Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1675

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
20-002322-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De oplegging van een lokaalverbod door de horecaondernemers van Sittard en Geleen kan niet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ als bedoeld in art. 6 EVRM. Het openbaar ministerie verliest derhalve niet het recht tot strafvervolging van de verdachte door de enkele omstandigheid dat in verband met de ten laste gelegde feiten een lokaalverbod is opgelegd.

Volgt oplegging van een geldboete van € 500 ter zake van bedreiging met zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002322-14

Uitspraak : 28 april 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 4 augustus 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-097616-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor de onder 1. primair en 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 75 uren subsidiair 37 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging;

  • -

    subsidiair dat verdachte zal worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 26 april 2014 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, met een ander of anderen, in/op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten [café 1] en/of op of aan de openbare weg, de Markt, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit:

- het slaan en/of stompen van die [slachtoffer] en/of

- het trappen en/of schoppen van die [slachtoffer] ;

subsidiair
hij op of omstreeks 26 april 2014 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ) heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

2.
hij op of omstreeks 26 april 2014 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en/of goederen en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak je kapot” en/of “Ik steek je neer”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, aangezien de vervolging in strijd is met art. 68 Sr, art. 50 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en art. 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat aan verdachte reeds een collectief horecaverbod is opgelegd, welk collectief horecaverbod moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.1

Het op 29 november 2012 door de gemeente Sittard-Geleen, Koninklijke Horeca Nederland, Politie Limburg Zuid en het Openbaar Ministerie vastgestelde Convenant “Veilig Uitgaan in Sittard-Geleen” 2012-2014 houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“4.14 Om notoire herrieschoppers de toegang tot horeca-inrichtingen te kunnen ontzeggen, hanteren de participerende ondernemers een collectief civielrechtelijk lokaalverbod. (…)

4.15

Indien naar het oordeel van de ondernemer iemand in aanmerking komt voor een collectief lokaalverbod, wordt deze persoon door ondertekening van de aanschrijving door deelnemende ondernemers, onder vermelding van de termijn, schriftelijk de toegang tot de deelnemende inrichtingen ontzegd. De politie wordt hiervan onverwijld in kennis gesteld;

(…)”

B.2

Het Protocol collectieve horecaontzegging Sittard-Geleen houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“1. Definities

Collectieve horecaontzegging (CHO): Ontzegging van de toegang tot de horecabedrijven van de aangesloten deelnemers voor bepaalde tijd.

(…)

Deelnemer: Ondernemers in Sittard-Geleen die het protocol CHO ondertekend hebben en instemmen met de daarin vastgelegde afspraken.

Betrokkene: Persoon die een waarschuwing, individuele of collectieve horecaontzegging heeft gekregen.

(…)

2. Inleiding

(…)

Het protocol is een bijlage van het Convenant Veilig Uitgaan Sittard-Geleen.

(…)

Alle aangesloten horeca-ondernemers hebben aangegeven gebruik te willen maken van de CHO ter verhoging van de veiligheid voor de eigenaren, personeel en gasten van de horeca.

(…)

In het voorliggende protocol wordt aangegeven onder welke condities een CHO wordt opgelegd en welke waarborgen gelden voor de personen die geconfronteerd worden met een CHO. (…)

3. De collectieve horecaontzegging (CHO)

(…)

Wat is de collectieve horecaontzegging.

Bij de collectieve horecaontzegging (toegangsverbod) slaan de deelnemers de handen inéén, om gezamenlijk overlastgevers uit hun bedrijven te weren. (…)

(…)

De deelnemers kunnen aan een overlastveroorzaker een toegangsverbod opleggen. Het heeft voordelen om een dergelijk verbod voor meerdere horecabedrijven te laten gelden.

Immers, door een toegangsverbod voor alle aangesloten bedrijven te laten gelden, wordt voorkomen dat notoire overlastveroorzakers opnieuw kunnen starten met hun overlastveroorzakende gedrag bij een collega-ondernemer. Hiermee wordt de veiligheid voor de portiers en de medewerkers in de horeca verhoogd. Bovendien kan het een preventieve werking hebben richting mogelijke overlastgevers.

(…)

Centraal wordt bijgehouden aan wie een ontzegging is opgelegd.

KHN houdt de administratie en registratie bij van opgelegde ontzeggingen. (…)

Op het moment dat de overtreding door de betrokkene wordt begaan, wordt door de deelnemer met de politie afgestemd om welk feit het gaat en voor hoe lang volgens onderhavig protocol een ontzegging wordt opgelegd. (…)

De ontzegging wordt in bijzijn van de politie uitgereikt. Als dat niet mogelijk blijkt wordt de ontzegging aangetekend verstuurd.

(…)

Grondslag voor en duur van de ontzegging

Aan een collectieve horecaontzegging meteen voortkomend uit een zwaar incident of voortkomend uit meerdere individuele ontzeggingen en/of waarschuwingen ligt altijd een aangifte van een strafbaar feit of een ambtshalve proces-verbaal ten grondslag.

(…)

Afspraken m.b.t. uitvoering

De deelnemers conformeren zich aan de aanpak zoals beschreven in dit protocol. (…)

Een lijst met gedragingen, waarvoor een horecaontzegging kan worden opgelegd, (…) staat in dit protocol.

4. Feiten en gedragingen die leiden tot een individuele of een collectieve horeca ontzegging

Individuele HO voor 6 maanden

 Negeren van de huisregels

 Veroorzaken van overlast

CHO voor 24 maanden

 Aantreffen harddrugs

 Mishandeling

 Geweld of bedreiging met geweld

 Handel in verdovende middelen

 Diefstal

 Gebruik van een wapen

 Aantreffen vuurwapen

 Recidive (3 maal individuele ontzegging in een periode van 48 maanden)

 Overtreden van het IHO of CHO

5. Werkwijze

Indien een deelnemer, naar aanleiding van één of meer feiten of gedragingen als bedoeld in dit protocol, besluit tot toepassing van een waarschuwing of een IHO/CHO wordt op verzoek van de deelnemer de politie hierbij betrokken.

De deelnemer verzoekt de betrokkene om zijn NAW-gegevens en geboortedatum. De betrokkene is niet verplicht te antwoorden. In dat geval kunnen de gegevens, op verzoek van de deelnemer, door de politie worden verstrekt.

De deelnemer reikt, na ondertekening door de deelnemer en de betrokkene een kopie van de brief (…) uit aan de betrokkene. (…)

Bij aanhouding zal het formulier door politie worden uitgereikt.

(…)

De politie verkrijgt een kopie voor het eventueel benodigd proces-verbaal. Hierin wordt aangegeven dat er een verbod is opgemaakt en welke gedraging is geconstateerd. Bovendien wordt aangegeven welke eerdere contacten er zijn geweest.”

B.3

De aan verdachte uitgereikte collectieve horeca-ontzegging houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Geachte heer / mevrouw,

Naar aanleiding van door u gepleegde feiten en/of overlast die door u is veroorzaakt (…) in een of meerdere horeca lokaliteiten in de binnenstad van Sittard/Geleen, wordt u van 27 april 2014 tot 27 april 2016 een lokaalverbod opgelegd voor de horecagelegenheden (inclusief de terrassen) die genoemd zijn op de [website] .

(…)

Mocht u het bovenstaande niet nakomen en u toch wederrechtelijk in een van genoemde lokaliteiten begeven/bevinden, dan maakt u zich schuldig aan huisvredebreuk (art. 138 van het Wetboek van Strafrecht).

Deze collectieve horeca-ontzegging is tot stand gekomen naar aanleiding van de huis- en gedragsregels voor horecabezoekers in de binnenstad van Sittard-Geleen, welke regels onderdeel uitmaken van het Convenant Veilig Uitgaan in Sittard en Geleen. Deze collectieve horeca-ontzegging wordt u door de politie uitgereikt namens de aangesloten horecaondernemers.”

B.4

Bij brief d.d. 13 mei 2014, afkomstig van [naam] , secretaris van Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Sittard-Geleen, is verdachte de beslissing op zijn bezwaar tegen de horecaontzegging medegedeeld. Deze brief houdt – voor zover hier van het belang – het volgende in:

“De politie reikt namens de horeca een horecaverbod uit, de politie is geen partij in deze.”

C.1

Uit de collectieve horeca-ontzegging volgt dat het lokaalverbod is opgelegd door de horecaondernemers van Sittard en Geleen. Dit lokaalverbod is een waarschuwing van de horecaondernemers aan verdachte dat hij, indien hij een van de horecagelegenheden betreedt die zijn genoemd op de website, zich aldaar wederrechtelijk bevindt en aangifte wordt gedaan van huisvredebreuk als bedoeld in artikel 138 Sr.

C.2

Aan de rol die politie en justitie spelen bij de oplegging van het lokaalverbod, kan naar het oordeel van het hof niet die betekenis worden gehecht die de verdediging hieraan verbindt, nu de politie blijkens het hiervoor onder B. weergegevene niet bepaalt aan wie een lokaalverbod wordt opgelegd. Die beslissing is aan de horecaondernemers. De politie speelt slechts een ondersteunende rol. Dat wordt niet anders door de navolgende passage uit het protocol:

“Op het moment dat de overtreding door de betrokkene wordt begaan, wordt door de deelnemer met de politie afgestemd om welk feit het gaat en voor hoe lang volgens onderhavig protocol een ontzegging wordt opgelegd.”

Het hof begrijpt deze passage aldus dat zodra een horecaondernemer heeft beslist dat hij een lokaalverbod gaat opleggen, deze enkel nog met de politie bespreekt welke van de in paragraaf 4 van het protocol genoemde gedragingen aan de orde is. Het protocol bepaalt vervolgens of de gedraging moet leiden tot een individuele horecaontzegging voor de duur van 6 maanden of een collectieve horecaontzegging voor de duur van 24 maanden. Uit de regeling volgt dat het de horecaondernemer is die bepaalt aan wie een lokaalverbod wordt opgelegd.

C.3

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het onderhavige lokaalverbod een puur civielrechtelijke maatregel betreft. Naar het oordeel van het hof wordt een persoon aan wie een dergelijk lokaalverbod wordt opgelegd bovendien slechts beperkt in zijn bewegingsvrijheid gehinderd. Uit dit alles trekt het hof de conclusie dat, gelet op de juridische kwalificatie van het lokaalverbod en de aard en de zwaarte van de sanctie, de oplegging van het lokaalverbod door de horecaondernemers van Sittard en Geleen niet kan worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ als bedoeld in art. 6 EVRM. Het openbaar ministerie verliest derhalve niet het recht tot strafvervolging van de verdachte door de enkele omstandigheid dat in verband met de ten laste gelegde feiten een lokaalverbod is opgelegd.

Het hof verwerpt het verweer.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair dan wel subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het dat het uit het voorhanden bewijs niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte, al dan niet in vereniging, [slachtoffer] heeft geslagen, gestompt, getrapt en/of geschopt.

Bewijs 1

1. De aangifte van [slachtoffer] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 26 april 2014 was ik werkzaam als horecaportier bij [café 1] te Sittard, gelegen [adres 2] te Sittard.

Omstreeks 03.45 uur, stond een jongen zijn vriendin te wurgen binnen in het café. Ik zag dat hij haar met één arm in een verwurging had. Ik liep vervolgens naar deze jongen toe en ik zei tegen hem dat hij zijn vriendin los moest laten.

Toen we buiten stonden hoorde ik dat die jongen die zijn vriendin aan het wurgen was naar me schreeuwde: “Ik maak je kapot”.

Ik zag dat de jongen die zijn vriendin aan het wurgen was, wegrende, de Putstraat op. Ik zag dat hij stil bleef staan bij de Snackpoint. Ik hoorde dat hij weer naar me begon te schelden. Ik hoorde dat hij riep: “Ik maak je kapot”.

Ik zag dat de jongen die zijn vriendin probeerde te wurgen, er vandoor ging samen met zijn vriendin.2

2. De verklaring van [getuige 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 26 april 2014 omstreeks 03:45 uur stond ik bij [café 2] op de Markt in Sittard. Ik ben werkzaam als beveiliger. Ik hoorde via de portofoon iemand roepen. Ik kwam aan bij [café 1] op de Markt. Twee jongens van buitenlandse afkomst vielen mij direct op.

Ik hoorde dat ze tegen [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) zeiden: “ik maak je kapot”. Dit zeiden de jongens. Ik zag dat, toen ze dit zeiden, ze richting [slachtoffer] keken.

De politie was snel ter plaatse. Op het moment dat de politie kwam rende één van de twee jongens weg. Toen ging alles richting Putstraat.3

3. De verklaring van [medeverdachte] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: Met wie was je allemaal op stap afgelopen nacht?

A: Mijn broertje [verdachte] . [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ), en nog veel meer.

V: Waar zijn jullie op stap geweest afgelopen nacht?

A: Wij zijn naar Sittard geweest, omdat daar een feestje [naam] was in een kroeg. De kroeg tussen [naam] en de carnavalswinkel op de Markt te Sittard. Richting de zijstraat.

Mededeling verbalisanten: Uit de beschrijving die jij mij geeft, kan ik je zeggen dat dit [café 1] was.4

4. De verklaring van [getuige 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 26 april 2014 omstreeks 03.45 uur was ik in [café 1] op de Markt in Sittard. Ik was daar met onder meer [verdachte] en [medeverdachte] . Ik kreeg een woordenwisseling met [verdachte] . Wij schreeuwden tegen elkaar. Plotseling kwam er een beveiligingsmedewerker bij. [verdachte] had mij in een armklem vast.5

5. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

We waren met vrienden bij [café 1] . Op het einde van de avond was er iets gebeurd tussen mij en mijn vriendin. Ik heb haar vervolgens naar mij toe getrokken. Ik sloeg een arm om haar schouder. Twee minuten later komt er een uitsmijter op mij af, trok mij aan mijn arm en zei dat ik van mijn vriendin moest afblijven.

Ik ben in de richting van de Putstraat gerend samen met [getuige 1] (het hof begrijpt:
).6

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

D.1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

D.2

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman voorwaardelijk, te weten voor het geval het hof aan het voorhanden wettig bewijs de overtuiging zou ontlenen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, verzocht om [slachtoffer] ter terechtzitting als getuige te horen, zodat het hof zich een oordeel kan vormen over de persoon van de getuige en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.

Het hof acht zich door het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder door het door de raadsheer-commissaris opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] en diens
proces-verbaal van bevindingen, evenwel voldoende ingelicht. Derhalve is het hof de noodzaak van het gevraagde verhoor niet gebleken, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 april 2014, te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak je kapot”.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde feit;

  • -

    de omstandigheid dat feiten als het bewezen verklaarde kunnen leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de bedreigde.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    18 februari 2016, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Gelet daarop acht het hof oplegging van een geldboete van na te melden hoogte in dit geval een passende reactie.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. primair dan wel subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. F. van Es, voorzitter,

mr. P.M. Frielink en mr. J.M.G. Brughuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 28 april 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.M.G. Brughuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar ambtsedige processen-verbaal van politie en andere bescheiden, opgenomen in het proces-verbaal van politie, eenheid Limburg, met registratienr.
PL2441-2014046473.

2 Proces-verbaal aangifte d.d. 26 april 2014, dossierpagina’s 4-5.

3 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 26 april 2014, dossierpagina 23.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 26 april 2014, dossierpagina 13.

5 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 27 april 2014, dossierpagina 31.

6 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 27 april 2014, dossierpagina’s 36-37.