Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1595

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
20-000343-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:307, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:520, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring doodslag. Betrouwbaarheid verklaringen verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2016, afl. 4, p. 192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000343-15

Uitspraak : 25 april 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 22 januari 2015 in de strafzaak met parketnummer

02-700095-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van moord (impliciet primair ten laste gelegd) en is verdachte ter zake van doodslag (impliciet subsidiair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake doodslag (impliciet subsidiair) zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit en een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging in eerste aanleg, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9/10 maart 2013 te Vlissingen opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval opzettelijk, die [slachtoffer] bij de keel/hals gepakt en/of (vervolgens) die keel/hals dichtgeknepen en/of gedurende enige tijd dichtgeknepen gehouden, in elk geval handelingen verricht, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen en overwegingen met betrekking tot het bewijs

De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde moord, nu het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat er sprake is geweest van enige voorbedachte raad bij verdachte. Naar het oordeel van de advocaat-generaal is er wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voor doodslag. Het slachtoffer [slachtoffer] is overleden en verdachte heeft verklaard dat hij haar door verwurging om het leven heeft gebracht. Anders dan de verdediging acht de advocaat-generaal die verklaringen van verdachte betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De verklaringen van verdachte over hoe hij zijn echtgenote zou hebben verwurgd worden niet weerlegd door het forensisch bewijs en om deze reden kan dan ook niet worden gesteld dat de verklaringen van verdachte suspect zouden zijn waar het betreft het waarheidsgehalte daarvan.

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat de bekennende verklaringen van verdachte als afgelegd tegenover de politie niet betrouwbaar zijn. De verklaringen van verdachte zijn alles behalve consistent. Verdachte heeft blijkens het rapport d.d. 18 april 2014 van dr. Van Oorsouw, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute een verhoogde neiging tot confabuleren en het ontwikkelen van pseudo-herinneringen. Haar onderzoek wijst uit dat zijn bekentenis vals kan zijn, omdat verdachtes herinneringen aan de gebeurtenissen onjuist zijn. De oorzaak van deze onjuiste herinneringen kan zijn gelegen in het feit dat verdachte door zijn verwondingen zoveel bloed had verloren dat hij zich niet meer goed kon herinneren wat er was gebeurd en door zijn neiging tot confabuleren pseudo-herinneringen heeft aangemaakt. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het belastende scenario, waarbij wordt uitgegaan van de bekennende verklaring van verdachte, praktisch onmogelijk en onlogisch is. Er is geen mogelijkheid om te reconstrueren hoe het lichaam van zijn vrouw zo ‘netjes’ op het bed terecht is gekomen. De verdediging heeft voorts op grond van het rapport van dr. Van Oorsouw naar voren gebracht dat het ontbreken van uitwendige sporen van geweld op de hals van het slachtoffer en het lage thyreoglobulinegehalte, niet past bij een langdurig (10 min) en fors uitwendig mechanisch geweld op de hals.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat een alternatief scenario aannemelijk is. Dit scenario luidt als volgt: het slachtoffer is een natuurlijke dood gestorven door hartfalen als gevolg van een hartspierontsteking. Dit sluit aan bij de bevindingen van de patholoog Prof. Dr. B. Kubat. Verdachte raakte in paniek en is naar het bed gelopen waar zijn vrouw lag. Hij heeft aan haar keel gevoeld en haar heen en weer geschud. Verdachte is in paniek geraakt en is op het idee gekomen om zelfmoord te plegen. Verdachte voelde zich al somber als gevolg van zijn werkloosheid, zo heeft hij verklaard. De suïcideplannen van verdachte op zondag 10 maart 2013 gingen dus niet vooraf aan de dood van zijn vrouw, maar kwamen pas na haar dood.

Nu er twijfels bestaan over de geloofwaardigheid van de bekennende verklaringen van verdachte en er tevens een alternatief scenario aannemelijk is, dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Aanleiding

Op zondag 10 maart 2013 is de politie naar aanleiding van een melding van een broer van verdachte, omstreeks 17:00 uur, naar het adres [adres] te Vlissingen gegaan. Dit is de woning van verdachte en zijn echtgenote [slachtoffer]. Daar heeft de politie verdachte aangetroffen, die zwaargewond - met onder meer snijverwondingen aan beide polsen - op het bed in de slaapkamer lag. Naast hem op het bed lag zijn echtgenote [slachtoffer], die overleden bleek te zijn. Verdachte werd met spoed afgevoerd naar het ziekenhuis te Goes.

Over de doodsoorzaak van [slachtoffer]

Op zondag 10 maart 2013 te werd door GGD-arts [naam] ter plaatse een lijkschouw verricht. Uit de lijkschouw kwam geen duidelijke doodsoorzaak. Door de GGD-arts werd een sectie geadviseerd.

Op dinsdag 12 maart 2013 werd in het NFI in Den Haag een sectie verricht op [slachtoffer]. De sectie werd door dr. B. Kubat, arts en patholoog uitgevoerd, in samenwerking met dr. G.D. Zielinski, eveneens arts en patholoog. Dr. Kubat heeft in haar eindrapport ‘pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 30 juli 2013 betreffende [slachtoffer] onder meer het volgende vastgesteld (dossierpagina 382-393):

  • -

    zwaarlijvig postuur (lengte 170 cm, gewicht 112 kg);

  • -

    in het gelaat op de kin een kleine recente oppervlakkige huidbeschadiging;

  • -

    op de borst drie kleine, recente bloeduitstortingen;

  • -

    bloedstuwing in het hoofd/halsgebied;

  • -

    te zwaar hart (gewicht 540 gram, normaal bij een lengte van 170 cm, circa 250 tot 310 gram);

  • -

    tekenen van hartspierontsteking bij microscopisch onderzoek;

  • -

    bloedstuwing in de inwendige organen;

  • -

    stipvormige bloeduitstortingen in de bindvliezen van de oogleden en in de nierbekkens;

  • -

    te zware longen met tekenen van bloedstuwing en vochtophoping;

  • -

    het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont bloedstuwing en terminaal hersenoedeem;

  • -

    het postmortale spieronderzoek toont het beeld van myocarditis (ontsteking van de hartspier);

  • -

    op basis van het uitgevoerde biochemisch onderzoek is een zwakke aanwijzing verkregen voor schade aan de schildklier.

Volgens de patholoog waren er bij de sectie tekenen van bij leven opgetreden inwerking van gering uitwendig mechanisch botsend en/of samendrukkend geweld op de mond en borstkas. Dit geweld was recent en gering. Smoren kan middels een sectie worden aangetoond, noch uitgesloten. Het hart was vergroot hetgeen verklaard kan worden door de zwaarlijvigheid van het slachtoffer. Er was tevens sprake van een hartspierontsteking. Zowel de hartvergroting als de hartspierontsteking kunnen leiden tot ernstige (fatale) hartritmestoornissen. De bloedstuwing past bij kort voor het overlijden opgetreden hartfalen. Hartfalen kan optreden in het kader van hartritmestoornissen, maar ook ten gevolge van zuurstoftekort bijvoorbeeld in het kader van verstikking.

Dr. Kubat heeft in haar rapport geconcludeerd dat er geen doodsoorzaak is gevonden en dat eventueel het overlijden kan berusten op een verstoring van de hartfunctie (hartritmestoornis) opgetreden ten gevolge van een hartspierontsteking en/of hartvergroting.

In de bijlage 1 bij dit rapport is de in- en uitwendige schouwing opgenomen. Over het onderzoek aan de hals is opgenomen dat de halsspieren en het onderhuids weefsel geen afwijkingen vertoonden. Ook de halsvaten waren zonder afwijkingen. Het tongbeen en het strottenhoofd waren elastisch en gaaf.

Blijkens het rapport “Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer]” d.d. 22 juli 2013 van R. Oosting, apotheker (dossierpagina 404-405) werd in het bloed van het slachtoffer een hoeveelheid van 70,4 ug/l van de stof thyreoglobuline aangetroffen. Dit is een stof die in de schildklier wordt gevormd en opgeslagen. Bij schade aan de schildklier, bijvoorbeeld door mechanisch geweld, zou deze stof in verhoogde mate kunnen worden afgegeven aan het bloed, waardoor de concentratie in het bloed stijgt. Normaalwaarden in serum liggen bij leven doorgaans lager dan 55 ug/l. Op basis van dit biochemisch onderzoek is een zwakke aanwijzing verkregen voor schade van de schildklier.

De verklaringen van verdachte

Op 10 maart 2013 omstreeks 17.05 uur kwamen verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], naar aanleiding van de melding van de broer van verdachte, ter plaatse in de woning aan de [adres] te Vlissingen.

Verbalisant [verbalisant 3] sprak verdachte, die op dat moment zwaargewond op bed ligt, aan.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft daar het volgende over gerelateerd: “Ik vroeg de man wat er gebeurd was. Ik zag dat de man zijn ogen opendeed. Ik vroeg nogmaals wat er was. Ik hoorde de man zeggen: ‘Ik heb het gedaan. Het is mijn schuld.’ Ik merkte dat de man weer het bewustzijn dreigde te verliezen. Ik riep hierop weer naar de man. Ik vroeg hem wat er met zijn vrouw was (…) Ik hoorde dat hij zei: Dat heb ik gedaan.” (dossierpagina 73).

Ook verbalisanten [verbalisant 1] (dossierpagina 66) en [verbalisant 2] (dossierpagina 68) die eveneens ter plaatse zijn, hebben gerelateerd dat zij verdachte op de vragen van hun collega [verbalisant 3] hebben horen zeggen dat het zijn schuld is, dat hij het heeft gedaan.

Vervolgens is verdachte naar het ziekenhuis vervoerd.

Een dag later, op 11 maart 2013 te 14:07 uur, wordt verdachte op de intensive care afdeling van het Admiraal de Ruijterziekenhuis te Goes ter inverzekeringstelling voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Blijkens het proces-verbaal van inverzekeringstelling werd door de begeleider van verdachte ter plekke aangegeven dat verdachte goed aanspreekbaar was. Verdachte verklaarde: “Ik begrijp waarvan ik word verdacht. Ik kan u daarover zeggen dat ik zelfmoord wilde plegen, maar dan zou mijn vrouw met problemen achter blijven. Daarom heb ik eerst mijn vrouw…” (dossierpagina 31).

Vervolgens is verdachte op 12 maart 2013 te 14:17 uur voor de eerste keer inhoudelijk verhoord door de politie. Het verhoor vangt aan met de vraag van de verbalisanten wat verdachte heeft toe te voegen aan hetgeen hij bij de inverzekeringstelling tegen de hulpofficier van justitie heeft gezegd. Verdachte verklaart hierop: “Ik heb mijn vrouw wat aangedaan. En daarna heb ik mij zelf wat aangedaan. Als ik alleen mij wat had aangedaan, was mijn vrouw achtergebleven en dat was het ook niet goed gegaan. Mijn vrouw had namelijk MS. Vraag: Hoe had je het gedaan? Antwoord: Ik heb haar keel dicht geknepen.” (dossierpagina 37-38).

Verdachte heeft in dit verhoor bij de politie op 12 maart 2013 verder verklaard dat hij tot deze daad is gekomen, omdat hij het niet meer zag zitten. Hij was werkloos, en sollicitaties liepen niet goed. Ook sliep hij daardoor slecht. (dossierpagina 40-41) De ochtend van 10 maart 2013 is verdachte naar zijn vrouw gelopen in de slaapkamer en daar heeft hij haar bij haar keel gepakt. Verdachte heeft verklaard: “Ik stond op dat moment tegenover haar. Ik heb haar net zolang bij haar keel gepakt totdat ze geen adem meer haalde. Volgens mij zat ze meer op bed, dan dat ze stond. Ik hield haar keel net zolang vast totdat ze achterover op bed viel. Ze viel op haar eigen gedeelte. (…). Ik dacht nu moet ik er zelf ook een einde aan maken. (…) Als ik eerst mijzelf van het leven zou hebben beroofd, dan zou mijn vrouw geen leven meer gehad hebben, ze zou er aan onderdoor zijn gegaan. (…) Door haar van het leven te beroven wilde ik haar die ellende besparen. (…) Ik pakte haar hals met beide handen vast. Ze is best sterk en bood wat weerstand. Ik heb toen met alle tien mijn vingers even hard haar keel dichtgeknepen. Mijn vrouw probeerde zich, voor zover ze ten gevolge van haar MS nog kon, met haar armen en bovenlichaam te verzetten.” (dossierpagina 41-42).

Voorts verklaart verdachte dat hij, nadat zijn echtgenote op bed was gevallen en voor hem duidelijk was dat zij was overleden, naar de kamer is gegaan om een mes te zoeken. Hij heeft uit de keuken een groot vleesmes gepakt. In de keuken voor het gasfornuis heeft hij geprobeerd zijn polsen door te snijden, maar het bloedde niet hard. Toen heeft hij met datzelfde mes geprobeerd zijn hals door te snijden, maar ook dit was niet voldoende. Hij voelde wel dat het een diepe snee was. Vervolgens heeft hij zichzelf met dat mes een aantal malen in zijn buik gestoken. (dossierpagina 42)

Verdachte heeft ook in zijn latere verklaringen op 13 maart 2013 (dossierpagina 43-47), 26 maart 2013 (dossierpagina 48-60) en op 12 juni 2013 (dossierpagina 328-334, inclusief correctie verhoordatum) tegenover de politie steeds verklaard dat hij zijn echtgenote van het leven heeft beroofd. Hij heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan door haar met zijn handen bij haar hals te pakken en haar hals dicht te knijpen. Hij is blijven knijpen tot het moment dat ze geen adem meer haalde en zij achterover op het bed viel. Zij bevonden zich op dat moment in de slaapkamer. Hij had al vaker suïcidale gedachten gehad en had dan zelfs met messen in zijn handen gestaan, maar de gedachte aan zijn echtgenote weerhield hem ervan zelfmoord te plegen. Hij vroeg zich dan af wat er van haar terecht moest komen als ze alleen achterbleef. Op de ochtend van 10 maart 2013 had verdachte bedacht om er dan maar samen mee te stoppen.

Ook op 28 augustus 2013, als verdachte in het bijzijn van zijn raadsman wordt verhoord – waarbij het hof aantekent dat inmiddels het definitieve rapport van pathologie onderzoek d.d. 30 juli 2013 van dr. Kubat aan het dossier was toegevoegd - heeft verdachte verklaard dat hij zijn vrouw bij de keel heeft vastgepakt – zij het dat hij niet weet hoe lang hij haar de keel heeft dicht geknepen - en toen heeft gezegd dat hij het niet meer zag zitten (dossierpagina 336-337).

De betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte

Op verzoek van de verdediging is door dr. K.I.M. van Oorsouw, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte. Dr. Van Oorsouw werd verzocht te onderzoeken of bij verdachte sprake zou kunnen zijn van het afleggen van een zogenaamde valse bekentenis, door de aanwezigheid van geheugenverlies.

In het “Deskundigenrapport betreffende onderzoek naar geheugenverlies en mogelijk valse bekentenis bij [verdachte]” d.d. 18 april 2014 (26 bladzijden) heeft dr. Van Oorsouw geconcludeerd: “Gelet op de aard en het verloop van het geheugenverlies, de prestaties van [verdachte] op de geheugentaken en de verhoogde mate van meegaandheid en gevoeligheid voor confabulaties en pseudo-herinneringen kan niet worden uitgesloten dat [verdachte] een pseudo-herinnering heeft ontwikkeld aangaande het ten laste gelegde en op basis daarvan mogelijk een valse bekentenis heeft afgelegd.” (rapport p. 2/26).

Het onderzoek is door dr. Van Oorsouw uitgevoerd in opdracht van de verdediging en uitgaande van de vraagstelling van de verdediging of er sprake is van een valse bekentenis door de aanwezigheid van geheugenverlies (rapport, p. 2/26). Naar aanleiding van deze vraagstelling heeft dr. Van Oorsouw geconcludeerd: “Er zijn meer bouwstenen te vinden voor het scenario dat er sprake is van een valse bekentenis veroorzaakt door een gebrekkig geheugen en pseudoherinneringen dan voor het scenario van geveinsd geheugenverlies.” (rapport p. 25/26).

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van het rapport van Van Oorsouw niet kan worden geconcludeerd dat verdachte ook daadwerkelijk pseudoherinneringen heeft ontwikkeld en op basis daarvan een valse bekentenis heeft afgelegd.

In de eerste plaats concludeert dr. Van Oorsouw niet dát zulks het geval is geweest, maar concludeert zij (rapport, p. 2/26) slechts dat zulks niet kan worden uitgesloten.

In de tweede plaats stelt het hof vast dat het rapport van dr. Van Oorsouw niets inhoudt met betrekking tot het moment waarop een pseudoherinnering zou zijn ontstaan of ten aanzien van welke onderdelen van die verklaring mogelijk een pseudoherinnering zou zijn ontwikkeld. De omstandigheid dat verdachte mogelijk aanleg heeft voor het ontwikkelen van pseudo-herinneringen leidt niet zonder meer tot de conclusie dat verdachte deze ook heeft ontwikkeld naar aanleiding van de gebeurtenissen van 10 maart 2013. Daarbij overweegt het hof dat de deskundige D. Botter, forensisch arts verbonden aan het NFI in zijn rapport van 10 september 2014 heeft geconcludeerd dat in de beschikbare stukken geen objectieve medische gegevens aanwezig zijn die de hypothese zouden kunnen ondersteunen dat verdachte dusdanig omvangrijk bloedverlies heeft geleden, dat daardoor verminderde doorbloeding van de hersenen heeft kunnen plaatsvinden en dat hierdoor mogelijk sprake was van ‘organisch geheugenverlies’.

In de derde plaats is de gevolgtrekking die dr. Van Oorsouw maakt dat de verklaringen van verdachte op een aantal punten niet overeenkomen met de gevonden sporen (rapport p. 13/26) ongenuanceerd en niet onderbouwd. Het is ongenuanceerd omdat ten onrechte wordt gesuggereerd dat het zou gelden voor alle verklaringen van verdachte. Het is niet onderbouwd nu de omstandigheid dat in de hals geen sporen van dichtknijpen zijn aangetroffen niet bewijst dat de hals niet is dichtgeknepen. Ook wordt niet onderbouwd dat het gelet op de houding van het slachtoffer op het bed onmogelijk is dat het slachtoffer achterover viel.

Ook de aanname dat het thyreoglobulinegehalte niet past bij een langdurig uitwendig mechanisch geweld op de hals (rapport p. 4/26), is niet onderbouwd.

Naar aanleiding van het rapport van dr. Van Oorsouw heeft de rechtspsycholoog mr. dr. E. Rassin in een brief d.d. 1 december 2014 aan de rechter-commissaris een oordeel gegeven over de waardering van de bekentenis van de verdachte. Mr. dr. Rassin komt hierbij tot de volgende conclusie:

“Ik acht de kans dat de bekentenis terecht is, groter dan de kans dat het om een valse bekentenis gaat, die het gevolg is van een acuut geheugenverlies, gecombineerd met het spontaan aanmaken van een pseudoherinnering om dat geheugenverlies te compenseren. Afgaand op de genoemde literatuur schat ik de eerste kans ongeveer tien keer zo groot als de tweede kans.” (brief, p. 3/6).

Ter beantwoording van de vraag of de bekennende verklaring van verdachte kan zijn ingegeven door de ontwikkeling van pseudoherinneringen acht het hof het volgende van belang.

Het hof stelt vast dat verdachte op die bewuste zondag 10 maart 2013 direct bij aankomst van de politie op de daartoe inleidende vraag wat er gebeurd was, heeft geantwoord: “Ik heb het gedaan. Het is mijn schuld”, terwijl hij ook op 11 maart 2013 bij gelegenheid van zijn verhoor inverzekeringstelling aangeeft “Ik kan u daarover zeggen dat ik zelfmoord wilde plegen, maar dan zou mijn vrouw met problemen achter blijven. Daarom heb ik eerst mijn vrouw…”. Een dag later, op 12 maart 2013, wordt verdachte voor de eerste keer inhoudelijk gehoord, in welk verhoor verdachte, spontaan heeft verklaard dat hij de keel van zijn vrouw heeft dichtgeknepen. Verdachte verstrekt de belastende informatie direct aan het begin van het verhoor. Daarnaast is het hof van oordeel dat de belastende verklaring van verdachte niet stoelt op suggestieve c.q. gesloten vraagstellingen, en dat er geen sprake is van sturing door de verbalisanten. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat reeds ten tijde van die allereerste verklaringen van verdachte op 10, 11 en 12 maart 2013 sprake zou zijn van het ontwikkelen van pseudo-herinneringen. Immers, het dossier bevat geen aanwijzingen dat in die fase, zo kort na het incident, sprake zou kunnen zijn geweest van bronverwarring. Ook is niet gebleken dat sprake is geweest van suggestieve vraagstelling en/of het voeden van de verdachte met daderinformatie.

Ook in de daaropvolgende verhoren volhardt hij in zijn bekennende verklaring.

Weliswaar kan met de verdediging worden vastgesteld dat verdachte in de latere verhoren op onderdelen wisselend heeft verklaard (bijvoorbeeld over het tijdstip van opstaan, over de vraag of het slachtoffer zat of stond toen verdachte haar bij de keel pakte en over de vraag hoe lang het dichtknijpen van de keel duurde) en lijkt hij soms antwoorden te geven die eerder een gevolgtrekking dan een herinnering inhouden, maar in de kern heeft verdachte gelijkluidend verklaard en die kern is dat hij zich in de dagen voorafgaand aan 10 maart 2013 somber voelde, hij het die zondagmorgen 10 maart 2013 niet meer zag zitten, naar de slaapkamer is gegaan en hij zijn vrouw bij de keel heeft gepakt en met beide handen haar keel heeft dichtgeknepen, net zolang tot zij slap werd en op het bed viel.

Het vorengaande in aanmerking genomen, komt het hof tot de conclusie dat niet aannemelijk is dat de (kern van) bekentenis van verdachte vals.

Ontbreken van uitwendige sporen van geweld; thyreoglobulinegehalte

De verdediging heeft op gronden zoals aangevoerd in de pleitnota de onschuld van verdachte bepleit op grond van het ontbreken van uitwendige sporen van geweld op de hals van het slachtoffer, het lage thyreoglobulinegehalte, hetgeen niet past bij een langdurig (10 min) uitwendig mechanisch geweld op de hals alsmede de discrepantie tussen de verklaring van verdachte en het in de woning aangetroffen sporenbeeld.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Geen uitwendige sporen van geweld

Op aanvullende vragen heeft dr. Kubat op 30 juli 2013 aan de rechter-commissaris geantwoord dat de omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn voor geweld op de hals, dergelijk geweld niet volledig uitsluit.

D. Botter, forensisch arts bij het NFI, heeft in zijn rapport van 10 september 2014 gerapporteerd over de gevaarzetting van samendrukkend geweld op de hals, bijvoorbeeld zoals omschreven door verdachte. Botter heeft hierover het volgende gerapporteerd:

Uitoefening van samendrukkend geweld op de hals kan fataal verlopen, waarbij het navolgende belangrijke onderscheid bestaat:

  • -

    Afsluiting van de bloedtoevoer door de halsslagaders en/of adembelemmering kunnen het overlijden veroorzaken na enige tijd van het geweld.

  • -

    Hartritmestoornissen en ‘reflex cardiac arrest’ [hof: acute hartstilstand] kunnen optreden op elk willekeurig moment tijdens de toepassing van het geweld, ook direct na aanvang daarvan.

Inwerking van mechanisch geweld op de hals hoeft geen sporen achter te laten in de hoedanigheid van waarneembare letsels (of objectiveerbare lichamelijke klachten), met name niet wanneer de geweldpleging snel fataal verloopt zoals bij ‘reflex cardiac arrest’. Voorbij bij manuele- en of ligatuurstrangulatie waarbij de hals wordt gecomprimeerd door een breed en glad oppervlak zonder scherpe oneffenheden, kunnen uitwendig (maar ook inwendig) waarneembare letsels ontbreken. (…) Bovendien had het slachtoffer in de onderhavige casus een vrij dikke hals vanwege haar zwaarlijvige postuur, waardoor kneuzing en bloeduitstorting aanzienlijk minder snel optreden bij samendrukkende geweldsinwerking op de hals. (…)

Bovendien waren er bij de gerechtelijke sectie bevindingen die zeer wel veroorzaakt zouden kunnen zijn door geweld op de hals, namelijk stuwing van hoofd, hals en hersenen, puntbloedingen en huidletsel aan de kin. Deze bevindingen zijn derhalve niet discrepant met de verklaringen over langdurig uitgeoefend hevig geweld op de hals.

Naar aanleiding van aanvullende vragen hebben de deskundigen dr. Kubat en D. Botter in een gezamenlijke brief d.d. 13 augustus 2015 aan de raadsheer-commissaris van het hof het volgende geschreven. Op de vraag over de mate van waarschijnlijkheid dat de bloedstuwing werd veroorzaakt door wurging dan wel hartfalen stellen dr. Kubat en D. Botter onder meer dat inwerking van mechanisch geweld op de hals geen sporen behoeft achter te laten in de hoedanigheid van waarneembaar letsel, met name niet wanneer de geweldpoging snel fataal verloopt. Vooral bij manuele en/of ligatuurstrangulatie waarbij de hals wordt gecomprimeerd door een breed glad oppervlak zonder scherpe oneffenheden, kunnen uitwendig (maar ook inwendig) waarneembare letsels ontbreken. Samenvattend wordt gesteld dat zowel geweld op de hals als hartritmestoornissen stuwing in het hoofd kunnen veroorzaken zonder andere waarneembare verschijnselen. Bij afwezigheid van richtinggevende nevenverschijnselen is een verschil in waarschijnlijkheid van één van beide causale mechanismen niet aan te geven op grond van forensisch medische bevindingen. Zoals reeds aangegeven is geweld op de hals niet uit te sluiten.

Op grond van het voorgaande komt het hof, anders dan de verdediging tot de conclusie dat de afwezigheid van letsels aan de hals, doorgemaakt geweld niet uitsluit en derhalve niet als discrepant met de verklaring van de verdachte dat hij het slachtoffer de keel heeft dichtgeknepen kan worden aangemerkt.

Thyreoglobulineconcentratie

Door de verdediging is bepleit dat uit de wetenschappelijke onderzoeken die zijn verricht blijkt dat bij manuele stangulatie een thyreoglobulinegehalte tussen de 250 en 850 verwacht mag worden. Hier is slechts een waarde van 70,4 aan de orde. In de rechtspraak wordt de waarde als indicatie gebruikt en naar het oordeel van de verdediging dient het de lage thyreoglobulineconcentratie als contra-indicatie te gelden voor het belastende scenario.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de in het bloed van het slachtoffer aangetroffen thyreoglobulineconcentratie heeft de deskundige Botter in zijn rapport van 10 september 2014 het volgende gerapporteerd:

In de literatuur zijn de volgende onderzoeksresultaten in hartbloed gemeten:

I in een groep van 29 doden (…) ten gevolge van een verkeersongeval (…);

II in een groep van 95 doden (…) ten gevolge van verhanging (…);

III in een groep van elf doden die met een voorwerp zijn gewurgd (…);

IV in een groep van 14 doden die manueel verwurgd zijn (…)

(…) De studieresultaten van betreffende onderzoeken (I-IV) zijn echter niet gevalideerd en de onderzoeksgroepen III en IV waren zeer klein van omvang; de resultaten kunnen derhalve niet als wetenschappelijk gefundeerd bewijs dienen.

(…)

De gevonden thyreoglobulineconcentratie is juist boven de norm, valt binnen het bereik van doodsoorzaken zonder geweld op de hals (I), maar bevindt zich eveneens boven de mediaan van gevonden waarden bij verhanging (II), als ook binnen het bereik van de waarden gevonden bij strangulatie met een voorwerp (III)

(…)

Concluderend kan gesteld worden dat er geen bewijswaarde mag worden toegekend aan het thyreoglobulinegehalte met betrekking tot geweldsinwerkingen op de hals. In praktische zin betekent dit dat meetwaarden van Thyreoglobuline niet zonder meer kunnen worden toegepast bij de argumentatie of er sprake is geweest van mechanisch geweld op de hals:

  • -

    een normaal thyreoglobulinegehalte sluit doorgemaakt geweld op de hals niet uit, en

  • -

    een verhoogd thyreoglobulinegehalte is geen bewijs voor doorgemaakt geweld op de hals.

Met betrekking tot de onderhavige casus kan derhalve gesteld worden dat ook de bevonden thyreoglobulineconcentratie niet discrepant is (c.q. hoeft te zijn) met verklaringen over langdurig uitgeoefend hevig geweld op de hals.

In de beantwoording van aanvullende vragen (brief aan raadsheer-commissaris d.d. 13 augustus 2015) hebben de deskundigen Botter en D. Kubat op de vraag of de interpretatie van het thyreoglobulinegehalte in bloed wetenschappelijk verantwoord kan worden toegepast in strafzaken, nogmaals bevestigd dat geen wetenschappelijk gefundeerde bewijswaarde kan worden toegekend aan het thyreoglobulinegehalte met betrekking tot geweldsinwerkingen op de hals, aangezien er geen validerend onderzoek heeft plaatsgevonden en gepubliceerde studies uiteenlopende resultaten hebben laten zien die eenduidige interpretatie niet mogelijk maken.

Naar het oordeel van het hof kunnen bij deze wetenschappelijke stand van zaken, uit het bij het slachtoffer gemeten thyreoglobulinegehalte dan ook geen verantwoorde conclusies worden getrokken ter beantwoording van de vraag of van manuele strangulatie wel of geen sprake kan zijn geweest.

Het in de woning aangetroffen sporenbeeld

Ten slotte heeft de verdediging nog aangevoerd dat het belastende scenario waarin verdachte zijn vrouw bij de keel heeft gepakt, de keel heeft dichtgeknepen en minutenlang dichtgeknepen heeft gehouden praktisch onmogelijk èn onlogisch is. De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat het slachtoffer 112 kg woog en wanneer verdachte zijn vrouw zou hebben gewurgd terwijl zij naast het bed stond, of op het bed zat, dan zou zij niet zo ‘netjes’ midden op haar kant van het bed hebben gelegen en konden haar voeten nooit op het bed terecht zijn gekomen. Ook was de plaats op het bed anders geweest (niet recht maar scheef). Daarbij komt dat verdachte heeft verklaard niet meer aan [slachtoffer] te hebben gezeten en het beddengoed helemaal ‘netjes’ lag, hetgeen niet is te rijmen met het verplaatsen van een 112 kg wegende vrouw. Daarnaast lijdt verdachte aan het Carpaal Tunnel Syndroom ten gevolge waarvan hij weinig kracht in zijn handen heeft. Zijn vrouw [slachtoffer] daarentegen was in haar handen heel krachtig.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het aangetroffen sporenbeeld in de woning niet strijdig hoeft te zijn met de door verdachte afgelegde verklaring.

Uit het dossier blijkt dat er in de woning bloed is aangetroffen. Gelet op de verwondingen bij verdachte en het vrijwel ongeschonden lichaam van zijn echtgenote acht het hof het aannemelijk dat dit het bloed van verdachte is. Het aangetroffen sporenbeeld bevestigt dat verdachte op het bed moet hebben gelegen alsook dat verdachte zich bloedend door het huis heeft bewogen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij en zijn vrouw zich naast het bed bevonden op het moment dat hij haar bij de keel heeft gepakt en met beide handen haar keel heeft dichtgeknepen, net zolang tot zij slap werd en op het bed viel.

Volgens de verdediging zou zij (uitgaande van die verklaring) nooit ‘netjes’ op haar kant van het bed hebben kunnen liggen en konden haar voeten nooit op het bed terecht zijn gekomen. Het hof leidt echter uit de verklaring van ambulancemedewerker [naam] (dossierpagina 152) af dat het slachtoffer al enkele uren was overleden toen de politie de woning binnenkwam en verdachte zich aldus enkele uren alleen met zijn overleden echtgenote in de woning heeft bevonden. Verdachte heeft voorts verklaard geen herinneringen meer te hebben aan de uren na het overlijden van zijn echtgenote tot het moment dat hij zijn broer tegenkwam. Het hof stelt op basis van de in het dossier opgenomen foto’s (dossierpagina’s 147 t/m 150) van de slaapkamer vast dat op de rand, aan de buitenzijde van de matras waarop het slachtoffer lag, bloed is aangetroffen. Daarnaast stelt het hof vast dat zich bloedsporen bevinden op de voeten van het slachtoffer. Op grond van die waarnemingen kan niet worden uitgesloten dat verdachte het slachtoffer op enig moment nog heeft verlegd, waarbij hij mogelijk de benen van het slachtoffer op het bed heeft getild. Anders dan de verdediging, kan het hof uit de manier waarop het slachtoffer is aangetroffen niet afleiden dat zij ‘netjes’ op het bed lag noch dat het beddengoed helemaal ‘netjes’ lag. Daarbij overweegt het hof dat het hoofd van het slachtoffer niet op het kussen lag en de voeten van het slachtoffer over de achterkant van het bed uitstaken. Daarnaast is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte aan het Carpaal Tunnel Syndroom lijdt nog niet de conclusie rechtvaardigt dat verdachte niet in staat zou zijn om de keel van zijn vrouw dicht te knijpen. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat verdachte heeft verklaard dat hij redelijk veel kracht in zijn handen heeft en dat hij op zijn werk een plaat wel goed kon vastpakken, maar dat dit pijn deed (verhoor van 26 maart 2013 blijkens de transscriptie van dit verhoor die door de raadsman bij brief van 7 april 2016 aan het hof is gezonden).

Conclusie betreffende de duiding van de forensische sporen in relatie tot de afgelegde verklaringen.

Met de rechtbank, overweegt het hof dat de sectiebevindingen, te weten de stipvormige bloeduitstortingen en de stuwing in hals, hoofd en hersenen aanwijzingen vormen dat sprake kan zijn geweest van verstikking door geweld aan de hals. Zowel D. Botter als dr. Kubat concluderen dat de afwezigheid van letsels aan en in de hals doorgemaakt geweld op de hals niet uitsluit. Daarnaast overweegt het hof dat de bevonden thyreoglobulineconcentratie bij gebrek aan validerend onderzoek niet als wetenschappelijk gefundeerd bewijs kan dienen. Naar het oordeel van het hof zijn de interpretaties van de sectiebevindingen en de toxicologische onderzoeksresultaten alsmede het sporenbeeld in de woning niet discrepant met de bekennende verklaring van verdachte en vormen deze specifieke resultaten geen contra-indicatie voor het aannemen van een overlijden door verstikking door geweld aan de hals op de wijze zoals door verdachte is verklaard.

Op grond van bovenstaande conclusies en de bekennende verklaring van verdachte acht het hof, evenals de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote van het leven heeft beroofd door zijn handen om haar hals te leggen en haar hals gedurende enige tijd dicht te knijpen, totdat zij op het bed viel. Het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario is in het licht van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden.

Het hof is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om dit feit te kwalificeren als moord, nu gelet op de toestand waarin verdachte naar zijn zeggen op dat moment verkeerde, niet kan worden vastgesteld of de verdachte de vereiste tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof acht mitsdien niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld met ‘voorbedachte raad’, zodat hij van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord zal worden vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer] heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 maart 2013 te Vlissingen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, die [slachtoffer] bij de keel/hals gepakt en vervolgens die keel/hals dichtgeknepen en gedurende enige tijd dichtgeknepen gehouden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de strafoplegging gevorderd om verdachte ter zake de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag op zijn echtgenote te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Door de verdediging is verzocht om bij een eventuele strafoplegging te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op zijn echtgenote [slachtoffer]. Het slachtoffer is door toedoen van de verdachte op gewelddadige wijze om het leven gekomen. De verdachte is op 10 maart 2013 naar de slaapkamer gelopen, alwaar hij zijn vrouw bij de keel/hals heeft gepakt en vervolgens haar keel/hals enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden ten gevolge waarvan zijn echtgenote is overleden. Het slachtoffer moet gedurende het laatste moment van haar leven in doodsangst hebben verkeerd. Verdachte heeft ter zake verklaard dat hij zichzelf van het leven wilde beroven en dat zijn echtgenote naar zijn overtuiging zich vanwege haar ziekte niet zonder hem kon redden. Hij heeft haar om die reden van het leven beroofd. Hij heeft aldus, zonder instemming van zijn echtgenote, beschikt over haar leven en haar de kans ontnomen om een leven zonder hem op te bouwen. Het recht op leven is het meest fundamentele recht dat een mens bezit. Verdachte heeft dat recht van [slachtoffer] afgenomen.

Met zijn handelen heeft verdachte de nabestaanden van het slachtoffer een diep en onherstelbaar leed aangedaan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen zoals voorgelezen ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de gebeurtenissen een diepe en blijvende impact op het leven van de nabestaanden hebben.

Door een dergelijk delict wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 januari 2016, nog niet eerder is veroordeeld.

Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met het omtrent verdachte door de psycholoog, F.M. Vuister en psychiater A.J.W.M. Trompenaars uitgebrachte rapporten. Psycholoog drs. F.M. Vuister heeft in zijn rapport van 29 mei 2013 naar voren gebracht dat uit de onderzoeken niet is gebleken van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Bij verdachte was er ten tijde van het feit kennelijk sprake van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die niet vanuit een nauw omschreven vorm van psychopathologie kan worden verklaard. Verdachte was eenduidig gefocust op zijn vermeende hopeloze toestand als werkloze man en hij meende daarbij dat zijn echtgenote, die aan MS leed, het zonder hem niet zou weten te redden als hij er niet meer zou zijn. Er was hier derhalve sprake van een vertekening van de werkelijkheid, zonder dat er blijkens de gegevens van het psychologisch onderzoek, sprake was van waanachtige belevingen. Verdachte moet daarom aldus de psycholoog als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars heeft op 3 juni 2013 gerapporteerd. Ook hij komt op basis van zijn onderzoek tot de conclusie dat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Weliswaar had verdachte in de periode voorafgaand aan 10 maart 2013 stemmingsproblemen, maar die zijn niet van een zodanige aard geweest dat er van een psychiatrische stoornis in engere zin kon worden gesproken. Uit de beschrijving van de gebeurtenissen door verdachte komt naar voren dat hij plotseling kennelijk een extreme opwelling van zijn gemoed kreeg, waarin hij zijn vrouw ineens bij de keel heeft gegrepen en haar om het leven heeft gebracht. Trompenaars kan deze extreme opwelling niet verklaren vanuit enige vorm van psychopathologie. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, dan dient betrokkene als volledig toerekeningsvatbaar te worden beschouwd, aldus de psychiater.

Ook in de door Trompenaars en Vuister uitgebrachte aanvullende rapportages van respectievelijk 29 december 2015 en 21 december 2015 werden voornoemde conclusies gehandhaafd.

Het hof neemt deze conclusies en adviezen over en gaat bij de strafoplegging uit van een volledige toerekeningsvatbaarheid.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof heeft aansluiting gezocht bij straffen zoals die door dit hof in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Gelet op de bijzondere ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden. Een gevangenisstraf van kortere duur, zoals bepleit door de verdediging, acht het hof niet passend en onvoldoende recht doen aan de ernst van de zaak.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De beslissing is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. van der Linden, griffier,

en op 25 april 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.