Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1523

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
200 175 445_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

dwangbevel pensioenpremies

belang pensioenfonds bij premieafdracht

belang bij dwangbevel

systematiek wet Bpf 2000

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1169
PJ 2016/70
AR-Updates.nl 2016-0442
PR-Updates.nl AR-2016-0442
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.175.445/01

arrest van 19 april 2016

in de zaak van

[CTW] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als CTW,

advocaat: mr. H. Braak te Veenendaal,

tegen

Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als PZW,

advocaat: mr. R.J.G. van Brakel te Utrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 augustus 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 juli 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen CTW als eiseres en PZW als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3857562/15-754)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

PZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000).

3.1.2.

CTW maakt deel uit van een groep van vennootschappen. De groep bestaat uit een holding ( [holding] Holding B.V.) en vier werkvennootschappen, waaronder CTW. De werkvennootschappen voeren elk een eigen tandartspraktijk.

3.1.3.

CTW is verplicht aangesloten bij PZW. Zij liet een achterstand ontstaan in de betaling van premies die PZW haar bij zes facturen van 25 maart tot en met 23 september 2014 in rekening bracht. Het openstaande saldo bedroeg € 29.946,08. Op 8 januari 2015 vaardigde PZW een dwangbevel uit voor in totaal € 32.771,71. Dit bedrag is de som van het openstaande saldo aan premies volgens de hiervoor genoemde facturen, € 774,24 aan wettelijke rente, € 1.695,36 aan verhoging en € 356,03 aan BTW over die verhoging. Het dwangbevel is aan CTW betekend op 22 januari 2015.

3.2.

CTW is tijdig tegen het dwangbevel in verzet gekomen. CTW heeft gevorderd dat de kantonrechter haar verzet tegen het dwangbevel gegrond verklaart, het dwangbevel buiten effect stelt en PZW in de proceskosten veroordeelt.

3.3.

Bij vonnis van 15 juli 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen van CTW afgewezen en CTW veroordeeld in de kosten van het geding. CTW is tijdig van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Zij heeft geconcludeerd dat vonnis te vernietigen en het verzet tegen het dwangbevel alsnog gegrond te verklaren, dat dwangbevel buiten effect te stellen en PZW te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.4.

Volgens grief I heeft de kantonrechter ten onrechte de stelling van CTW dat sprake is van strijd met redelijkheid en billijkheid ambtshalve aangevuld tot de (toetsings-)grond dat er sprake moet zijn van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het hof is van oordeel dat CTW geen belang heeft bij deze grief. Immers, voor zover al uit het bestreden vonnis afgeleid zou kunnen worden dat de kantonrechter het oog heeft gehad op artikel 6:248 lid 2 BW in plaats van artikel 6:2 lid 2 BW (lid 1 is niet aan de orde, zie hierna bij 3.5.), leidt dat niet tot een ander oordeel, omdat de toetsingsmaatstaf in beide bepalingen dezelfde is.

3.5.

Met grief II betoogt CTW dat de kantonrechter het eerste lid van artikel 6:2 BW had moeten toepassen in plaats van het tweede lid. Het hof is van oordeel dat de vordering van CTW ertoe strekt dat PZW geen gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheid om over te gaan tot invordering van premies tot betaling waarvan CTW wettelijk verplicht is. Wat betreft de verplichting van CTW tot betaling van premies, heeft CTW erkend dat die verplichting bestaat. Die verplichting is gebaseerd op artikel 4 Wet Bpf 2000 en het uitvoeringsreglement van PZW. De stelling van CTW dat zij daaraan niet kan voldoen en dat PZW daarmee geen, althans onvoldoende rekening houdt, kan niet anders worden verstaan dan een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het gaat immers om een beperking van de wettelijke verplichting tot betaling van premies. Het hof is dus met de kantonrechter van oordeel dat het er om gaat of het beroep van PZW op die wettelijke verplichting van CTW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (of dat PZW misbruik maakt van recht). De grief faalt.

3.6.

Grief III valt uiteen in twee onderdelen. Volgens CTW heeft de kantonrechter nagelaten een oordeel te geven over twee door CTW aangevoerde gronden, te weten over een eerder afgesproken betalingsregeling met PZW en over haar stelling dat het gedrag van PZW niet overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid was. Over dat laatste onderdeel merkt het hof aanstonds op dat CTW een verkeerde toetsingsmaatstaf voor ogen heeft, zodat de grief in zoverre faalt. Ook overigens kan de grief niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan CTW kennelijk meent, heeft de kantonrechter wel degelijk een oordeel gegeven over de eerdere betalingsregeling. De kantonrechter heeft daarover overwogen dat PZW geen genoegen hoeft te nemen met een betaling in termijnen, dat het haar vrij staat in te stemmen met een betalingsregeling, maar dat zij daartoe niet verplicht is en dat een eerdere betalingsregeling niet was nagekomen (r.o. 3.5 vonnis waarvan beroep). In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende. Kennelijk bedoelt CTW dat het PZW niet vrij stond om een dwangbevel uit te vaardigen, omdat partijen een betalingsregeling waren overeengekomen. PZW heeft echter reeds in eerste aanleg aangevoerd dat die betalingsregeling betrekking had op andere facturen (facturen tot en met februari 2014) dan die waarop het dwangbevel ziet. CTW heeft dat niet betwist. Zij heeft niet aangevoerd dat zij met betrekking tot de vordering waarop het dwangbevel betrekking heeft een overeenkomst heeft gesloten waaruit volgt dat het PZW niet vrij stond om tot invordering over te gaan. Om die reden is hetgeen CTW aanvoert over het ontbreken van verzuim niet relevant. Voor zover zij heeft bedoeld dat er onderhandelingen gaande waren over een betalingsregeling met betrekking tot de onderhavige vordering en dat CTW het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat die onderhandelingen zouden leiden tot een (nieuwe) betalingsregeling, heeft CTW niet nader toegelicht waaraan zij dat vertrouwen mocht ontlenen. Het enkele feit dat daarover werd onderhandeld, acht het hof daartoe onvoldoende.

3.7.

Ook grief IV bestaat uit meerdere onderdelen. In de kern komt deze grief erop neer dat de kantonrechter in wezen heeft beslist dat uit de aard van de bevoegdheid van artikel 21 lid 1 Wet Bpf 2000 voortvloeit dat deze niet kan worden misbruikt. In artikel 21 lid 1 Wet Bpf 2000 wordt een bevoegdheid gegeven aan PZW. Dat PZW die bevoegdheid heeft, staat volgens CTW buiten kijf. Waar het om gaat is of PZW van die bevoegdheid gebruik mocht maken. Het hof begrijpt de grief aldus dat CTW van mening is dat de motivering van de kantonrechter dat PZW dat mocht, tekort schiet, omdat uit die motivering onvoldoende blijkt waarom dat mocht. In de toelichting op grief V heeft CTW omstandigheden aangevoerd die volgens haar ertoe dienen te leiden dat PZW geen gebruik mocht maken van die bevoegdheid. Die omstandigheden heeft CTW ook ten grondslag gelegd aan haar beroep op de redelijkheid en billijkheid, die zoals hiervoor is overwogen, een rol spelen bij de vraag of het beroep van PZW op de wettelijke verplichting van CTW om de premies te betalen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof zal die omstandigheden opnieuw beoordelen en daarbij tevens betrekken hetgeen CTW heeft aangevoerd over de eerdere betalingsregeling en over haar voorstel om te komen tot een nieuwe betalingsregeling. Daarop hebben de grieven VI, VII en VIII betrekking. Grief IX heeft betrekking op een door CTW gedane betaling aan PZW in de loop van de procedure. Ook die betaling is volgens CTW een omstandigheid die meegewogen dient te worden. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

3.7.1.

Uitgangspunt is dat PZW de vrijheid heeft om haar bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen naar eigen goeddunken kan uitoefenen. Op CTW rust de stelplicht dat PZW die bevoegdheid heeft misbruikt. In feite beroept CTW zich erop dat alle omstandigheden in aanmerking genomen, PZW in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen had kunnen komen, gelet op de onevenredigheid van haar belang bij dat dwangbevel, afgezet tegen het belang van CTW dat daardoor werd geschaad.

3.7.2.

CTW heeft aangevoerd dat zij als onderdeel van een groep van vennootschappen, afhankelijk is van groepsfinanciering en dat wanneer één van de vennootschappen een te groot beslag legt op de financieringsmiddelen van de groep, het risico ontstaat dat de andere vennootschappen in deconfiture raken. Met het uitvaardigen van het dwangbevel tegen CTW heeft PZW de belangen van de werknemers die in dienst zijn van de andere vennootschappen van de groep miskend. Het hof is van oordeel dat de stelling weliswaar verdedigbaar is, maar CTW heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit de juistheid van die stelling blijkt. Zonder nadere toelichting, die CTW niet heeft gegeven, blijkt niet dat PZW inderdaad de belangen van de andere vennootschappen in gevaar heeft gebracht. Dat er een betalingsachterstand was, staat tussen partijen vast, maar uit niets blijkt dat CTW niet in staat was of niet in staat kon worden geacht die betalingsachterstand in te lopen, en evenmin blijkt dat, of in hoeverre, dit nadelige gevolgen had of zelfs maar kon hebben voor de andere vennootschappen van de groep. Ook de stelling van CTW dat werkgelegenheid verloren gaat kan het hof niet volgen. Ook dit argument is niet, dan wel onvoldoende toegelicht. Immers, CTW heeft niet gesteld dat zij werknemers als gevolg van haar financiële problemen heeft ontslagen of zou moeten ontslaan. Van CTW had verlangd mogen worden dat zij nader had toegelicht of en hoeveel werknemers zij heeft of zou moeten ontslaan, waarbij zij ook enig inzicht had dienen te geven in het oorzakelijk verband met de door PZW genomen incassomaatregelen.

CTW heeft deze stellingen dus onvoldoende onderbouwd.

3.7.3.

Voorts heeft CTW aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de oorzaak van het ontstaan van de betalingsachterstand, het feit dat die oorzaak werd weggenomen, dat er geen nieuwe achterstanden ontstonden en dat met deelbetalingen werd ingelopen op de betalingsachterstand. Het hof kan CTW ook hierin niet volgen. CTW heeft namelijk niet, althans onvoldoende uiteengezet wat de oorzaak was van de betalingsachterstand. Zij heeft daarover niet veel meer gesteld dan dat er aanleiding was om de administratie van CTW (en van de groep) aan een onderzoek te laten onderwerpen en dat daarvoor zijn ingeschakeld mr. [onderzoeker 1] en de heer [onderzoeker 2] R.A (randnummer 6 inleidende dagvaarding). In de memorie van grieven (randnummer 27) heeft CTW gesteld dat de onderzoekers zich hebben ingespannen om de bedrijfsvoering weer op de rit te krijgen. Waarom de bedrijfsvoering niet goed was, heeft CTW echter niet toegelicht. Anders dan CTW kennelijk meent, kan uit het enkele feit dat CTW onderzoekers inschakelde niet worden afgeleid dat de oorzaak voor het niet betalen van de premies werd weggenomen. CTW heeft niet gesteld wat de bevindingen waren van de onderzoekers en ook niet wat zij hebben gedaan of voorgesteld (anders dan in de relatie tot PZW) om tot een verbetering te komen van de bedrijfsvoering. Ook heeft CTW haar stelling dat met deelbetalingen werd ingelopen, onvoldoende toegelicht. Weliswaar heeft CTW in haar inleidende dagvaarding en in haar conclusie van repliek verwezen naar deelbetalingen (producties 11 en 12), maar PZW heeft dat bij dupliek gemotiveerd betwist. CTW heeft daar in hoger beroep niet meer op gereageerd, zodat die stelling als onvoldoende toegelicht moet worden verworpen.

Ook voor deze stellingen van CTW heeft dus te gelden, dat deze onvoldoende zijn onderbouwd.

3.7.4.

Het hof overweegt het volgende over de wijze van communiceren.

PZW heeft op 21 augustus 2014 laten weten dat de betalingsregeling is komen te vervallen omdat CTW zich niet aan de afspraken hield. PZW werd tot betaling gesommeerd waarbij incassomaatregelen werden aangekondigd.

Op 31 augustus 2014 heeft [onderzoeker 1] met een mail contact opgenomen met PZW en gevraagd om een persoonlijk gesprek. PZW heeft op 4 september 2014 gereageerd met de mededeling dat persoonlijk contact niet gebruikelijk is, maar dat schriftelijk of per mail kan worden getracht overeenstemming te bereiken over een betalingsregeling. PZW heeft verzocht de aansluitnummers door te geven en per praktijk (het hof begrijpt per vennootschap) een betalingsvoorstel te doen. Op 8 september 2014 heeft [onderzoeker 1] medegedeeld daarover contact op te nemen met [onderzoeker 2] en dat schriftelijk bericht zal volgen. Op 9 september 2014 heeft de toenmalig gemachtigde van PZW een sommatie gestuurd en rechtsmaatregelen aangekondigd.

Het hof kan CTW volgen in haar stelling dat deze brief van 9 september 2014 minst genomen opmerkelijk is gelet op de daaraan voorafgaande correspondentie en zelfs onfatsoenlijk, omdat in die brief in het geheel voorbij wordt gegaan aan het e-mail contact dat kort daarvoor had plaatsgevonden. Het hof is echter van oordeel dat CTW vervolgens zelf niet adequaat heeft gereageerd. Het had immers op de weg van CTW gelegen om alsnog op korte termijn een concreet betalingsvoorstel te doen, waar PZW in de fax van 4 september 2014 immers om had gevraagd. In plaats daarvan heeft CTW echter op 8 oktober 2014 aan de gemachtigde van PZW laten weten dat er afspraken waren gemaakt die werden nagekomen. Deze mededeling van CTW was evenwel in strijd met het bericht van 21 augustus 2014 van PZW. CTW heeft niet gesteld dat in die tussentijd een nieuwe afspraak met PZW tot stand was gekomen. In plaats van alsnog een concreet betalingsvoorstel te doen, is CTW aan de toenmalige gemachtigde van PZW blijven schrijven dat het doorvoeren van maatregelen onterecht zou zijn (fax van 27 oktober 2014). CTW heeft niet gesteld wanneer zij een concreet betalingsvoorstel heeft gedaan aan PZW. Pas in de fax van 31 oktober 2014 van CTW wordt een concreet betalingsvoorstel vermeld. Van eerdere concrete betalingsvoorstellen ten aanzien van CTW is niets gebleken, zodat het hof ervan uitgaat dat die er niet geweest zijn tot 31 oktober 2014. Dat betalingsvoorstel kan, gelet op de fax van 4 september 2014 en de aangekondigde incassomaatregelen, niet worden aangemerkt als een adequate reactie. PZW heeft wel (op 4 november 2014) een tegenvoorstel gedaan en vervolgens zijn over en weer voorstellen gedaan, die niet hebben geleid tot overeenstemming.

Kortom, het hof is van oordeel dat de communicatie vanuit PZW niet goed is geweest, maar dat CTW zelf ook niet adequaat heeft gereageerd.

3.8.

Tegenover de hiervoor besproken omstandigheden, staat het evidente belang van PZW bij afdracht van de premies. Het uitblijven van de premiebetaling leidt er immers niet toe dat PZW geen pensioenuitkering verschuldigd is aan de deelnemers. Kenmerkend voor pensioenfondsen is de sociale functie, die inhoudt dat individuele risico’s van deelnemers worden opgevangen door het collectief. Collectiviteit en solidariteit zijn wezenskenmerken van pensioenfondsen (Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3. p. 25). Het systeem van de Wet Bpf 2000 is aldus dat de aanspraak op pensioen los staat van de vraag of premie is voldaan (Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3, p. 63). Het hof is van oordeel dat de systematiek van de Wet Bpf 2000 meebrengt dat aan premiebetaling strikt de hand moet worden gehouden door het pensioenfonds, omdat het pensioenfonds de belangen van zowel de deelnemers als die van alle onder de verplichtstelling vallende werkgevers dient te bewaken. Wanneer het pensioenfonds dat niet of onvoldoende doet, wordt daarmee het beginsel van collectiviteit en solidariteit uitgehold.

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat het hof CTW niet volgt in haar betoog dat PZW geen gebruik mocht maken van haar bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen en/of dat het beroep van PZW op de wettelijke verplichting van CTW om de premies te betalen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of misbruik van recht oplevert. De grieven IV tot en met IX falen.

3.10.

Grief X mist zelfstandige betekenis. Deze grief behoeft daarom geen bespreking.

3.11.

Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen. CTW zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt CTW in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van PZW op € 711,- aan griffierecht en op € 1.158,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.J.H.A. Venner-Lijten en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 april 2016.

griffier rolraadsheer