Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1696

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
15/00621
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:831, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Nota griffierecht, ondanks herhaalde herinnering, niet betaald. De nota is op regelmatige wijze aan belanghebbendes adres aangeboden.

Belanghebbende is ook te laat in hoger beroep gekomen.

Belanghebbende heeft niet gevraagd om te worden gehoord. De aard en inhoud van de zaak nopen naar het oordeel van het Hof niet tot het houden van een zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1779
V-N 2016/44.14.2
FutD 2016-2049
NTFR 2016/2082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00621

Schriftelijke uitspraak op het verzet van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van het Hof als bedoeld in artikel 8:54, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van 19 november 2015 (hierna: de uitspraak), op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 12 februari 2015, nummer AWB 14/3464, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van 15 april 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 2011 en de gelijktijdig bij beschikking opgelegde verzuimboete.

De behandeling van het verzet

Er heeft geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden.

Belanghebbende heeft niet gevraagd in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord.

De gronden

1. Bij uitspraak van 19 november 2015 is belanghebbende niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard op grond van de overweging, dat het door belanghebbende verschuldigde griffierecht niet betaald is binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn.

2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak tijdig in verzet gekomen.

3. Op grond van artikel 8:41, lid 1, van de Awb, in samenhang met het bepaalde in artikelen 8:108, lid 1 en 8:109, lid 1, letter c van de Awb, wordt van de indiener niet natuurlijk persoon van het hoger beroepschrift door de griffier van het gerechtshof een griffierecht geheven van € 497.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, leden 4 tot en met 6, van de Awb wijst de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het Hof, dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. De griffier heeft belanghebbende bij op 15 april 2015 verzonden nota op de verschuldigdheid van € 497 griffierecht gewezen.

5. Omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de uitnodiging van het Landelijk Dienstencentrum (hierna: LDCR) om het griffierecht te betalen, is op 14 mei 2015 aan haar, naar het in het hoger beroepschrift opgegeven adres, aangetekend een aanmaning verzonden, waarin belanghebbende is verzocht het (nog) verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening van de aanmaning over te maken op de bankrekening van Griffie LDCR.

De aanmaning is op 11 juni 2015 retour ontvangen bij Financiën LDCR. Door PostNL is op de enveloppe als reden vermeld “Niet afgehaald”.

De griffier heeft de juistheid van het adres op 27 juli 2015 onderzocht bij de Kamer van Koophandel, waaruit bleek dat het adres juist is.

Vervolgens is op 3 augustus 2015 aan belanghebbende naar het in het hoger beroepschrift opgegeven adres met als toevoeging “t.a.v. [A] ” een herinnering verzonden, waarin belanghebbende is verzocht het (nog) verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening van de herinnering over te maken op de bankrekening van Griffie LDCR.

Volgens informatie van PostNL Business Service is de aangetekende verzending op
5 augustus 2015 overgedragen aan de postbuslocatie en is op dezelfde dag een kennisgeving in de betreffende postbus gelegd, dat voor belanghebbende een aangetekende verzending aanwezig is. Met deze kennisgeving kan de aangetekende verzending dan worden afgehaald.

De aangetekende verzending is niet opgehaald door belanghebbende, waarna de aangetekende verzending op 27 augustus 2015 retour is gestuurd naar de afzender.

De aangetekende verzending, waarin de herinnering zich bevond, is op 28 augustus 2015 retour ontvangen bij Financiën LDCR.

Door PostNL is op de enveloppe als reden vermeld “Niet afgehaald”.

Op 14 september 2015 is de herinnering nogmaals bij gewone brief aan belanghebbende naar het in hoger beroepschrift opgegeven adres verzonden.

Een afschrift van de aanmaning en van de herinnering bevinden zich in het dossier van belanghebbende.

6. Ingevolge artikel 8:38, lid 1, van de Awb – voor zover hier van belang – dient de griffier in gevallen, waarin hij een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt, het adres te verifiëren. Gemeld artikellid schrijft verificatie voor aan de hand van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA).

In een situatie als de onderhavige, waarin verzending heeft plaatsgevonden aan het postadres van een onderneming, is verificatie aan de hand van het GBA niet mogelijk. Het doel van artikel 8:38, lid 1,van de Awb - te bewerkstelligen dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de verzonden stukken naar het ten tijde van de verzending juiste adres zijn gezonden – kan dan bijvoorbeeld worden bereikt door het adres te verifiëren aan de hand van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, hetgeen de griffier op 27 juli 2015 heeft gedaan.

7. Belanghebbende heeft het griffierecht niet voldaan.

Niet-ontvankelijkheidverklaring kan dan nog slechts achterwege blijven, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld, dat belanghebbende in verzuim is geweest.

8. Belanghebbende heeft in het verzetschrift gesteld, dat zij het griffierecht niet heeft voldaan, omdat zij de op 3 augustus 2015 aangetekend verzonden nota griffierecht nooit heeft ontvangen.

9. Hetgeen belanghebbende in het verzetschrift heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat zij niet in verzuim is geweest.

Belanghebbende heeft het griffierecht niet betaald, ook niet na de aangetekend verzonden aanmaning van 14 mei 2015 en de herinneringen van 3 augustus 2015 en 14 september 2015.

Zoals vermeld onder de punten 5 en 6 heeft de griffier van het Hof belanghebbende op de wettelijk voorgeschreven wijze op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen en de voorschriften van artikel 8:38 van de Awb toegepast.

Het risico, dat de aangetekende en niet-aangetekende verzendingen belanghebbende niet hebben of zouden hebben bereikt, berust in casu bij belanghebbende.

10. Gelet op het hiervoor overwogene is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, zodat het verzet ongegrond moet worden verklaard.

11. Het Hof is voorts van oordeel dat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en 6:8, lid 1, van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift zes weken en vangt de termijn aan met ingang van de dag na die, waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Uit de gedingstukken blijkt dat een afschrift van de uitspraak van de Rechtbank, onder vermelding van de rechtsmiddelen, op 24 februari 2015 aan het – juiste – adres van belanghebbende is gezonden. Aangezien de Rechtbank deze uitspraak retour heeft ontvangen, is de uitspraak op 20 maart 2015 nogmaals aan belanghebbende gezonden per gewone post (en door belanghebbende, blijkens haar verklaring in het hoger beroepschrift, op 24 maart ontvangen). Daarbij is belanghebbende erop gewezen, dat de tweede verzending van de uitspraak geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep. De beroepstermijn ving derhalve aan op 25 februari 2015 en eindigde op 7 april 2015. Het hoger beroepschrift is blijkens de poststempel op vrijdag 10 april 2015 ter post bezorgd en op maandag 13 april 2015 bij de griffie van het Hof binnengekomen. Daarmee staat vast dat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend, .

12. In de onderhavige zaak is tevens een verzuimboete in geschil. In een geschil over de bestuurlijke boete is de rechter niet in alle gevallen gehouden belanghebbende ambtshalve in de gelegenheid te stellen te worden gehoord naar aanleiding van diens verzet, maar slechts in die gevallen waarin het vereiste van een behoorlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM daartoe aanleiding geeft (zie Hoge Raad 23 september 2011, nr. 10/04259,

ECLI:NL:HR:2011:BT2295).

Belanghebbende heeft zich in het verzetschrift niet uitgelaten over een eventuele wens om te worden gehoord. Nu belanghebbende niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep, omdat zij het griffierecht ondanks herhaalde herinnering niet heeft betaald en bovendien het hoger beroep te laat is ingediend, noopt de aard en inhoud van de zaak naar het oordeel van het Hof niet tot het houden van een zitting.

De proceskosten

13. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

De beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gedaan op 28 april 2016 door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.