Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1654

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
200.158.329_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuurder legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de voor bepaalde tijd aangegane huur niet eindigt vóór het verstrijken van de overeengekomen bepaalde tijd. Huurder voert hiertegen het bevrijdende verweer dat de beëindiging met wederzijds goedvinden al eerder heeft plaatsgevonden omdat een ander hiermee namens verhuurder heeft ingestemd.

De ander was echter niet bevoegd om in naam van verhuurder te handelen. Huurder wordt ook niet beschermd door gerechtvaardigd vertrouwen dat de ander bevoegd was om namens verhuurder de instemming met de voortijdige huurbeëindiging te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
UDH:TvHB/13518 met annotatie van mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.158.329/01

arrest van 26 april 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap [Vastgoed] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: Vastgoed,

advocaat: mr. T.P.M. Kouwenaar te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 2] ,

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 3] ,

4. [geïntimeerde 4],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,

hierna te noemen: [geïntimeerde 4] ,

geïntimeerden,

hierna tezamen (in mannelijk enkelvoud) te noemen: [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. T. Kocabas te ‘s-Gravenhage,

op de bij dagvaardingsexploten van 11, 15 en 22 september 2014, voor [geïntimeerde 4] hersteld bij exploot van 20 januari 2015, ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant zittingsplaats s-Hertogenbosch van 24 juli 2014 tussen Vastgoed als eiseres en [geïntimeerde 1] c.s. als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2923601/420 CV EXPL 14-3050)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld bestreden vonnis.

2 Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de voornoemde dagvaardings- en herstelexploten,

  • -

    het tegen [geïntimeerde 1] c.s. verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven van Vastgoed met grieven;

  • -

    de zuivering van het verstek door [geïntimeerde 1] c.s.;

  • -

    de tegen [geïntimeerde 1] c.s. ambtshalve verleende akte van niet-dienen voor memorie van antwoord.

2.2

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3..1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in dit hoger beroep de navolgende feiten vast.

  1. Mevrouw [tolk] (hierna: [tolk] ) pleegt tolk- en vertaalwerkzaamheden te verrichten en op te treden als makelaar.

  2. Net als [tolk] is [geïntimeerde 1] c.s. van Poolse afkomst. [geïntimeerde 1] c.s. beheerst de Nederlandse taal niet goed.

  3. Vastgoed exploiteert onroerende zaken, onder meer door verhuur van onroerende zaken aan particulieren.

  4. Vastgoed heeft de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: het appartement) voor de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013 aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verhuurd tegen een maandelijks bij vooruitbetaling te betalen bedrag.

  5. Het door haar directeur [directeur Vastgoed] namens Vastgoed met [geïntimeerde 1] c.s. op 1 juli 2012 in aanwezigheid van [tolk] ondertekende huurcontract

- vermeldt in artikel 4.7 dat het verschuldigde maandbedrag van € 1.025,-- bestaat uit € 925,-- aan huur, € 85,-- aan voorschot bijkomende kosten/leveringen en € 15,-- aan servicekosten, en

- verwijst in artikel 10 naar het afzonderlijk door [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ondertekende borgtochtcontract waarbij [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zich tegenover Vastgoed hoofdelijk hebben verplicht tot nakoming van betalingsverplichtingen die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op grond van de huurovereenkomst tegenover Vastgoed hebben of zullen krijgen.

Bij aangetekend aan Vastgoed verzonden brief van 31 januari 2013 heeft [geïntimeerde 1] c.s. de huur met ingang van 1 maart 2013 opgezegd.

Na met Vastgoed te hebben gesproken over een voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst door [geïntimeerde 1] c.s., deed [tolk] bij e-mail van 9 februari 2013 hiervan verslag aan [geïntimeerde 1] c.s..

Nadat [geïntimeerde 1] c.s. het appartement op 23 februari 2013 feitelijk had ontruimd en verlaten, gaf [geïntimeerde 1] c.s. de sleutels van het appartement af bij de buren. [geïntimeerde 1] c.s. is daarna voor een vakantie naar Polen vertrokken.

3.2

Bij het bestreden vonnis is [geïntimeerde 1] c.s., uitvoerbaar bij voorraad, op vordering van Vastgoed hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 25,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2012 en tot betaling van de proceskosten.

Na vermindering van eis (doordat [geïntimeerde 1] c.s. de contractuele boete in hoger beroep niet langer vordert) maar nadat daarbij overigens een soortgelijke vordering is afgewezen, vordert Vastgoed in hoger beroep onder het voordragen van vijf toegelichte grieven dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (alsnog)

  1. zal verklaren voor recht dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende het appartement is geëindigd per 30 juni 2013,

  2. [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van totaal € 5.500,66, bestaande uit € 25,-- aan restant huurtermijn juli 2012, € 4.100,-- aan huurtermijnen maart tot en met juni 2013, € 537,50 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 838,16 aan kosten afrekening energie,

  3. [geïntimeerde 1] c.s. zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de vervallen huurtermijnen, telkens vanaf de vervaldatum van de opeisbare termijnen, en

  4. [geïntimeerde 1] c.s. zal veroordelen tot betaling van de proceskosten in beide instanties en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.3

Het hoger beroep spitst zich toe op de in het bestreden vonnis afgewezen vorderingen van Vastgoed. Met haar toegelichte grieven 1 tot en met 4 komt Vastgoed in de kern op tegen het onder die afwijzing liggende kantonrechtersoordeel dat als [tolk] niet gevolmachtigd was om namens Vastgoed te handelen, [geïntimeerde 1] c.s. er in ieder geval op basis van een aan Vastgoed toerekenbare schijn gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [tolk] namens Vastgoed met de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst per 1 maart 2013 heeft ingestemd. Nu door de devolutieve werking van het hoger beroep ook de in eerste aanleg niet behandelde of verworpen (grondslagen van de) vordering van Vastgoed en de verweren van [geïntimeerde 1] c.s. binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep ter beoordeling aan het hof voorliggen, liggen die vorderingen en dat verweer op de hierna te bespreken wijze in volle omvang ter beslissing voor zodat deze toegelichte grieven geen afzonderlijke bespreking behoeven en zich lenen voor gezamenlijke bespreking.

3.4

Vastgoed legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de artikel 228 lid 1voor bepaalde tijd aangegane huur niet eindigt vóór het verstrijken van de overeengekomen bepaalde tijd en dus pas per 30 juni 2013 is geëindigd. [geïntimeerde 1] c.s. voert hiertegen het bevrijdende verweer dat de beëindiging met wederzijds goedvinden al per 1 maart 2013 heeft plaatsgevonden omdat [tolk] hiermee namens Vastgoed heeft ingestemd.

3.5

Onder verwijzing naar de door [geïntimeerde 1] c.s. opgemaakte en (bij conclusie van antwoord als productie) overgelegde Nederlandse tekstversie daarvan, betwist Vastgoed dat de door [tolk] aan [geïntimeerde 1] c.s. geschreven e-mail van 9 februari 2013 tekstueel die instemming met een voortijdige huurbeëindiging inhoudt. Het hof volgt [geïntimeerde 1] c.s. hierin echter niet en overweegt dat de door Vastgoed bedoelde tekstversie luidt

Hello!

Hierbij bekend dat de verhuurder een document door u allen te worden ondertekend ontvangen.

Toestand van bevrijd je van het huren van een appartement [adres] is de volgende:

1 Er moeten anderen bereid zijn (en hebben zelfs een contract opgesteld voor hen) zijn

2 Verlies van de waarborgsom (dit bekend was)

3 Geen van achterstanden in de betaling van de huur.

4 De eindafrekening voor gas, water, elektriciteit (te huur is inbegrepen vooruitbetallng voor gas, water, elektriciteit, bij normaal gebruik. Het werd geschreven op het moment dat de staat meterstanden hoe ingevoerd)

5 Op zondag 23-02-2013 arriveert eigenaar om de sleutels en meterstanden verzamelen en registreren wat is overschreden moet worden betaald in contanten.

Ik wil graag een afspraak met u zo spoedig mogelijk maken.”

Niet doorslaggevend is wat Vastgoed in dit voor [geïntimeerde 1] c.s. bedoelde stuk van [tolk] leest. Voor de uitleg hiervan komt het ook niet alleen aan op een zuiver taalkundige uitleg van daarin gebruikte bewoordingen maar vooral op de zin en betekenis die [geïntimeerde 1] c.s. redelijkerwijs daaraan mocht toekennen en hetgeen [geïntimeerde 1] c.s. te dien aanzien redelijkerwijs van [tolk] mocht verwachten. Hierbij is van belang dat [geïntimeerde 1] c.s. al kort voor 9 februari 2013 in overleg met [tolk] de opzeggingsbrief naar Vastgoed had gestuurd. Naar Vastgoed niet althans onvoldoende betwist, wist [geïntimeerde 1] c.s. dat [tolk] na de verzonden opzeggingsbrief nog met Vastgoed over de door [geïntimeerde 1] c.s. gewenste voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst zou spreken. Zowel [tolk] als [geïntimeerde 1] c.s. is van Poolse afkomst terwijl [geïntimeerde 1] c.s. de Nederlandse taal niet goed beheerst. Nu Vastgoed geen feiten en omstandigheden aanvoert die tot een andere uitleg van de door haar ingeroepen tekstversie aanleiding geven, moet de e-mail aldus worden uitgelegd dat [tolk] aan [geïntimeerde 1] c.s. schreef dat de verhuurder met voortijdige huurbeëindiging instemt als er een of meer voor de verhuurder acceptabele opvolgend huurders zijn, [geïntimeerde 1] c.s. afstand doet van de betaalde waarborgsom en [geïntimeerde 1] c.s. bij de oplevering van het appartement geen betalingsachterstand aan huur of energiekosten heeft. Anders dan Vastgoed meent, hebben [geïntimeerde 1] c.s. in ieder geval mogen begrijpen dat werd ingestemd met de gewenste voortijdige huurbeëindiging, zij het onder de hiervoor vermelde voorwaarden.

3.6

Hiermee spitst het geschil zich vervolgens toe op de vraag of [tolk] bevoegd was om namens Vastgoed die instemming te geven dan wel of [geïntimeerde 1] c.s. wordt beschermd omdat [geïntimeerde 1] c.s. er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [tolk] daartoe bevoegd was.

3.6.1

Wat betreft de vraag of [tolk] ook de bevoegdheid had om in naam van Vastgoed te handelen, overweegt het hof dat een dergelijke door Vastgoed uitdrukkelijk of stilzwijgend verleende volmacht nog niet volgt uit de enkele bewering en conclusie van [geïntimeerde 1] c.s. dat makelaar [tolk] namens Vastgoed optrad. [geïntimeerde 1] c.s. concretiseert niet met relevante feiten of bescheiden dat, hoe en/of wanneer Vastgoed aan [tolk] opdracht heeft gegeven om als makelaar te bemiddelen bij de verhuur van het appartement. Zelfs als Vastgoed aan [tolk] als makelaar een dergelijke bemiddelingsopdracht mocht hebben gegeven, houdt dat bovendien nog niet zonder meer een uitdrukkelijk of stilzwijgend verleende volmacht in tot het sluiten van een huurovereenkomst. Dat [tolk] ten behoeve van Vastgoed handelde, maakt ook nog niet dat [tolk] bevoegd was om in naam van Vastgoed te handelen. Dat [tolk] die bevoegdheid had, volgt evenmin uit de stelling van [geïntimeerde 1] c.s. dat hij aan [tolk] het voornemen om de huur voortijdig te beëindigen heeft gemeld, waarna [tolk] adviseerde tot de opzeggingsbrief en [tolk] hem de concepttekst toemailde voor de op 31 januari 2013 verstuurde brief. Ook voor zover [tolk] volgens [geïntimeerde 1] c.s. in haar e-mail van 9 februari 2013 schreef dat de verhuurder op 23 februari 2013 zou komen om de sleutels van het appartement in te nemen, de meterstanden op te nemen en contant af te rekenen en [tolk] zou hebben aangegeven al opvolgende huurders te hebben, volgt hieruit nog niet dat [tolk] ook bevoegd was om in naam van Vastgoed te handelen. Ditzelfde geldt voor de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. dat [tolk] niet telefonisch bereikbaar bleek toen op 23 februari 2013 niemand namens de verhuurder op de met [tolk] gemaakte afspraak verscheen, terwijl [geïntimeerde 1] c.s. die dag naar Polen moest vertrekken en [geïntimeerde 1] c.s. daarom de sleutels van het appartement bij een buurman hebben afgegeven.

3.6.2

De vraag of [geïntimeerde 1] c.s. wordt beschermd omdat [geïntimeerde 1] c.s. er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [tolk] bevoegd was om namens Vastgoed de instemming met de voortijdige huurbeëindiging te geven, beoordeelt het hof -anders dan de kantonrechter- ontkennend.

Voor zover Vastgoed aangeeft dat [tolk] niet voor haar heeft gewerkt maar wel aspiranthuurders heeft aangebracht en dat [tolk] incidenteel in haar opdracht tolk-vertaaldiensten heeft verricht maar nooit in haar opdracht als makelaar is opgetreden, zijn deze door Vastgoed erkende omstandigheden hiertoe in ieder geval onvoldoende.

[geïntimeerde 1] c.s. verduidelijkt niet althans onvoldoende feiten en omstandigheden waaruit [geïntimeerde 1] c.s. op grond van met [tolk] gewisselde verklaringen of uit door [tolk] gedane uitlatingen heeft mogen afleiden dat [tolk] de bevoegdheid had om in naam van Vastgoed te handelen. Ook voor zover [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert dat [tolk] voor het appartement een advertentie had gezet op de Poolse variant van Marktplaats.nl, dat [tolk] als tolk-vertaalster bij de ondertekening van het huurcontract aanwezig was, dat [tolk] het huur- en/of borgtochtcontract ter ondertekening naar [geïntimeerde 3] heeft gebracht, dat [tolk] met een sleutel op onaangekondigde en ongewenste momenten het appartement pleegde te betreden en dat [tolk] bemiddelde bij de gewenste voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst, volgt hieruit nog niet dat [tolk] daarbij aangaf dat zij handelde in naam van Vastgoed. Uit deze door [geïntimeerde 1] c.s. ingeroepen omstandigheden volgt al helemaal niet dat die omstandigheden ook aan Vastgoed toerekenbaar zijn, laat staan dat [geïntimeerde 1] c.s. op grond hiervan redelijkerwijze heeft mogen aannemen dat Vastgoed daartoe een toereikende volmacht aan [tolk] had verstrekt.

[geïntimeerde 1] c.s. onderbouwt verder niet althans onvoldoende dat en op basis van welke concrete verklaringen of gedragingen van Vastgoed hij heeft aangenomen en in dit geval redelijkerwijze heeft mogen aannemen dat aan [tolk] een toereikende volmacht was verleend dan wel op basis van welke voor risico van Vastgoed komende feiten en omstandigheden [geïntimeerde 1] c.s. gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat een toereikende volmacht was verleend en waaruit naar verkeersopvattingen [geïntimeerde 1] c.s. zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ook heeft mogen afleiden.

Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. zich er op beroept dat hij alleen bij de ondertekening van het huurcontract contact met Vastgoed zelf althans haar directeur [directeur Vastgoed] heeft gehad terwijl (uitsluitend) [tolk] zelf een- of meermalen de indruk wekte dat zij bevoegd namens Vastgoed handelde, is dat onvoldoende om de onjuistheid van een door [geïntimeerde 1] c.s. veronderstelde bevoegdheid van [tolk] ook tegen Vastgoed te mogen inroepen.

3.7

Nu hetgeen partijen verder nog aanvoeren niet tot een ander oordeel leidt, komt het hof tot de conclusie dat de huurovereenkomst niet per 1 maart 2013 maar pas per 30 juni 2013 is geëindigd. Het hof zal de gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is geëindigd per 30 juni 2013 daarom alsnog toewijzen.

3.8

Voor zover Vastgoed de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. vordert tot betaling van totaal € 5.500,66, maakt Vastgoed aanspraak op betaling van € 25,-- aan restant huurtermijn juli 2012, van € 4.100,-- aan huurtermijnen maart tot en met juni 2013, van

€ 838,16 aan afrekening energiekosten en van € 537,50 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.8.1

Dat [geïntimeerde 1] c.s. zich bedrogen voelt omdat Vastgoed aanspraak maakt op betaling van termijnen over een periode dat hij niet in het appartement heeft verbleven of gewoond, vormt hiertegen geen steekhoudend verweer. Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. geen gebruik maakt van uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten, ontslaat dat [geïntimeerde 1] c.s. nog niet van uit diezelfde overeenkomst voor hem voortvloeiende verplichtingen. Ook zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat Vastgoed daarmee een haar toekomende bevoegdheid misbruikt.

3.8.2

Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, spitst het hoger beroep zich toe op de in het bestreden vonnis afgewezen vorderingen van Vastgoed. In het bestreden vonnis is de door Vastgoed gevorderde betaling van € 25,-- aan onbetaald gebleven huurtermijn juli 2012 echter al toegewezen, zodat dit verder niet ter beoordeling aan het hof voorligt.

3.8.3

Voor zover relevant legt Vastgoed aan de gevorderde betaling van € 4.100,-- ten grondslag dat toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de huurdersverplichting om de huur op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen. Vastgoed stelt dat de huurtermijnen maart tot en met juni 2013 voor € 4.100,-- onbetaald zijn gelaten. Nu het hof concludeert dat de huurovereenkomst niet per 1 maart 2013 maar pas per 30 juni 2013 is geëindigd, faalt het hiertegen door [geïntimeerde 1] c.s. gevoerde verweer dat de huurovereenkomst op 1 maart 2013 is geëindigd. Als overigens onweersproken zal het hof de gevorderde betaling van € 4.100,-- alsnog toewijzen.

3.8.4

Voor zover relevant legt Vastgoed aan de gevorderde betaling van € 838,16 aan energiekosten ten grondslag dat toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichting om de energiekosten voor de huurperiode correct te voldoen. Nu het hof concludeert dat de huurovereenkomst niet per 1 maart 2013 maar pas per 30 juni 2013 is geëindigd, komt Vastgoed met haar toegelichte grief 5 terecht op tegen het ter afwijzing van deze vordering gehanteerde kantonrechtersoordeel dat naast de meterstanden per 1 juli 2012 niet die per 30 juni 2013 maar die per 1 maart 2013 tot uitgangspunt voor de afrekening moeten worden genomen. Vastgoed stelt dat van de afrekening over de periode juli 2012 tot en met 30 juni 2013 € 838,16 onbetaald is gebleven en zij onderbouwt dit met een (als productie 4 bij inleidende dagvaarding overgelegde) gespecificeerde energie-afrekening. Hoewel in reactie daarop een gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde 1] c.s. mocht worden verwacht en gevergd, weerspreekt [geïntimeerde 1] c.s. dat niet inhoudelijk. De door Vastgoed gegeven onderbouwing en berekening maakt voor zowel electra als gas en water duidelijk op welke gegevens Vastgoed deze vordering precies baseert. Anders dan de kantonrechter lijkt te hebben gezien, blijkt daaruit ook dat en hoe het in betaalde maandtermijnen opgenomen voorschot daarin is verrekend. Als onvoldoende weersproken zal het hof ook de gevorderde betaling van € 838,16 alsnog toewijzen.

3.8.5

Als niet althans onvoldoende weersproken zal het hof tevens de gevorderde betaling van € 537,50 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.

3.9

Nu de andere geschilpunten niet tot een ander oordeel leiden, komt het hof tot de slotsom dat het hoger beroep voor Vastgoed succes heeft. De grieven leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij de door Vastgoed gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde hoofdelijk veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. tot betaling van huurtermijnen maart tot en met juni 2013, buitengerechtelijke incassokosten en van kosten afrekening energie is afgewezen. Als niet althans onvoldoende weersproken zal het hof ook de wettelijke rente over de toewijsbare huurtermijnen toewijzen.

Het hof zal de overwegend in het ongelijk te stellen [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep veroordelen. De grieven leiden dus ook tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover Vastgoed daarbij in de proceskosten van de eerste aanleg is veroordeeld. Het hof zal verder de nakosten (voorwaardelijk) begroten en de door Vastgoed gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad toewijzen.

Mede in aanmerking nemend dat de aan Vastgoed al toegewezen betaling van de restant huurtermijn juli 2012 met wettelijke rente onberoepen is gebleven, zal het hof voor de duidelijkheid en onder vernietiging van het bestreden vonnis hieronder een nieuw volledig dictum geven en beslist het hof als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende het gehuurde, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres], is geëindigd per 30 juni 2013;

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat als en voor zover de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Vastgoed te betalen

  1. een bedrag van € 25,-- wegens restant huur juli 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2012 tot aan de dag van betaling;

  2. een bedrag van € 4.100,-- wegens huren maart tot en met juni 2013,

  3. een bedrag van € 537,50 wegens buitengerechtelijke kosten,

  4. een bedrag van € 838,16 wegens kosten afrekening energie;

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Vastgoed te betalen de wettelijke rente over de hiervoor toegewezen huurtermijnen, telkens vanaf de vervaldatum van de bewuste opeisbare termijn(en) tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Vastgoed begroot op € 541,97 aan verschotten en op € 500,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 1.026,14 aan verschotten en op € 632,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep,

en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden,

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor wat betreft de hiervoor toegewezen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en Th.J.A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 april 2016.

griffier rolraadsheer