Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1780

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
200.186.872/01, 200.186.873/01 en 200.186.880/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:664
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

contactregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 28 april 2016

Zaaknummers: 200.186.872/01, 200.186.873/01en 200.186.880/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/308320 / FA RK 15-7780

in de zaken in hoger beroep van:

[appellante] ,

verblijvende te [verblijfplaats] ,

appellante in alle hierboven genoemde zaken,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in alle hierboven genoemde zaken,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.G.M. Schuman.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedures gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [locatie] , hierna: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 januari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaken met zaaknummer 200.186.872/01 en 200.186.873/01

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 maart 2016, en bij gecorrigeerd beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 maart 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking, naar het hof begrijpt met uitzondering van de echtscheiding, te vernietigen en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

• het huurrecht van de echtelijke woning, gelegen aan het [adres] , [postcode] [plaats]

aan de moeder toe te wijzen;

• te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de hierna te noemen minderjarige kinderen van partijen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder zal zijn;

• een zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen in die zin dat de kinderen een weekend per twee weken bij de vader zullen zijn;

• te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten verzorging van de kinderen een nader door de moeder te verzoeken bedrag zal voldoen, dan wel een bedrag van € 250,- per maand per kind.

Subsidiair:

in het geval het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader zal zijn:

• een zorg- en contactregeling vast te stellen in die zin dat [minderjarige 2] een week van de twee

weken bij de vader verblijft en een week bij de moeder;

• te bepalen dat de moeder aan de vader geen bijdrage kan voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Meer subsidiair:

• een zorg- en contactregeling vast te stellen in die zin dat [minderjarige 2] een weekend in de twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend bij de moeder zal zijn.

Uiterst subsidiair:

• een zorg- en contactregeling vaststellen tussen de moeder en [minderjarige 2] die het hof juist acht.

In de zaak met zaaknummer 200.186.880/01

2.2.

Bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen in appel met producties, ingekomen ter griffie op 7 maart 2016, heeft de moeder verzocht, voor de duur van het geding, althans voor de periode dat op het beroepschrift niet onherroepelijk is beslist, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met behulp van de sterke arm van politie en justitie:

a. te bepalen dat de moeder bij uitsluiting van de vader gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] te [postcode] [plaats] , met bevel dat de vader deze woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;

b. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de moeder toe te vertrouwen;

c. te bepalen dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet voldoen een nader te verzoeken bedrag dan wel een bedrag van € 250,- per maand per kind;

d. een zorg- en contactregeling vast te stellen in die zin dat de vader eenmaal per twee weken een weekend omgang heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

In het geval [minderjarige 2] aan de vader zal worden toevertrouwd, subsidiair:

a. een zorg- en contactregeling vast te stellen in die zin [minderjarige 2] een week bij de vader verblijft en de week daaropvolgend bij de moeder.

Meer subsidiair: een zorg- en contactregeling vast te stellen in die zin dat [minderjarige 2] een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend bij de moeder zal zijn.

Uiterst subsidiair: een zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige 2] die het hof in het belang van [minderjarige 2] juist acht.

2.3.

Bij verweerschrift voorlopige voorzieningen in appel met producties, ingekomen ter griffie op 25 maart 2016, heeft de vader verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen.

2.4.

Deze zaken zijn ter griffie ingeschreven als volgt.

In de bodemzaken: het hoofdverblijf van en de onderhoudsbijdragen voor de kinderen onder zaaknummer 200.186.872/01 en het huurrecht van de echtelijke woning onder zaaknummer 200.186.873/01.

De voorlopige voorzieningen zijn ingeschreven onder zaaknummer 200.186.880/01.

2.5.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Joosten;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Schuman;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad.

2.5.2.

Ter zitting is met partijen besproken, en partijen hebben zich daarmee akkoord verklaard, dat de mondelinge behandeling zich mede om proceseconomische redenen, tevens richt op de vraag of de moeder ontvankelijk is in haar beroep in de voormelde bodemzaken en dat in die bodemzaken een regiebeslissing zal worden genomen.

2.5.3.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening in de zaak met zaaknummer 200.186.880/01 (voorlopige voorzieningen) kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op

7 april 2016. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen ter griffie op 14 maart 2016;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader, ingekomen ter griffie op

6 april 2016.

3 De beoordeling

In alle zaken

3.1.

Partijen zijn op 3 augustus 1998 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] .

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vader.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 januari 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, conform het gemeenschappelijk verzoek van partijen en het door partijen op 27 november 2015 ondertekende echtscheidingsconvenant, bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben, dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal plaatsvinden conform artikel 2 van het aan die beschikking gehechte door partijen op 27 november 2015 ondertekende ouderschapsplan. Verder heeft de rechtbank, conform het echtscheidingsconvenant bepaald dat de moeder aan de vader € 25,- per kind per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat de vader huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] te [woonplaats] .

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Ook heeft de moeder het hof verzocht voorlopige voorzieningen te treffen zoals voormeld.

In de bodemzaken

Ontvankelijkheid: de akte van berusting

3.4.

Uit de stukken en het verhandelde zitting is het navolgende gebleken:

- op 27 november 2015 hebben partijen het convenant en het ouderschapsplan ondertekend;

- op 4 december 2012 is een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend;

- bij beschikking van 26 januari 2016 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de door partijen verzochte nevenvoorzieningen getroffen;

- de akte van berusting tevens verzoek tot inschrijving is gedateerd 28 januari 2016;

- op 3 februari 2016 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.5.1.

De moeder heeft gesteld, kort samengevat, dat de gemeenschappelijke advocaat die het gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend, partijen op voorhand een ongedateerde akte van berusting heeft laten ondertekenen en dat de gemeenschappelijke advocaat na het wijzen van de echtscheidingsbeschikking op eigen initiatief en zonder toestemming van beide partijen deze akte van berusting heeft gedateerd en voor inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft zorggedragen.

3.5.2.

Uit voormelde gang van zaken blijkt, zoals partijen ter zitting hebben verklaard, dat de akte van berusting reeds op 27 november 2015 door partijen is ondertekend, dat wil zeggen op een moment waarop de echtscheidingsbeschikking nog niet was uitgesproken. Het hof overweegt dat aan deze op voorhand op 27 november 2015 door partijen ondertekende en ongedateerde akte van berusting niet het gevolg kan worden verbonden dat een der partijen in de nadien bij beschikking van 26 januari 2016 uitgesproken echtscheiding en nevenvoorzieningen heeft berust.

Gelet op het vorenstaande staat deze akte van berusting niet aan de ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoeken in de bodemzaken in de weg en dientengevolge evenmin aan haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.

Ter zitting hebben partijen verklaard beiden wel te berusten in de echtscheiding zodat de inschrijving daarvan niet ter discussie staat.

Ontvankelijkheid: de wijziging van omstandigheden

3.5.3.

Met betrekking tot de vraag of er sprake is van een wijziging van omstandigheden waarop de moeder zich beroept, heeft het hof ter zitting vastgesteld dat deze, wat de moeder betreft, is gelegen in de wijze waarop [minderjarige 2] heeft gereageerd op de situatie die tussen partijen was ontstaan. Het hof is van oordeel dat een verandering zoals de moeder met betrekking tot [minderjarige 2] heeft waargenomen op zich voldoende grond is voor een geslaagd beroep op wijziging van omstandigheden. Het hof is voorts van oordeel dat het partijen gedurende de appeltermijn vrij staat om gewijzigde omstandigheden en de daaraan te verbinden gevolgen, onverminderd de mogelijkheid om een wijzigingsverzoek aan de rechtbank te richten, aan het hof voor te leggen. Nu de moeder haar verzoek in hoger beroep aan het hof heeft voorgelegd, acht het hof de moeder ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep.

Behandeling van de verzoeken inhoudelijk

3.6.

Het hof overweegt voorts het navolgende.

Beide ouders hebben ter zitting verklaard en zich ter zitting ten doel gesteld, ondersteund door hun advocaten en door de raad, dat zij beiden in de toekomst beschikbaar zullen zijn voor de kinderen en dat de kinderen onbelast contact met beide ouders zullen hebben. De moeder wil dat op korte termijn aan contactherstel met [minderjarige 2] wordt gewerkt, de vader wil dat ondersteunen. Daarnaast hebben partijen zich ten doel gesteld om als ouders van deze kinderen met elkaar in overleg te treden met betrekking tot de zaken die voor de kinderen van belang zijn. Op de vraag hoe partijen deze doelstelling willen bereiken hebben partijen ter zitting verklaard dat zij zich ieder afzonderlijk reeds tot het Centrum voor Jeugd en Gezin hebben gewend en van daaruit ook tot de Mutsaersstichting. Partijen hebben zich ter zitting bereid verklaard om vanuit deze situatie verder gezamenlijk het traject bij de Mutsaersstichting voort te zetten zowel voor zover het betreft de voormelde doelstelling op lange termijn, te weten de invulling het gedeelde gezamenlijke ouderschap op langere termijn, als voor zover het betreft het doel op korte termijn, te weten dat zo snel mogelijk het contact tussen de moeder en [minderjarige 2] wordt hersteld.

3.7.

Partijen hebben het hof verzocht hen te verwijzen naar de Mutsaersstichting, aan welk verzoek het hof zal voldoen. In afwachting van het rapport van de Mutsaersstichting zal het hof de behandeling van de zaak zes maanden aanhouden. Partijen zullen door het hof in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk te reageren op het uit te brengen rapport.

3.8.

Het hof heeft de partijen voorgehouden dat het onder de gegeven omstandigheden op dit moment niet verstandig is om vooruit te lopen op de rapportage van de Mutsaersstichting in aanmerking nemende het belang van de kinderen, door reeds nu wijziging aan te brengen in de (woon)situatie van de kinderen. Het hof heeft de partijen voorgesteld akkoord te gaan met een aanhouding van alle verzoeken, zowel die ten gronde als de voorlopige. Partijen hebben daarmee ingestemd.

3.9.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

in alle zaken:

verklaart de vrouw ontvankelijk in het hoger beroep in de zaken met de zaaknummers 200.186.872/01, 200.186.873/01;

verwijst partijen naar de Mutsaersstichting, met het doel zoals beschreven in rechtsoverweging 3.6.;

verzoekt de Mutsaersstichting tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere behandeling en beslissing in alle zaken aan tot PRO FORMA 28 oktober 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.C. Bijleveld- van der Slikke en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016.