Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1747

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
200.158.584_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëindiging huurovereenkomst in onderling overleg; vertegenwoordiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 4, p. 235
AR 2016/1301

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.158.584/01

arrest van 3 mei 2016

in de zaak van

Aspen International Europe B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante, hierna te noemen: Aspen,

advocaat: mr. G.J.F.M. Linders te Valkenburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , België,

geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen te Roermond,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 16 december 2014 en 18 augustus 2015 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer 376695/ CV EXPL 13-2496 gewezen vonnis van 9 juli 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van 18 augustus 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij laatstgenoemd tussenarrest is afgewezen de incidentele vordering van [geïntimeerde] om Aspen te bevelen zekerheid te stellen voor verhaal van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en van een eventuele proceskostenveroordeling in hoger beroep. In de hoofdzaak is de zaak naar de rol verwezen voor partijberaad. Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd in de hoofdzaak.

6.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.2.1.

[geïntimeerde] heeft verhuurd een Café-Bar-Club met aanhorigheden staande en gelegen te [plaats 1] , [adres 1] , alsmede de volledige en geheel complete aanwezige inventaris met alle meubilair.

Van deze overeenkomst zijn door iedere partij schriftelijke stukken overgelegd, welke inhoudelijk gelijkluidend zijn, met dien verstande dat het door [geïntimeerde] overgelegde stuk (productie 1 conclusie van antwoord in conventie/antwoord <het hof begrijpt: eis> in reconventie) als huurster van [geïntimeerde] vermeldt [huurster] A2 BV i.o., vertegenwoordigd door [directeur Aspen] en gedateerd op 17 januari 2012, terwijl het door Aspen in het geding gebrachte stuk (productie 1 bij het beslagrekest, overgelegd bij inleidende dagvaarding) Aspen, vertegenwoordigd door [directeur Aspen] als huurster van [geïntimeerde] noemt en welk stuk niet is gedateerd. Aangezien beide partijen Aspen als huurder aanduiden, gaat het hof daarvan uit.

6.2.2.

Voormelde overeenkomst is aangegaan voor een termijn van twee jaar met de optie van nogmaals twee jaar met een wederzijdse opzegtermijn van drie maanden. De huur is ingegaan op 1 maart 2012 en eindigt derhalve op 28 februari 2014.

6.2.3.

De huurprijs bedraagt € 1.200,- per week voor het eerste huurjaar en € 1.300,- voor het tweede huurjaar.

6.2.4.

Aspen heeft op 7 februari 2012 een waarborgsom aan [geïntimeerde] betaald van € 25.000,- voor de juiste nakoming van alle verplichtingen voor Aspen uit de huurovereenkomst voortvloeiend, welke waarborgsom wordt verrekend bij het eindigen van de huur.

6.3.

In de onderhavige procedure vordert Aspen in conventie, kort samengevat, het conservatoir beslag van waarde te verklaren, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van

€ 9.149,85 met rente en proceskosten.

Aan deze vordering heeft Aspen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] na de tussen partijen overeengekomen beëindiging van de huurovereenkomst per 31 augustus 2012 niet heeft voldaan zijn verplichting om de restant borgsom aan haar terug te betalen.

6.4.

[geïntimeerde] heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen de huurovereenkomst te beëindigen per 31 augustus 2012. In reconventie vordert hij, kort weergegeven, te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst nog steeds van kracht is en dat hij de waarborgsom rechtsgeldig heeft verrekend met achterstallige huurtermijnen, veroordeling tot betaling door Aspen van € 48.100,- aan achterstallige huur, te vermeerderen met rente en tot betaling van de huurpenningen over de resterende looptijd van de huurovereenkomst en veroordeling van Aspen in de proceskosten.

6.5.

In het tussenvonnis van 9 oktober 2013 heeft de rechtbank Aspen opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit valt af te leiden dat middels de acceptatie van de e-mail van 22 augustus 2012, overgelegd als productie 1 bij dagvaarding, per 31 augustus 2012 een einde is gekomen aan de huurovereenkomst met betrekking tot het pand gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] .

6.6.

In het eindvonnis van 9 juli 2014 heeft de rechtbank Aspen niet in de bewijslevering geslaagd geacht en geen schending van artikel 21 Rv door [geïntimeerde] vastgesteld.

Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van Aspen in conventie afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat [geïntimeerde] een deel van de waarborgsom rechtsgeldig heeft verrekend met achterstallige huurtermijnen. Voorts heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 41.800,- met rente, resterende huurpenningen tot en met het einde van de huurovereenkomst en proceskosten. Tenslotte heeft de rechtbank het meer of anders gevorderde afgewezen.

6.7.

Aspen heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 9 juli 2014 en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 9.189,45 met rente en, na vermeerdering van eis: € 3.245,78, van waarde verklaring van het conservatoir beslag en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

6.8.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging en veroordeling van Aspen in de proceskosten van het hoger beroep.

6.9.

Aspen voert aan (memorie van grieven nr. 1) dat haar directeur, [directeur Aspen] , tijdens de onderhandelingen over de totstandkoming van de huurovereenkomst praktisch alleen contact heeft gehad met [betrokkene 1] , die zich in de onderhandelingsfase vóór de totstandkoming van de huurovereenkomst en ook bij de onderhandelingen over het einde van de huurovereenkomst [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] noemde.

6.10.

In artikel 3:61 lid 2 BW is bepaald: ”Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.”.

6.11.

Bij de toepassing van voormelde bepaling dient in aanmerking te worden genomen dat voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ook plaats kan zijn ingeval de derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de tussenpersoon op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (Hoge Raad, 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671).

6.12.

In het geval dat [betrokkene 1] , alias [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] , de onderhandelingen over de totstandkoming van de huurovereenkomst met [directeur Aspen] heeft gevoerd, waarna vervolgens de onderhavige huurovereenkomst met [geïntimeerde] tot stand is gekomen, welke huur op 1 maart 2012 inging, mocht Aspen er terecht op vertrouwen dat [betrokkene 1] ook namens [geïntimeerde] de beëindiging van de huurovereenkomst per 1 september 2012 mocht overeenkomen.

6.13.

Aspen heeft haar stelling, dat zij bij de totstandkoming van de huurovereenkomst met [betrokkene 1] / [betrokkene 2] / [betrokkene 3] heeft onderhandeld, onderbouwd door producties 1.1 tot en met 1.24 bij memorie van grieven in het geding te brengen. Die producties betreffen e-mails tussen [directeur Aspen] via het door hem gebruikte e-mailadres [e-mailadres 1] en [betrokkene 2] via het door hem gebruikte e-mailadres [e-mailadres 2] vanaf 27 september 2011 tot en met 6 februari 2012 en wat [betrokkene 2] aangaat via het mailadres [e-mailadres 3] op 3 en 18 januari 2012. Uit voormelde mails die via het mailadres [e-mailadres 3] zijn verzonden blijkt uit de afsluiting dat die mails afkomstig zijn van C.A.B. Trucks, [adres 2] in [plaats 2] . In zijn mail van 6 januari 2012 verzoekt [betrokkene 2] aan [directeur Aspen] om hem terug te mailen op het adres [e-mailadres 3] .

Deze mails betreffen onder meer de voorwaarden voor verhuur van de [adres 1] te [plaats 2] , de inventaris, de vergunningen, de duur van de overeenkomst, de huurprijs, de borgstelling, verbouwing, het maken van een afspraak voor bespreking op kantoor te [plaats 2] , het maken van een afspraak bij het te huren pand, de aanvang van de huur, de concepthuurovereenkomst, de bankrekening van [geïntimeerde] waarnaar de huur moet worden overgemaakt, de ondertekening van de huurovereenkomst en het ter beschikking stellen van de sleutels.

[geïntimeerde] merkt ten aanzien van de mails op dat niet kan worden volstaan met het zonder nadere toelichting in het geding brengen van deze producties. Deze opmerking wordt gepasseerd omdat Aspen in haar memorie van grieven nr. 13. tot en met 32. een aantal mails voldoende heeft toegelicht. Bovendien zijn de overgelegde mails alle eenvoudig te doorgronden. Tenslotte is de relevantie van de mails, gelet op de stelling van Aspen dat [directeur Aspen] met [betrokkene 1] / [betrokkene 2] / [betrokkene 3] heeft onderhandeld over de totstandkoming van de huurovereenkomst (zie 6.9. hierboven), door Aspen voldoende duidelijk gemaakt.

6.14.

Als laatste mail heeft Aspen een mail van 10 februari 2012 overgelegd, welke aan het emailadres van [directeur Aspen] is gericht en afkomstig is van [e-mailadres 3] en welke is ondertekend met de naam “ [geïntimeerde] ”. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat die mail van hem afkomstig is. Als afsluiting van deze mail wordt, net als in de mail die [betrokkene 2] aan [directeur Aspen] heeft gestuurd op 3 en 18 januari 2012, aangegeven dat voormeld mailadres is verbonden met C.A.B. Trucks aan de [adres 2] te [plaats 2] . Uit het door [Bedrijfsrecherche] Bedrijfsrecherche B.V. op 7 januari 2014 opgemaakte rapport (blz 11, overgelegd als productie 3.1 bij memorie van grieven) blijkt dat uit onbetwiste informatie van de Kamer van Koophandel volgt dat [geïntimeerde] enig aandeelhouder en bestuurder is van [geïntimeerde] ’s Autobedrijf & Handelsonderneming B.V., waarvan het bedrijf is gevestigd aan de [adres 2] te [plaats 2] en dat het bedrijf handelt in zwaardere bedrijfsauto’s en die ook repareert. Uit al het voorgaande volgt dat het mailadres [e-mailadres 3] een adres is dat zowel door [geïntimeerde] als door [betrokkene 2] werd gebruikt vóór de totstandkoming van de huurovereenkomst per 1 maart 2012.

6.15.

[geïntimeerde] verklaart dat hij [betrokkene 2] of [betrokkene 3] niet kent (memorie van antwoord nr. 3.3).

[geïntimeerde] ontkent voorts dat [betrokkene 1] namens hem de onderhandelingen voor de totstandkoming van de huurovereenkomst heeft gevoerd (memorie van antwoord nr. 3.5.).

[geïntimeerde] geeft echter niet aan dat hijzelf of een andere, met name genoemde persoon die bevoegd was namens hem bij de totstandkoming van de huurovereenkomst op te treden, was betrokken.

[geïntimeerde] geeft ook geen verklaring voor het feit dat het emailadres [e-mailadres 3] is gebruikt door [betrokkene 2] bij de totstandkoming van de huurovereenkomst.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] met enkel voormelde ontkenningen de thans in hoger beroep met voormelde mails genoegzaam onderbouwde stelling van Aspen, dat door tussenkomst van ene [betrokkene 2] de huurovereenkomst tussen Aspen en [geïntimeerde] tot stand is gekomen, onvoldoende betwist zodat dit vast staat.

6.16.

Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat Aspen voor de beëindiging van de huurovereenkomst mocht afgaan op de mededeling per mail afkomstig van het adres [e-mailadres 2] van 22 augustus 2012, waarin namens [geïntimeerde] wordt voorgesteld dat de huur wordt betaald tot en met augustus 2012 en dat het huurcontract overgaat op derden en dat de overeenkomst vervalt. Immers het mailadres [e-mailadres 2] werd ook bij de totstandkoming van de huurovereenkomst voornamelijk gebruikt.

Het emailbericht van 22 augustus 2012 is weliswaar slechts ondertekend met de naam [betrokkene 2] , maar uit een mail van 27 augustus 2012, verstuurd vanaf het adres [e-mailadres 2] , welk bericht ook is ondertekend door [betrokkene 2] , blijkt dat daarin wordt teruggegrepen naar de huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en Aspen. Immers in de mail van 27 augustus 2012 van [betrokkene 2] wordt vermeld dat er eventueel een nieuwe huurder is die voor dezelfde prijs wil instappen en dat voor de nieuwe huurder hetzelfde geldt als voor Aspen destijds wat betreft aanpassingen. Wetenschap van de huurprijs die Aspen aan [geïntimeerde] betaalde en van het feit dat er aanpassingen zijn gedaan, is, nu daaromtrent geen andere verklaring is gegeven, aanwezig bij degene die zich met de totstandkoming van de huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en Aspen bezig heeft gehouden. Het hof concludeert dan ook dat [betrokkene 2] dezelfde persoon is als [betrokkene 2] .

6.17.

De vraag of [betrokkene 2] dezelfde persoon is als [betrokkene 1] kan in het midden blijven, nu Aspen bij de totstandkoming van de huurovereenkomst met [geïntimeerde] heeft gehandeld met een persoon die zich [betrokkene 2] noemde en dat Aspen op voorstel van diezelfde persoon per mail van 22 augustus 2012, welk voorstel Aspen heeft aanvaard, de beëindiging van de huurovereenkomst is overeengekomen.

6.18.

Uit al het voorgaande volgt dat de huurovereenkomst is geëindigd na ommekomst van 31 augustus 2012. Dit brengt mee dat grief I van Aspen, zoals zij die grief heeft toegelicht (memorie van grieven nr. 36), slaagt en dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen. De overige grieven behoeven geen bespreking.

6.19.

Wat de vordering van Aspen betreft staat ter zake van de gevorderde hoofdsom tussen partijen vast dat Aspen € 25.000,- aan waarborgsom aan [geïntimeerde] heeft betaald. Voorts staat als onbetwist vast dat tot en met 31 augustus 2012 Aspen € 31.200,- aan huur was verschuldigd. Tenslotte staat tussen partijen vast dat Aspen in ieder geval € 12.000,- aan huur heeft betaald. Aspen voert aan dat zij € 14.400,- in totaal aan huur heeft betaald, maar nu zij geen bewijs van betaling heeft overgelegd, wordt vastgesteld dat Aspen € 12.000,- heeft betaald. Het voorgaande brengt mee dat [geïntimeerde] aan restant-waarborgsom dient terug te betalen aan Aspen € 5.800,- (25.000 + 12.000 – 31.200).

6.20.

De door Aspen gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 949,85 zijn als zodanig niet betwist door [geïntimeerde] en daarom toewijsbaar.

6.21.

In zijn conclusie na niet gehouden enquête tevens houdende vermeerdering van eis heeft Aspen € 1.058,75 wegens kosten van [Bedrijfsrecherche] Bedrijfsrecherche B.V. gevorderd. Uit het voorgaande blijkt dat die kosten onnodig zijn gemaakt, nu het onderzoek vooral was gericht op de vraag of [geïntimeerde] en [betrokkene 2] elkaar kennen (blz. 3), terwijl al uit de thans overgelegde mails blijkt dat ene [betrokkene 2] namens [geïntimeerde] bij de totstandkoming van de huurovereenkomst was betrokken. Deze kosten komen dus niet vergoeding in aanmerking komen.

6.22.

Aspen heeft in haar conclusie na niet gehouden enquête ook gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van onnodige kosten die Aspen heeft moeten maken om ter comparitie van partijen aanwezig te zijn, te weten de kosten van een ticket. Een vordering tot vergoeding van deze in verband met de onderhavige procedure gemaakte kosten, is slechts toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Nu dat niet is gesteld door Aspen wordt deze vordering afgewezen.

6.23.

De slotsom op grond van het voorgaande is dat [geïntimeerde] € 6.749,85 (5.800 + 949,85) aan Aspen dient te betalen en dat bij gebreke van verweer daartegen het beslag van waarde verklaard kan worden.

6.24.1.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van Aspen in beide instanties moeten betalen.

6.24.2.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Aspen zullen worden vastgesteld op € 661,78 (76,71 + 200,63 + 114,44 + 135 + 135) aan explootkosten, € 448,- aan griffierecht, zodat de totale verschotten € 1.109,78 belopen en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief € 4.470,- <(dagvaarding + beslag + conclusie van antwoord in reconventie + comparitie + conclusie na niet gehouden enquête= 5 punten) x tarief IV= 894,->.

6.24.3.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Aspen zullen worden vastgesteld op € 77,52 explootkosten en € 704,- aan griffierecht, zodat de

totale verschotten € 781,52 belopen en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: € 3.262,- <(memorie van grieven + memorie van antwoord in incident= 2 punten) x tarief IV= € 1.631,->.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Limburg van 9 juli 2014 en opnieuw rechtdoende:

wijst het door [geïntimeerde] gevorderde af;

veroordeelt [geïntimeerde] aan Aspen te betalen € 6.749,85,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.800,- vanaf 5 maart 2013 tot de dag van voldoening;

verklaart van waarde het gelegde conservatoir beslag van 9 maart 2013;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Aspen op € 1.109,78 aan verschotten en op € 4.470,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 781,52 aan verschotten en op € 3.262,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

wijst het door Aspen meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.W. van Rijkom en P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 mei 2016.

griffier rolraadsheer