Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1599

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
200.166.937/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3748
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 april 2016

Zaaknummer: F 200.166.937/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/01/274114 / FA RK 14-436-2

C/01/274114 / FA RK 14-436-2H

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

ten tijde van het instellen van hoger beroep, wonende te [woonplaats] ,

thans wonende te [woonplaats] , (België),

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B. du Fossé,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.S.M. Vogelaar.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking van 24 september 2015

Bij die beschikking heeft het hof, onder aanhouding van de zaak tot 7 maart 2016 pro forma, omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot de minderjarige [de minderjarige] als voorlopige regeling vastgesteld dat de vader en [de minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar eens in de veertien dagen van donderdagmiddag na school tot maandagochtend voor school.

Tevens heeft het hof partijen verwezen naar hulpverlening (Jeugdzorg / Maatschappelijk Werk) in het kader van ouderschap na scheiding.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Gewijzigd verzoek van de vader

6.1.

De vader heeft bij V-formulier van 7 maart 2016, met één bijlage, het hof verzocht de zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] als volgt vast te stellen:

  • -

    eenmaal per twee weken vanaf donderdag na school tot maandagochtend, waarbij de vader [de minderjarige] op donderdag van school haalt en haar op maandag weer naar school brengt;

  • -

    eenmaal per twee weken op woensdagmiddag (in de week dat [de minderjarige] niet vanaf donderdag bij de vader verblijft) na school tot donderdagochtend, waarbij de vader [de minderjarige] op woensdag van school haalt en haar op donderdag naar school brengt.

Verder verzoekt de vader een dwangsom te verbinden aan de niet nakoming van de zorgregeling van € 250,= per dag voor iedere dag dat de moeder in gebreke blijft.

Gewijzigd verzoek van de moeder

6.2.

De moeder heeft per faxbericht van 7 maart 2016 eveneens haar verzoek in hoger beroep gewijzigd in die zin dat zij thans verzoekt om vast te stellen dat het omgangsweekend ingaat op vrijdagmiddag na school (12.30 uur) in plaats van donderdagmiddag na school (15.30 uur) en eindigt op maandagmorgen 08.30 uur.

6.3.

Het hof acht zich thans voldoende voorgelicht om de zaak op de stukken af te doen.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Het hof is gebleken dat partijen van de doorverwijzing, zoals opgenomen in de tussenbeschikking van 24 september 2015, in het kader van ouderschap na scheiding geen gebruik hebben gemaakt. De vader stelt dat de moeder niet langer bereid was om hieraan mee te werken. De moeder heeft zich over dit onderwerp niet uitgelaten richting het hof.

Het hof kan op grond van deze informatie in ieder geval constateren dat het traject dat de ouders met elkaar zouden ingaan teneinde samen te leren hoe zij [de minderjarige] kunnen ondersteunen en helpen en waarbij tevens aandacht zou zijn voor de onderlinge communicatie tussen de ouders, niet van de grond is gekomen. In de tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat het in het belang van [de minderjarige] was indien de ouders hieraan zouden meewerken. Het hof betreurt dan ook dat partijen er niet in zijn geslaagd om samen hun weg naar de hulpverlening te vinden.

7.2.

Na het verstrijken van de proefperiode waarin uitvoering is gegeven aan een voorlopige zorgregeling, verschillen partijen nog van mening welke definitieve zorgregeling in het belang van [de minderjarige] wenselijk is.

Het hof zal hieronder kort samengevat de standpunten van partijen uiteenzetten zoals verwoord in hun processtukken.

 Standpunt van de vader.

Bij de regeling zoals vastgelegd door de rechtbank is er sprake van een periode van negen dagen waarin er geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] . De vader heeft moeten bemerken dat deze periode zowel voor [de minderjarige] als voor hem te lang is. Zij missen elkaar en de vader voelt zich op deze wijze niet voldoende betrokken bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

Er bestaat verder geen enkel beletsel voor wekelijkse contacten tussen de vader en [de minderjarige] , dan enkel de emotionele bezwaren bij de moeder. De vader acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij wekelijks contact heeft met haar vader. De vader hecht dan ook grote waarde aan de overnachting van [de minderjarige] bij hem. Op deze manier draait [de minderjarige] mee in zijn gezin op een doordeweekse dag, hetgeen in haar belang is. Het bedritueel heeft voor de vader bovendien een grote meerwaarde en de overnachtingen verlopen altijd goed.

 Standpunt van de moeder

De moeder ziet geen meerwaarde de vastgestelde uitbreiding van de zorgregeling voor wat betreft de overnachting van woensdagmiddag op donderdagochtend. Van enig feitelijk contactmoment tijdens het slapen van [de minderjarige] is immers geen sprake. Daarnaast voelt [de minderjarige] zich bij de huidige woensdagregeling zeer ongemakkelijk. Zij klaagt voortdurend over hoofdpijn, buikpijn en slaapt slecht. Bij terugkomst, zeker van het doordeweekse contact, is zij erg moe en heeft zij veel moeite met aanpassen. Hiervan is in sterke en toenemende mate sprake sinds januari 2015: het moment waarop de zorgregeling is veranderd. De regeling die de vader het hof verzoekt vast te stellen, betekent dat [de minderjarige] iedere woensdagmiddag uit haar natuurlijke leefomgeving wordt getrokken om bij de vader te verblijven.

Het hof overweegt als volgt.

7.3.

Het hof constateert dat de voorlopige regeling, zoals opgenomen in voornoemde tussenbeschikking, door partijen naar behoren is nageleefd en dat zowel de moeder als de vader het hof niet hebben bericht over een probleem in de uitvoering van deze voorlopige regeling. Evenmin hebben de ouders een signaal gegeven dat de voorlopige regeling voor [de minderjarige] niet prettig is verlopen. Hoewel met name de vader er aan hecht dat er in de week waarop hij geen contact heeft met [de minderjarige] er een contactmoment dient te zijn op woensdag, acht het hof dit niet in [de minderjarige] ’s belang. Het hof overweegt daartoe onder meer dat de ouders dermate ver uit elkaar wonen dat [de minderjarige] één uur moet reizen om bij de andere ouder te komen. Het relatief korte contactmoment van woensdagmiddag tot danwel woensdagavond (zoals de moeder in dat geval wenst) of tot donderdagochtend (zoals de vader verzoekt), acht het hof niet opwegen tegen de belasting en onrust die voor [de minderjarige] wordt gecreëerd bij handhaving van deze omgangscontacten. Het hof acht het daarentegen wel in het belang van [de minderjarige] dat zij een langere aaneengesloten periode bij haar vader verblijft, zoals de afgelopen periode – sinds het geven van de tussenbeschikking – het geval is geweest. Het hof is van oordeel dat de voorlopige zorgregeling definitief dient te worden en het hof zal de zorgregeling, zoals vastgelegd bij de bestreden beschikking, in zoverre uitbreiden dat het omgangsweekend van de vader met [de minderjarige] zal beginnen op donderdagmiddag in plaats van vrijdagmiddag en zal eindigen op maandagochtend in plaats van zondagmiddag. Een verdere uitbreiding of beperking acht het hof niet in [de minderjarige] ’s belang. [de minderjarige] heeft ten overstaan van de vader aangegeven dat zij graag bij hem is en meer tijd met hem wil doorbrengen. Het hof is van oordeel dat continuering van de voorlopige regeling aan haar wens tegemoet komt, aangezien de vader en [de minderjarige] hierdoor in staat worden gesteld meer ‘quality time’ met elkaar hebben in een langere periode van vier aaneengesloten dagen. Anders dan de moeder betoogt ziet het hof dan ook geen aanleiding om de weekendregeling te laten ingaan op vrijdagmiddag.

Bij het definitief maken van de voorlopige regeling vinden er bovendien maar twee wisselmomenten in de veertien dagen plaats. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben beide ouders verklaard dat zij rust wensen voor [de minderjarige] , hetgeen het hof ten volle onderschrijft. Het hof overweegt hieromtrent dat vastlegging van deze regeling [de minderjarige] meer rust zal geven, aangezien zij maar twee keer in de veertien dagen hoeft te ‘schakelen’ tussen haar opvoeders en hun opvoedingsstijlen. Het hof acht de belangen van de ouders met voortzetting van de thans lopende regeling in voldoende mate gewaarborgd, terwijl het belang van [de minderjarige] met voortzetting van deze regeling het meest is gediend.

Dwangsom

7.4.

Het hof ziet in hetgeen de vader heeft aangevoerd geen aanleiding om aan het niet nakomen van de zorgregeling een dwangsom te verbinden. De zorgregeling is weliswaar regelmatig onderwerp van discussie (geweest) tussen de ouders, maar naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een substantieel en frequent niet-nakomen van de regeling, dat het opleggen van een dwangsom rechtvaardigt. Integendeel, de vader geeft in zijn brief van 7 maart 2016 aan dat de zorgregeling ‘behoorlijk verloopt.’. Dat de moeder – kennelijk – niet mee wenst te werken aan de geïndiceerde hulpverlening, hetgeen met name vervelend is voor [de minderjarige] , staat los van de nakoming van de zorgregeling en kan geen legitieme reden zijn om haar een dwangsom op leggen.

7.5.

Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de zorgregeling opnieuw vaststellen.

8 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietig de bestreden beschikking;

en opnieuw rechtdoende:

stelt omtrent de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] de volgende regeling vast:

- [de minderjarige] verblijft bij de vader gedurende:

o één weekend per veertien dagen van donderdagmiddag na school tot maandagochtend voor school, waarbij de vader [de minderjarige] naar school zal brengen;

o de helft van de vakanties en feestdagen, zoals vermeld in het aan de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 januari 2015 gehecht schema.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.D.M. Lamers en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.