Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:1515

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
200.167.719_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5:112 lid 3 BW. Vereniging naast Vereniging van Eigenaars. Geen verplicht lidmaatschap aangenomen; ook niet op andere gronden verplichting tot betaling van bijdrage naast die aan de VvE.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek BES Boek 5 112
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2016/106 met annotatie van M.C.E. van der  Vleuten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.167.719/01

arrest van 19 april 2016

in de zaak van

Vereniging tot verlening van diensten aan de bewoners van de serviceflat

“ [serviceflat] ” U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. R.J. Boogers te Boxtel,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter te Middelburg van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnis van 15 oktober 2014 tussen appellante - de Vereniging - als eiseres en geïntimeerde- [geïntimeerde] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3067761/14-3272)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 12 januari 2015 met producties;

- de memorie van grieven van de Vereniging van 23 juni 2015 met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 1 september 2015 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De vaststelling van de feiten in het vonnis van 15 oktober 2014 onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt, met een door het hof aangebrachte letteraanduiding:

  1. De serviceflat “ [serviceflat] ” is een gebouw aan de [vestigingsadres] te [plaats] . Bij notariële akte van 24 november 1972 is het gesplitst in 114 appartementen en is tevens de Vereniging van Eigenaars als bedoeld in (thans) artikel 5: 124 BW (verder: de VvE) opgericht.

  2. [geïntimeerde] is eigenaar van een appartement in “ [serviceflat] ” en van rechtswege lid van de VvE.

  3. Gelijktijdig met en naast de VvE is opgericht de “Coöperatie tot verlening van diensten aan de bewoners van de serviceflat “ [serviceflat] ” U.A.” (verder: de coöperatie). [geïntimeerde] was lid van de coöperatie.

  4. Om fiscale redenen is op 31 december 2013 de coöperatie omgezet in een “gewone” vereniging, namelijk eiseres. Op 13 december 2013 schreef [geïntimeerde] aan de VvE en aan de coöperatie geen lid te worden van de Vereniging.

  5. Aan [geïntimeerde] zijn over december 2013 tot en met mei 2014 bijdragen (servicekosten en voorschotten van stookkosten) in rekening gebracht die niet zijn voldaan.

Bij dagvaarding van 6 mei 2014 heeft de Vereniging de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt.

4.2

In deze procedure stelt de Vereniging dat [geïntimeerde] als appartementseigenaar van rechtswege lid is van de Vereniging, dan wel krachtens de splitsingsakte verplicht lid is, en daardoor gehouden is tot betaling van de bijdragen voor servicekosten en voorschotten van stookkosten. Deze bijdragen worden jaarlijks door de Algemene Ledenvergadering van de Vereniging vastgesteld. [geïntimeerde] weigert de bijdragen echter (volledig) te betalen. Daarnaast stelt de Vereniging zich op het standpunt dat [geïntimeerde] op grond van redelijkheid en billijkheid deze bijdragen dient te betalen.

4.3

Op grond hiervan vorderde de Vereniging in eerste aanleg, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van:

  • -

    een bedrag van € 1.397,24 met de overeengekomen rente van 0,5% per maand over € 1.264,= vanaf 6 mei 2014,

  • -

    de maandelijkse bijdragen vanaf mei 2014 van € 298,= per maand, vermeerderd met een eventuele wijziging van deze bijdrage en de daarover vervallen rente,

  • -

    de proceskosten.

Het bedrag van € 1.397,24 bestond uit € 1.264,= aan onbetaalde bijdragen over december 2013 tot en met april 2014, € 121,04 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 12,= aan rente tot 6 mei 2014.

[geïntimeerde] heeft de vorderingen van de Vereniging bestreden.

4.4

De kantonrechter heeft in het vonnis van 15 oktober 2014 geoordeeld dat de vordering van de Vereniging op de door haar aangevoerde gronden niet toewijsbaar is en de vordering afgewezen, met veroordeling van de Vereniging in de proceskosten.

4.5

In haar memorie van grieven gaat de Vereniging allereerst in op de vraag of het vonnis van 15 oktober 2014 al dan niet appellabel is, gelet op artikel 332 Rv. Volgens de Vereniging is dat wel het geval, aangezien door de gevorderde termijnen de vordering van onbepaalde waarde is. De Vereniging heeft gelijk; het vonnis is appellabel.


4.6 In haar memorie van grieven wijzigt de Vereniging haar eis in die zin dat zij de grondslag daarvoor aanvult met een beroep op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) en haar eis vermeerdert zodat deze thans luidt, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van

  • -

    een bedrag van € 3.188,87 (de onbetaalde bijdragen over de periode van november 2013 tot en met december 2014) vermeerderd met de overeengekomen rente van 0,5% per maand althans de wettelijke rente vanaf 6 mei 2014;

  • -

    een bedrag van € 89,66 aan buitengerechtelijke kosten,

  • -

    de proceskosten in beide instanties met nakosten.

Tegen de eiswijziging heeft [geïntimeerde] geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet geen reden deze niet toelaatbaar te achten, zodat verder van de aldus gewijzigde vorderingen wordt uitgegaan.

4.7

[geïntimeerde] is geen lid geworden van de Vereniging en zij was daartoe volgens haar ook niet verplicht. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] hierin gevolgd. Hierop hebben de eerste twee grieven van de Vereniging betrekking. Volgens de Vereniging bevat de splitsingsakte een regeling als bedoeld in artikel 5:112 lid 3 BW zodat ten aanzien van [geïntimeerde] sprake is van een verplicht en onopzegbaar lidmaatschap van de Vereniging.

4.8

Artikel 5:112 lid 3 BW bepaalt met betrekking tot de inhoud van het reglement dat in de splitsingsakte is opgenomen dat het reglement een regeling kan inhouden krachtens welke aan alle of bepaalde appartementsrechten mede verbonden is het lidmaatschap van een andere, nader in het reglement omschreven vereniging of coöperatie, voor zover dit lidmaatschap in overeenstemming is met de statuten van die vereniging of coöperatie. Volgens de Vereniging volgt uit de wet noch uit de parlementaire geschiedenis dat in de splitsingsakte expliciet moet worden opgenomen dat bewoners, naast het kwalitatieve lidmaatschap van de VvE, ook verplicht lid zijn van een andere vereniging. Volgens de Vereniging komt het aan op de uitleg van de desbetreffende bepalingen van de splitsingsakte en de bedoeling die partijen daar destijds hebben gehad. De Vereniging heeft hierbij het oog op de artikelen 3 en 4 van het reglement in de splitsingsakte. Deze bepalingen luiden als volgt:

Artikel 3

1. Ieder der eigenaren is gerechtigd zijn recht van appartement te vervreemden of te bezwaren.

2. Vervreemding is alleen mogelijk aan personen, die een schriftelijke verklaring kunnen overleggen van de coöperatieve vereniging dat zij als lid van de vereniging zijn toegelaten.

3. Het in gebruik afstaan van zijn recht van appartement door de eigenaar is alleen mogelijk aan personen ten aanzien van wie de eigenaar een schriftelijke verklaring kan overleggen, dat hem is toegestaan zijn recht op de diensten van de coöperatieve vereniging door hen te laten uitoefenen.

Artikel 4

Het gebruik van het recht van appartement is slechts toegestaan:

a. door een eigenaar: zolang als hij lid is van de coöperatieve vereniging;

b. door een gebruiker niet-eigenaar: zolang als hij op grond van de in artikel 3 lid 3 bedoelde verklaring recht heeft op de diensten van de coöperatieve vereniging.

Hieruit vloeit volgens de Vereniging voort dat iedere eigenaar lid moet zijn of worden van destijds de coöperatie en sinds de omzetting daarvan per 31 december 2013 van de Vereniging.

4.9

Het hof overweegt hierover het volgende. Anders dan de Vereniging voorstaat, acht het hof voor het aannemen van een kwalitatief en onopzegbaar lidmaatschap van de Vereniging naast dat van de VvE een expliciete vermelding daarvan in de splitsingsakte een vereiste. Een VvE kent een bijzondere regeling die afwijkt van de regeling van de ‘gewone’ vereniging in Titel 2 van Boek 2 van het BW. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de mogelijkheid om aan het appartementsrecht het lidmaatschap van een extra coöperatie of vereniging naast de VvE te verbinden is ingegeven door de behoefte aan een aparte coöperatie of vereniging ter behartiging van bepaalde belangen. In de memorie van toelichting op de Herziening van de regeling in het Burgerlijk Wetboek betreffende splitsing in appartementen (1970-71, 10.987 nr. 3) is dit als volgt omschreven:

5. In artikel 875f van het ontwerp is voorts als derde lid bepaald dat het in de akte van splitsing vervatte reglement bovendien een regeling kan inhouden, krachtens welke aan alle of bepaalde appartementsrechten mede verbonden is het lidmaatschap van een andere, nader in het reglement omschreven vereniging, uiteraard voor zover dit in overeenstemming is met de statuten van die vereniging.

Deze nieuwe bepaling is opgenomen, omdat in de praktijk bij grote flatgebouwen of groepen van gebouwen behoefte is gebleken aan een vereniging die zich ten doel stelt de behartiging van een of meer bepaalde gemeenschappelijke belangen van bepaalde groepen appartementseigenaars; b.v. wanneer een deel van het gebouw, de parterre, alleen winkels bevat en voor een ander deel uit woningen bestaat. Het kan wenselijk zijn dat de appartementseigenaars wier recht een woning omvat, nog een afzonderlijke vereniging vormen ter behartiging van belangen die zij, en niet de overige appartementseigenaars, gemeen hebben. Het kan b.v. ook gaan om het onderhoud van een installatie waarbij alleen de bewoners van de etages, niet ook die van de parterrewoningen belang hebben, zoals een lift. Het lidmaatschap van die andere vereniging dient dan verbonden te worden aan de hoedanigheid van appartementseigenaar, in die zin dat de verkrijging van zo'n appartementsrecht de verkrijger automatisch, kwalitatief, lid van die vereniging doet worden.

Denkbaar is ook dat de andere vereniging, waarvan mede de appartementseigenaars van een naburige appartementsgemeenschap welker reglement een overeenkomstige bepaling bevat, lid zijn, zich ten doel stelt gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars van beide gemeenschappen te behartigen en daartoe bij voorbeeld een tennisbaan in eigendom heeft.

Het praktische verschil met de vereniging van eigenaars die ingevolge artikel 875f lid 1 onder e bij elke akte van splitsing moet worden opgericht, komt hierop neer dat van de vereniging van eigenaars noodzakelijk alle appartementseigenaars, aan wie de in één splitsing betrokken goederen toebehoren, lid zijn. Anderzijds kunnen geen andere personen lid van de vereniging van eigenaars zijn; ook niet bijvoorbeeld alle of bepaalde personen die appartementsrechten hebben in een andere, al dan niet gelijktijdig, door splitsing van een ander gebouw (of andere groep gebouwen) tot stand gebrachte gemeenschap. Wanneer nu in die andere gemeenschap een overeenkomstige behoefte bestaat en een gecombineerde behartiging van het belang waarom het daar en hier gaat, doeltreffender en minder kostbaar is, ligt het oprichten van een speciaal hiertoe bestemde andere vereniging voor de hand en kan het gewenst zijn dat het lidmaatschap daarvan aan de appartementsrechten in beide gemeenschappen wordt verbonden.

Uit deze omschrijving blijkt dat het bij de regeling als bedoeld in artikel 5:112 lid 3 BW gaat om de behartiging van specifieke belangen die een van de VvE onderscheiden coöperatie of vereniging wenselijk doet zijn. Voor een andere strekking van de bepaling zijn geen aanknopingspunten te vinden; de aangehaalde passage uit de memorie van toelichting is ook nu nog het uitgangspunt (Asser/Mijnssen, Van Velten en Bartels 5* 2008 nr. 432-434). Een dergelijke strekking veronderstelt dat de regeling die in het reglement van een splitsingsakte wordt opgenomen specifiek omschrijft welk belang de andere vereniging of coöperatie behartigt en expliciet vermeldt dat appartementseigenaren naast het lidmaatschap van de VvE ook verplicht lid zijn van die andere vereniging of coöperatie. Daaraan voldoen de bepalingen in de splitsingsakte waar de Vereniging zich op beroept niet. Afgezien daarvan wordt het argument van de Vereniging dat het hier gaat om een kwalitatief en daardoor onopzegbaar lidmaatschap ondergraven door de omstandigheid dat de statuten van destijds de coöperatie en nu de Vereniging anders bepalen aangezien hierin wordt uitgegaan van de afzonderlijke opzegbaarheid van het lidmaatschap (artikel 8 respectievelijk artikel 9). Voor het overige zijn door de Vereniging geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot een ander oordeel leiden.

4.10

Een en ander brengt het hof tot dezelfde conclusie als de kantonrechter op dit punt, zodat de grieven I en II wordt verworpen.

4.11

Grief III betreft het beroep van de Vereniging op redelijkheid en billijkheid als grondslag voor haar vordering. De kantonrechter heeft geoordeeld dat deze beginselen op zich geen rechtsgrond vormen voor een verplichting tot betaling van een door (de leden van) de Vereniging vastgestelde bijdrage. De Vereniging onderbouwt haar standpunt met een verwijzing naar jurisprudentie waarin volgens haar een dergelijke rechtsgrond voor kosten van beheer van gemeenschappelijke voorzieningen en ruimten is aanvaard. De situatie waar het in de door de Vereniging bedoelde gevallen om gaat, verschilt evenwel wezenlijk van de onderhavige zaak. In die gevallen ging het, in de terminologie van prof. mr. A.A. van Velten, om collectief terreinbeheer ofwel ‘parkmanagement’ (Een vereniging van eigenaren is geen vereniging van eigenaars! WPNR 2011, 6889), en niet om de situatie dat juist wel een VvE voor dat doel voorhanden is. In die laatste situatie is voor het aannemen van een verplichting tot betaling van een door de naast die VvE bestaande vereniging als waarvan in dit geval sprake is, in de door de Vereniging bedoelde beginselen geen rechtsgrond te vinden. Grief III wordt daarom verworpen.

4.12

Grief IV, ten slotte, betreft de verwerping door de kantonrechter van het beroep door de Vereniging op artikel 6:212 BW inzake ongerechtvaardigde verrijking. Voor zover de Vereniging in haar toelichting op deze grief verwijst naar uitspraken die betrekking hebben op collectief terreinbeheer geldt daarvoor hetzelfde als hiervoor bij grief III overwogen, zodat daaraan geen argumenten zijn te ontlenen voor de onderhavige zaak.

4.13

Artikel 6:212 lid 1 BW bepaalt dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Voor een beroep op deze bepaling is vereist dat sprake is van verrijking van de een, verarming van een ander, een voldoende verband tussen de verrijking van de een en de verarming van de ander en het ontbreken van redelijke grond voor de verrijking.

Door de Vereniging is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van verrijking doordat zij de door de Vereniging in rekening gebrachte servicekosten en het voorschot op de energiekosten niet betaalt. Tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte energiekosten is [geïntimeerde] evenwel bereid en van aan haar ten goede komende dienstverlening, naast de hier niet ter discussie staande beheerskosten waar de bijdrage aan de VvE tegenover staat, is onvoldoende gebleken. Dit betekent dat het beroep op artikel 6:212 BW reeds hierop strandt, zodat ook grief IV wordt verworpen.

4.14

In haar memorie van grieven is de Vereniging nog nader ingegaan op een verweer van [geïntimeerde] inzake de Warmtewet. [geïntimeerde] heeft dit opgevat als een vijfde grief van de Vereniging. Echter, de kantonrechter heeft dit verweer van [geïntimeerde] niet aan zijn beslissing ten grondslag gelegd, zodat de Vereniging bij bespreking hiervan geen belang heeft.

4.15

Op grond van deze overwegingen komt het hof tot de slotsom dat de vorderingen van de Vereniging, zoals in hoger beroep door haar gewijzigd, vanwege het ontbreken van een grondslag daarvoor niet voor toewijzing in aanmerking komen. Voor het overige zijn door de Vereniging geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat het in algemene termen gestelde bewijsaanbod van de Vereniging als niet relevant wordt gepasseerd.

4.16

Nu alle grieven zijn verworpen, wordt het vonnis waarvan beroep bekrachtigd met afwijzing van het meer of anders gevorderde en met veroordeling van de Vereniging in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de Vereniging in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 311,= aan vast recht en op € 632,= aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 april 2016.

griffier rolr