Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1787

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
20-001435-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor opzettelijke en culpoze brandstichting.

Nu de lezing van verdachte op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet in afdoende mate wordt weerlegd is bij het hof twijfel blijven bestaan met betrekking tot de vraag of verdachte opzettelijk brand heeft gesticht.

Of sprake is van schuld in strafrechtelijke zin, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is voorts afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van de gedragingen kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Het hof benadrukt dat dus niet reeds elke onbedachtzaamheid, onvoorzichtigheid of onoplettendheid tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leidt. Daarvan kan pas sprake zijn, indien de 'ondergrens' van de aanmerkelijke onachtzaamheid en/of onvoorzichtigheid door het handelen is overschreden.

Naar het oordeel van het hof kan schuld in de zin van art 158 Sr niet bewezen worden, in het licht van het vorenoverwogene omtrent de bewijswaarheid van een culpoos delict. Verdachte zal daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001435-15

Uitspraak : 29 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 17 april 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-700576-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986 ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – de hem primair ten laste gelegde opzettelijke brandstichting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en ambulante behandeling in een forensische zorginstelling.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarden het door de rechtbank opgelegde reclasseringstoezicht en het volgen van een ambulante behandeling.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit, zowel van het primair ten laste gelegde (opzettelijke brandstichting) als van het subsidiair ten laste gelegde (brand, aan zijn schuld te wijten).

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 oktober 2014 in de gemeente Brunssum opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan [adres] , immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met bio-ethanol en/of met spiritus en/of met één of meer vuilniszakken, in elk geval met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die vuilniszakken en/of een keukenblok geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor omwonenden en/of de zich in die belendende percelen bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 03 oktober 2014 in de gemeente Brunssum, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, (in een woning gelegen aan [adres] ) een brandende sigaret, althans (open) vuur, in aanraking heeft gebracht met bio-ethanol en/of met spiritus en/of met één of meer vuilniszakken, in elk geval met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, en hij, verdachte, vervolgens de woning heeft verlaten, terwijl deze brand niet of onvoldoende was gedoofd, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die vuilniszakken en/of een keukenblok geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of voor belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor omwonenden en/of de zich in die belendende percelen bevindende perso(o)n(en), is ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof stelt vast dat op de ten laste gelegde datum in de toenmalige woning van verdachte brand is ontstaan. Verdachte is de laatste die in de woning is geweest voor het moment dat de brand werd gemeld.

Overwegingen met betrekking tot het primair ten laste gelegde

Verdachte heeft over het ontstaan van de brand – kort gezegd – verklaard dat hij met een vuilniszak in zijn hand en een sigaret in zijn mond in de ruimte kwam waar later brand is ontstaan. Hij trapte tegen een openstaand keukenkastje om het te sluiten en hoorde dat er een fles (naar later bleek: gevuld met bio-ethanol) omviel in dat kastje. Daarop bukte verdachte voor het keukenkastje om de fles te pakken, waarbij er as van zijn sigaret op de grond viel - kennelijk in de uit de fles gelekte bio-ethanol - waarna er een steekvlam ontstond. Verdachte schrok daar naar zijn zeggen zo van dat hij ook nog heeft geknoeid met de fles bio-ethanol die hij nog in zijn hand had, waarna een brandje voor het keukenkastje ontstond. Verdachte verklaarde voorts dat hij het brandje heeft uitgetrapt en keukenpapier heeft gebruikt om de gelekte vloeistof te bedekken en dat hij later terug zou komen om op te ruimen.

Verdachte heeft geen verklaring kunnen geven voor de brand die in het keukenkastje heeft gewoed en evenmin voor de brand in de twee vuilniszakken, die zich in dezelfde ruimte bevonden, anders dan dat het vuur zich via het keukenpapier heeft verspreid.

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek (pagina 34 e.v. van het dossier van politie eenheid Limburg, recherche Parkstad met nummer 2014115180-16, hierna te noemen: het politiedossier) blijkt dat in een kastje (het hof begrijpt: keukenkastje) onder de wasbak een brandhaard is geconstateerd. Op de vloer van de ruimte zijn twee stapels (het hof begrijpt: bestaande uit) groene vuilniszakken gevuld met huisvuil aangetroffen, die waren aangetast door brand. In deze vuilniszakken zijn na onderzoek geen brandversnellende middelen aangetroffen. Samengevat wordt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , elk zijnde forensisch onderzoeker, geconcludeerd dat de brand zeer waarschijnlijk op drie afzonderlijke plaatsen is ontstaan. De brand in het keukenkastje staat volgens de onderzoekers los van de brand in de vuilniszakken, terwijl de brandjes in de twee vuilniszakken zeer waarschijnlijk eveneens los van elkaar staan.

Om de verklaring van verdachte te controleren op aannemelijkheid is door voornoemde [verbalisant 2] een brandproef uitgevoerd (pagina 52 e.v. van het politiedossier). Uit het betreffende proces-verbaal blijkt dat er drie opstellingen zijn gemaakt, waarna werd geconcludeerd dat het niet mogelijk is om met een sigaret bio-ethanol tot ontbranding te brengen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren de aan verdachte primair ten laste gelegde opzettelijke brandstichting. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er sprake is van drie afzonderlijke brandhaarden waarvan het ontstaan niet kan worden verklaard. De advocaat-generaal bestrijdt de lezing van verdachte en stelt dat die weerlegd wordt door hetgeen uit het technisch onderzoek naar voren is gekomen.

De raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kwaliteit van de uitgevoerde brandproef onvoldoende is, zodat deze niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Volgens de raadsman is de proefopstelling niet vergelijkbaar met de situatie waarover verdachte heeft verklaard, omdat is uitgegaan van de situatie dat de brand heeft gewoed in het keukenkastje, terwijl verdachte heeft verklaard dat de brand is ontstaan voor het keukenkastje. Daarnaast zijn de afzonderlijke proeven slechts eenmaal uitgevoerd en niet bij herhaling, hetgeen de betrouwbaarheid aantast. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt voorts niet welke hoeveelheid ethanol is gebruikt en is nagelaten te beproeven of bio-ethanol ontbrandt wanneer deze in aanraking komt met een askegel van een sigaret in plaats van met as.

Het ontstaan van drie afzonderlijke brandhaarden is volgens de raadsman verklaarbaar omdat verdachte keukenpapier heeft gebruikt. De brand heeft zich daardoor kunnen verspreiden.

Het hof is van oordeel dat de uitgevoerde brandproeven en de daaraan verbonden conclusie niet doorslaggevend kunnen zijn ter weerlegging van de lezing van de verdachte over de loop van de gebeurtenissen. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de opstelling op grond waarvan de conclusie is getrokken dat bio-ethanol niet tot ontbranding kan worden gebracht met een sigaret, niet één op één te vergelijken is met de situatie zoals verdachte die heeft geschetst, namelijk dat de brand is ontstaan vóór het keukenkastje en niet in het kastje.

Evenmin kan naar het oordeel van het hof doorslaggevend zijn dat volgens het proces-verbaal van bevindingen sporenonderzoek, sprake is van drie afzonderlijke brandhaarden. De verdediging heeft daaromtrent naar voren gebracht dat het vuur zich mogelijkerwijs heeft kunnen verspreiden als gevolg van het door verdachte gebruikte keukenpapier, waarbij is uiteengezet waarom logischerwijs ter plaatse geen papierresten zijn aangetroffen.

Nu de lezing van verdachte op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet in afdoende mate wordt weerlegd is bij het hof twijfel blijven bestaan met betrekking tot de vraag of verdachte opzettelijk brand heeft gesticht. Derhalve dient het hof tot de conclusie te komen dat het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van opzettelijke brandstichting.

Overwegingen met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde

Vervolgens komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of hetgeen subsidiair aan verdachte ten laste is gelegd bewezen kan worden, te weten brand door schuld. Onder schuld als delictsbestanddeel wordt volgens vaste jurisprudentie verstaan een min of meer grove of aanmerkelijke schuld. Of sprake is van schuld in strafrechtelijke zin, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is voorts afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van de gedragingen kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Het hof benadrukt dat dus niet reeds elke onbedachtzaamheid, onvoorzichtigheid of onoplettendheid tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leidt. Daarvan kan pas sprake zijn, indien de 'ondergrens' van de aanmerkelijke onachtzaamheid en/of onvoorzichtigheid door het handelen is overschreden.

Het hof gaat voor de beoordeling van de vraag of verdachte aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig heeft gehandeld uit van verdachtes eigen lezing over de loop van de gebeurtenissen. Verdachte heeft verklaard dat hij de brand voor het keukenkastje heeft uitgetrapt, dat hij de gelekte vloeistof heeft gedept met keukenpapier en dat hij heeft waargenomen dat de brand uit was, toen hij het pand verliet. Naar het oordeel van het hof kan schuld in de zin van artikel 158 van het Wetboek van Strafrecht onder die omstandigheden niet bewezen worden, in het licht van het vorenoverwogene omtrent de bewijswaarheid van een culpoos delict. Verdachte zal daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. M. Rutgers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman-Dieleman, griffier,

en op 29 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.