Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1615

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
13-03-2017
Zaaknummer
200.183.165/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:944
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 21 april 2016

Zaaknummer : 200.183.165/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/294971 / FA RK 15-3143

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Slaats,

hierna: de moeder,

- Raad voor de Kinderbescherming,

locatie [locatie] ,

hierna: de raad,

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 oktober 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 december 2015, heeft de pleegmoeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder alsnog toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 februari 2016, heeft de moeder verzocht het door de pleegmoeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 februari 2016, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de pleegmoeder toe te wijzen en de bestreden beschikking te vernietigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de pleegmoeder van 10 februari 2016, 3 februari 2016, 26 februari 2016 en 29 februari 2016;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 4 maart 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] .

3.2.1.

[minderjarige] staat sinds 15 oktober 2012 onder toezicht van de GI.

3.2.2.

Het hof constateert dat de moeder en de pleegmoeder, tevens overgrootmoeder van [minderjarige] (de pleegmoeder is de grootmoeder van de moeder), van mening verschillen over het moment waarop [minderjarige] volledig bij de pleegmoeder verblijft: volgens de moeder is dit sinds september 2012 en volgens de pleegmoeder sinds eind 2009.

Met ingang van 24 september 2013 verblijft [minderjarige] op grond van een daartoe strekkende machtiging bij de pleegmoeder.

3.2.3.

Uit de inhoud van de stukken blijkt dat de GI op 7 januari 2014 het opvoedbesluit heeft genomen dat [minderjarige] tot aan haar meerderjarigheid bij de pleegmoeder zal opgroeien.

3.3.

De raad heeft de rechtbank verzocht om het ouderlijk gezag van de moeder te beëindigen. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft hierbij geconcludeerd dat de raad de rechtbank onvoldoende in staat heeft gesteld om te kunnen beoordelen of de moeder binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar (toevoeging hof) te achten termijn, weer in staat zal zijn haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

3.4.

De pleegmoeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert zij, kort samengevat, aan dat er bij haar sprake is van een veilige opvoedsituatie en dat [minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. [minderjarige] is ‘geworteld’ bij de pleegmoeder en voelt zich bij haar thuis. De pleegmoeder acht het, met de raad, in het belang van [minderjarige] dat zij bij haar blijft wonen totdat zij meerderjarig wordt. Volgens de pleegmoeder heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop en het feit dat [minderjarige] bij de pleegmoeder is opgebloeid.

De pleegmoeder stelt dat de moeder niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen. [minderjarige] heeft epilepsie en heeft behoefte aan specifieke zorg en toezicht. Daarnaast kan [minderjarige] geen spanningen hebben, zulks ter voorkoming van epileptische aanvallen. Verder voert de pleegmoeder aan dat de moeder lijdt aan PDD-NOS en dat zij te kampen heeft met persoonlijke problematiek waardoor zij ongeschikt is om volledig voor [minderjarige] te zorgen.

Voorts voert de pleegmoeder aan dat de rechtbank er geen rekening mee heeft gehouden dat [minderjarige] met de moeder veel heeft meegemaakt en dat zij een getraumatiseerd kind is. [minderjarige] is bang voor haar moeder, zeker rondom de periodes dat er contact is tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder heeft [minderjarige] verteld dat zij met haar naar Curaçao wil gaan, wat [minderjarige] bang maakt.

Tot slot betoogt de pleegmoeder dat [minderjarige] in haar belangen wordt geschaad, omdat de moeder misbruik maakt van haar ouderlijk gezag. De moeder heeft al tweemaal een psychologisch onderzoek dat bij [minderjarige] zou worden afgenomen, verhinderd door op de valreep haar toestemming in te trekken. Verder heeft de moeder een andere huisarts genomen waardoor de pleegmoeder een consult bij de vorige huisarts zelf moest betalen en [minderjarige] bovendien de vertrouwensband met haar huisarts kwijtraakte. Daarnaast weigert de moeder haar toestemming te verlenen voor een behandeling van [minderjarige] . Die behandeling is noodzakelijk, omdat [minderjarige] stemmen hoort.

Al met al acht de pleegmoeder het in het belang van [minderjarige] indien het gezag van de moeder over [minderjarige] wordt beëindigd.

3.5.

De moeder voert in het verweerschrift, kort samengevat, aan dat de pleegmoeder geen belang heeft bij het ingestelde hoger beroep. De pleegmoeder is weliswaar belanghebbende, maar slechts voor zover die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft of bij beslissingen aangaande de verblijfplaats van [minderjarige] . De moeder is van mening dat de pleegmoeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep.

Voor zover de pleegmoeder kan worden ontvangen in haar hoger beroep, voert de moeder aan dat [minderjarige] last heeft van het door de pleegmoeder geprojecteerde negatieve beeld over haar moeder. [minderjarige] krijgt daarnaast steeds minder ruimte om een positief contact met haar moeder te hebben.

De moeder betwist dat het in [minderjarige] ’s belang is dat haar verblijf bij de pleegmoeder wordt gecontinueerd, nu de rechtbank heeft overwogen dat nader onderzoek noodzakelijk is.

Verder stelt de moeder dat de pleegmoeder niet de kennis, noch het objectieve inzicht heeft, om te kunnen oordelen over de geschiktheid van de moeder als opvoeder; over de pedagogische vaardigheden van de moeder is nimmer duidelijkheid gecreëerd. De moeder betwist de voorbeelden die de pleegmoeder aanhaalt ter illustratie van haar stelling dat de moeder haar ouderlijk gezag zou misbruiken.

Resumerend is de moeder van mening dat de rechtbank in de bestreden beschikking terecht heeft geconcludeerd en beslist dat er antwoorden moeten komen alvorens er een ingrijpende beslissing als gezagsbeëindiging kan worden genomen.

3.6.

De GI heeft zich in het verweerschrift aangesloten bij het inleidende verzoek van de raad, zoals gedaan in eerste aanleg. Volgens de GI dient het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] te worden beëindigd. Daartoe voert de GI, kort samengevat, aan dat er sinds het geven van de bestreden beschikking (op 8 oktober 2015) meerdere ontwikkelingen hebben plaatsgevonden.

  • -

    op 23 november 2015 heeft [minderjarige] tegenover de nieuwe gezinsvoogd aangegeven dat ze bang is voor haar moeder en dat zij zich vertrouwd en veilig voelt bij de pleegmoeder. Zij beschouwt het huis van de pleegmoeder als haar thuis;

  • -

    op 24 november 2015 komt uit de speltherapie naar voren dat zij veel te kampen heeft gehad met angsten en dat zij veel last heeft van de spanningen tussen haar moeder en pleegmoeder. De moeder geeft echter aan dat zij geen gesprekken met de pleegmoeder wenst te voeren in het kader van systeemtherapie om hun communicatie te verbeteren;

  • -

    op 1 december 2015 belt de moeder op het laatste moment af, als de pleegmoeder en [minderjarige] al naar speltherapie onderweg zijn;

  • -

    op 27 december 2015 ontstond er tijdens een bezoekmoment van de moeder aan [minderjarige] strijd tussen de moeder en de pleegmoeder en zou de moeder, in het bijzijn van [minderjarige] , dreigend op de pleegmoeder afgekomen zijn. Na dit bezoek geeft de pleegmoeder aan dat zij [minderjarige] niet langer wil voorbereiden op contact met haar moeder, omdat zij [minderjarige] wil beschermen;

  • -

    op 12 januari 2016 gaat de moeder pas akkoord met hervatting van de speltherapie ten behoeve van [minderjarige] nadat aan haar een schriftelijke aanwijzing is gegeven;

  • -

    op 20 januari 2016 geeft de school aan dat er sprake is van een terugval bij [minderjarige] . De laatste twee maanden is zij vaak ziek en is zij minder geconcentreerd en taakgericht. [minderjarige] is in elkaar gezakt op school en was daarna een half uur niet aanspreekbaar;

  • -

    op 26 januari 2016 geeft psychologenpraktijk OOG aan dat de basisvoorwaarden voor speltherapie, zijnde stabiliteit en regelmaat, niet aanwezig zijn. Men wil systeemtherapie opstarten om de communicatie tussen de moeder en de pleegmoeder te verbeteren, maar omdat de moeder en de pleegmoeder voorafgaand hieraan ieder individueel een gesprek willen, loopt dit traject vertraging op;

  • -

    op 29 januari 2016 heeft [minderjarige] ten overstaan van de kinderarts (en het in bijzijn van de gezinsvoogd en de pleegmoeder) aangegeven last te hebben van hoofdpijn en duizelingen. De pleegmoeder geeft bij dit gesprek aan dat [minderjarige] ’s nachts in haar slaap actief is en dat zij last heeft van hartkloppingen. Er zal een slaaponderzoek bij [minderjarige] worden afgenomen. De GI merkt hierbij op dat de pleegmoeder tijdens dit gesprek in het bijzijn van [minderjarige] gedragingen van de moeder bespreekt die van negatieve invloed op [minderjarige] zijn;

  • -

    op 15 februari 2016 geeft [minderjarige] tegenover de pleegzorgwerker aan dat zij rust wil hebben, dat zij last heeft van herinneringen aan vroeger die boven komen en dat zij zich op school niet goed kan concentreren.

De GI voert aan dat de pleegmoeder niet achter verdere onderzoeken naar de mogelijkheden van de moeder met betrekking tot haar pedagogische vaardigheden staat en dat zij hieraan onvoldoende meewerkt. De moeder laat weten dat zij door de pleegmoeder nauwelijks wordt geïnformeerd over [minderjarige] . Er zijn volgens de GI teveel obstakels om nader te onderzoeken of de moeder in staat zal zijn haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.

De GI stelt dat [minderjarige] in de huidige situatie ernstig wordt bedreigd. Zij heeft recht op rust, stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingsomgeving; dit krijgt zij momenteel onvoldoende. Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind is de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin het verder zal opgroeien, die het kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen. Een zich over jaren uitstrekkende verlenging van de ondertoezichtstelling sluit volgens de GI niet aan bij de redelijke termijn.

3.7.

De raad heeft ter zitting het inleidende verzoek gehandhaafd. Na het geven van de bestreden beschikking, is de hulpverlening er niet in geslaagd om nader onderzoek te doen, zoals door de rechtbank overwogen. De raad vreest dat dit onderzoek niet meer van de grond gaat komen als deze situatie, waarin de pleegmoeder en de moeder op gespannen voet tegenover elkaar staan, ongewijzigd blijft voortduren.

Het hof overweegt het volgende.

Ontvankelijkheid van de pleegmoeder in het door haar ingestelde hoger beroep

3.8.1.

Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of de pleegmoeder aan te merken is als belanghebbende in de zin van artikel 806, eerste lid, jo 798, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en daarmee in hoger beroep kan komen van de bestreden beschikking.

Het hof antwoordt deze vraag bevestigend.

3.8.2.

Ingevolge artikel 798, eerste lid, eerste volzin, Rv moet onder belanghebbende worden verstaan: degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Bij Wet tot herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130), die op 1 januari 2015 in werking is getreden, is aan artikel 798, eerste lid, Rv een (tweede) volzin toegevoegd waarin wordt bepaald dat ook degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, als belanghebbende wordt aangemerkt. Op grond van de tweede volzin van artikel 798, eerste lid, Rv wordt de pleegmoeder als belanghebbende aangemerkt. Uit de toelichting bij het amendement waarbij de tweede volzin aan artikel 798, eerste lid, Rv is toegevoegd (Kamerstukken II, 32 015, 2010-2011, nr. 37) moet immers worden afgeleid dat het hier (uitsluitend) om een pleegouder gaat.

3.8.3.

Nu de pleegmoeder als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt haar op grond van het voorgaande recht toe om in hoger beroep te komen van de bestreden beschikking waarbij het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder is afgewezen

Inhoudelijke beoordeling

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Op grond van artikel 1:268 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen indien – voor zover hier van belang – een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:266 lid 1 aanhef en onder a of b is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.

3.9.3.

Ter zitting van het hof is met betrokkenen besproken dat [minderjarige] sterk te lijden heeft onder de voortdurende en verharde strijd die tussen de moeder en de pleegmoeder is ontstaan. De moeder en de pleegmoeder diskwalificeren elkaar en zijn volhardend in hun wens om [minderjarige] zelf op te voeden en te verzorgen. De onderlinge communicatie tussen de pleegmoeder en de moeder verloopt dermate gespannen dat dit zijn weerslag heeft op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en een ernstige bedreiging oplevert voor haar algehele gezondheid. [minderjarige] zit klem tussen haar moeder en haar pleegmoeder (van wie zij houdt) en daarnaast vertoont zij psychosomatische klachten.

Een andere zorg wordt door het hof gezien in het feit dat zowel de GI als de raad ter zitting hebben aangeven niet overtuigd te zijn dat een permanent verblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder op langere termijn in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De GI en de raad betwijfelen of de pleegmoeder in staat is om [minderjarige] en de moeder de ruimte te geven om een band met elkaar op te bouwen. Daarnaast is de communicatie tussen de moeder en de pleegmoeder dermate slecht en heeft deze een dermate negatieve invloed op [minderjarige] dat de GI en de raad zich afvragen of het niet beter is om [minderjarige] uit de strijd te halen en haar elders op een neutrale plek te laten opgroeien.

De GI stelt dat het onder de huidige omstandigheden onmogelijk is om te onderzoeken of de moeder in staat zal zijn haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen. Tevens heeft de GI naar voren gebracht dat [minderjarige] recht heeft op rust, stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingsomgeving en dat zij dit momenteel onvoldoende krijgt.

Het hof overweegt dat zowel de pleegmoeder als de moeder het onmogelijk maken om een in alle opzichten gewogen beslissing te nemen over de kwestie of de moeder binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer in staat zal zijn haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.

Teneinde de bestaande patronen te doorbreken, is systeemtherapie geïndiceerd, die erop is gericht de verstandhouding tussen de moeder en de pleegmoeder te verbeteren. Ter zitting van het hof is gebleken dat de moeder en de pleegmoeder daartoe het vereiste voortraject hebben doorlopen en dat zij overwegend positief tegenover het idee van systeemtherapie staan. Volgens de GI kan de systeemtherapie binnen afzienbare tijd worden gestart. Daarnaast kunnen de raad en de GI zich richten op de vragen die de rechtbank heeft opgeworpen en waarvan beantwoording ter beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag ook door het hof van belang wordt geacht. Het hof verwijst daartoe naar de inhoud van de bestreden beschikking. Het hof is echter ook van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat de grond, bedoeld in artikel 1:266 lid 1 aanhef en onder a of b is vervuld, zulks in relatie tot de door de GI gestelde noodzaak voor [minderjarige] dat er voor haar rust en stabiliteit in de opvoedsituatie moet komen, waarvan al veel te lange tijd geen sprake is. Het hof acht mitsdien onder de gegeven omstandigheden een schorsing van het gezag van de moeder noodzakelijk.

3.9.4.

Het hof heeft de noodzaak van een schorsing van het gezag en gelijktijdige aanhouding van de zaak met betrokkenen ter zitting besproken.

De pleegmoeder, de raad en de GI kunnen zich hierin vinden, de moeder verzet zich: met schorsing zou het signaal worden gegeven dat zij het gezag heeft misbruikt en daarvan is volgens haar geen sprake. De moeder vreest ook dat een schorsing in een later stadium gebruikt zal worden om haar het gezag definitief te ontnemen. Verder vreest zij dat er gedurende de periode waarin haar gezag is geschorst niet meer zal worden geïnvesteerd in de contacten tussen de moeder en [minderjarige] en dat het onderzoek naar haar pedagogische kwaliteiten zal worden afgewacht totdat de systeemtherapie is afgerond.

De raad wijst er op dat schorsing van het gezag niets zegt over de contacten tussen de moeder en [minderjarige] of over de opvoedkundige capaciteiten van de moeder. De raad heeft tot slot verklaard dat met name de belangen van [minderjarige] ermee zijn gediend als het gezag van de moeder wordt geschorst, zodat er belangrijke dingen kunnen worden gestart dan wel kunnen worden hervat. De GI sluit zich hierbij aan.

3.9.5.

Op grond van het vorenstaande zal het hof het gezag van de moeder schorsen voor de duur van deze procedure. Het is aan de moeder en de pleegmoeder om de komende periode te gebruiken om hun onderlinge communicatie te verbeteren, elkaar te leren respecteren en elkaar ten aanzien van [minderjarige] de ruimte te gunnen, zodat er voor [minderjarige] rust komt. De raad dient nader onderzoek te doen naar de vraag of is voldaan aan de criteria van artikel 1: 266 BW. De moeder en de pleegmoeder dienen aan dit onderzoek hun volledige medewerking te geven en daarbij de instructies van de raad en de GI op te volgen.

3.9.6.

Het hof zal de zaak aanhouden tot 21 oktober 2016 en verzoekt de raad vóór het verstrijken van deze datum het hof te informeren over het verloop van het onderzoek en de uitkomsten daarvan.

4 De beslissing

Het hof:

schorst met ingang van heden de gezagsdrager, te weten de moeder, in de uitoefening van het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ;

belast Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, locatie Helmond, met de voorlopige voogdij over voornoemde minderjarige met ingang van 21 april 2016;

bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het gezagsregister;

verzoekt de raad om het hof te informeren vóór 21 oktober 2016 over het verloop van het onderzoek en de uitkomsten daarvan;

houdt iedere verdere beslissing aan tot pro forma 21 oktober 2016;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.C. Bijleveld-van der Slikke en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.