrag van de man heeft namelijk de angst en de stress bij de moeder verhevigd. De rechtbank is tevens ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat [minderjarige] de man niet ziet als haar vader, maar als een vreemde.

3.7.

De man stelt zich - samengevat weergegeven - op het standpunt dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de moeder op het moment dat het verzoekschrift werd ingediend psychische klachten heeft gekregen die van invloed zijn op de opvoeding van [minderjarige] , temeer niet nu de moeder op de zitting van de rechtbank heeft verklaard dat “het niks met erkenning heeft te maken maar met de omgang”.

De man ontkent dat hij een agressief persoon is. Hij is nooit voor mishandeling veroordeeld. Ook betwist de man dat het in de relatie van partijen alleen maar kommer en kwel is geweest. De relatie tussen partijen moge wellicht turbulent zijn geweest en het is mogelijk dat de moeder de man is gaan wantrouwen, maar dit staat niet zonder meer aan de erkenning in de weg.

De man heeft wel degelijk bij de moeder geïnformeerd naar de ontwikkeling van [minderjarige] , maar hij heeft van de moeder nooit enige reactie gekregen.

3.8.

De bijzondere curator heeft ter zitting van het hof geadviseerd het hoger beroep van de moeder af te wijzen. De door de moeder overgelegde verklaring van haar behandelend psycholoog is speculatief waar het betreft de gevolgen van een erkenning voor het welzijn van de moeder en de opvoeding van [minderjarige] .

3.9.

De raad heeft zich ter zitting aangesloten bij het advies van de bijzondere curator.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan – voor zover hier van belang – de toestemming tot erkenning van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:

a. de verwekker van het kind is, of

b. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

3.10.2.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige] .

3.10.3.

Het hof overweegt dat bij de beoordeling of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind zal schaden en of door erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, de te respecteren belangen van alle betrokkenen in aanmerking dienen te worden genomen.

Hierbij is het uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten. Door het hof zal de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is in artikel 1:204, derde lid, BW nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met het kind. Wanneer de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning, is dit op zichzelf onvoldoende grond de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan echter anders zijn indien de weerstand van de moeder zodanig is dat deze belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind.

Van schade aan de belangen van het kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer mogelijk kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat moet worden geacht het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Het enkele feit dat het kind van de erkenning (enige) weerslag kan ondervinden in zijn of haar gezinsleven met de moeder, kan niet worden aanvaard als zodanige schade aan de belangen van het kind dat zulks aan de erkenning in de weg staat.

3.10.4.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft als uitgangspunt te gelden dat [minderjarige] en de man er beiden belang bij hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking.

Het hof is van oordeel dat de moeder niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat de erkenning van [minderjarige] door de man de ongestoorde verhouding van de moeder tot [minderjarige] zodanig zou schaden, dan wel dat er een reëel risico hierop zou bestaan, dat daardoor de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang zou kunnen komen.

De moeder is in behandeling geweest bij een psycholoog, mevrouw [psycholoog] . Thans heeft de moeder nog gesprekken met haar huisarts. Op grond van het in hoger beroep door de moeder overgelegde verslag van mevrouw [psycholoog] van 11 oktober 2015 stelt het hof vast dat bij de moeder destijds sprake was van verschillende lichamelijke (slecht slapen, weinig energie) en depressieve klachten die werden veroorzaakt door angst die de moeder ervaarde in relatie tot de mogelijke erkenning van [minderjarige] door de man en de eventuele omgang tussen de man en [minderjarige] . Het hof stelt voorts vast dat de moeder zich al in december 2014 tot mevrouw [psycholoog] heeft gewend met depressieve klachten, die - zo stelt de moeder - waren terug te voeren op haar relatie met de man.

Het hof leest in voormeld verslag van mevrouw [psycholoog] dat het niet onrealistisch is dat de moeder bij erkenning niet meer voldoende in staat zal zijn zich te richten op het welzijn van zichzelf of van [minderjarige] . Het hof is evenwel van oordeel dat uit genoemd verslag in onvoldoende mate valt af te leiden dat te verwachten is dat de moeder door de erkenning in een zodanige onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij ten gevolge hiervan niet meer in staat is om [minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. De moeder heeft ook zelf ter zitting van het hof verklaard dat zij, ondanks de ervaren stress, de opvoeding van [minderjarige] aan kan.

Het hof kan enkel vaststellen dat de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning van [minderjarige] door de man en dat zij mede in verband hiermee een beroep op deskundige hulp heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de moeder met behulp van de hulpverlening haar weerstand en negatieve gevoelens ten opzichte van de erkenning niet zodanig zou kunnen leren beheersen dat [minderjarige] hier geen nadelige gevolgen van ondervindt. Uit de verklaring van de moeder tijdens de mondelinge behandeling van het hof blijkt dat het met [minderjarige] goed gaat. Dat de erkenning enige weerslag op [minderjarige] zal hebben, is te verwachten, maar er is geen aanwijzing dat hierdoor de belangen van [minderjarige] in zodanige mate zullen worden geschaad dat zulks aan de erkenning van [minderjarige] in de weg staat.

Daarbij komt dat het hof ervan uit gaat dat de moeder door haar huisarts wordt begeleid in het beheersen van haar angstgevoelens.

Zelfs al zouden de beschuldigingen van de moeder aan het adres van de man geheel of gedeeltelijk gegrond zijn, dan nog acht het hof deze onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de erkenning de ongestoorde verhouding van de moeder met [minderjarige] in belangrijke mate zal schaden dan wel dat deze erkenning door de man anderszins zodanig negatieve gevolgen zal hebben voor [minderjarige] dat aangenomen moet worden dat de erkenning aan de evenwichtige ontwikkeling van [minderjarige] in de weg zal staan.

3.11.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 juli 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld - van der Slikke, C.A.R.M. van Leuven en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2016.